Wat was het moeilijkste onderdeel van het schrijven van je debuutroman en waarom?

‘Het is interessant om te zien waar de schrijvers van het Debutantenblog mee worstelden tijdens het schrijven van hun debuut. Voor de een zal dat misschien de openingszin zijn, voor een ander wellicht het eindeloos reviseren. Ik verwacht dan ook heel uiteenlopende antwoorden.’ – Murat Isik

Deniz Kuypers

De eerste versie van mijn debuut, Dagen zonder Dulci, schreef ik in vijf weken. Ik had een idee dat mij niet losliet, en van ‘s ochtends vroeg tot diep in de nacht zat ik achter mijn laptop om dit idee op papier te krijgen. En toen sloegen de twijfels toe…

Schrijven is voor mij instinctief. Ik begin met een idee, een personage, soms maar een enkele zin. Eerste versies schrijf ik vlug, en vaak weet ik al na een paar pagina’s of waar ik mee bezig ben de moeite waard is. Zo ja, dan ga ik door, maar meestal gooi ik het weer weg. Wat ik overhoud is dus niet veel, en daarmee begint de ellende eigenlijk pas. Ik ben namelijk een eindeloze herschrijver. Een eerste versie is voor mij maar een vingeroefening, die mij leert wat er wel of niet goed is aan mijn oorspronkelijke idee. Die goede stukken pik ik er dan uit, en ik begin opnieuw.

Stephen King heeft een rekensommetje: de laatste versie van je boek = de eerste versie – 10%. Gold dat voor mij ook maar! Herschrijven is voor mij geen zinnen verschuiven of aanpassen; nee, ik neem een lege pagina, zet de titel van het werk bovenaan en begin helemaal van voor af aan. Al schrijvende leer ik mijn personages en hun verhalen pas echt kennen. Alle ideeën die ik van tevoren heb – en dat zijn er veel; overal waar ik ga heb ik een notitieboekje bij me – beginnen pas duidelijke vormen aan te nemen wanneer ik helemaal in het boek zit. Ook ontwikkel ik zo geleidelijk aan de toon en de sfeer van het boek.

De eerste versie van Dulci, geschreven in de winter van 2007, telde 75.000 woorden. Volgend jaar komt het boek eindelijk uit, en die versie telt maar 50.000 woorden. Minder dan de helft daarvan komt overeen met het originele manuscript. In de afgelopen vijf jaar heb ik Dulci iedere zes maanden in z’n geheel herschreven (tussendoor werkte ik aan andere verhalen). Met iedere nieuwe versie hield ik meer bruikbare scènes over en hoefde ik er minder bij te schrijven. Die bruikbare scènes scherpte ik vervolgens weer aan. Vaak las ik ze hardop voor. Ik lette heel erg op de melodie van mijn zinnen. Toen Anthos Dulci kocht, was ik nog steeds niet klaar. De eerste nieuwe versie die ik hun stuurde verschilde zo erg van het boek dat zij gekocht hadden, dat ik bang was dat ze het contract zouden verbreken. Gelukkig deden ze dat niet.

Het moeilijkste onderdeel van het schrijven vind ik het boek loslaten. Het is maar goed dat Anthos Dulci gaat uitgeven, want anders zou ik er over vijf jaar misschien nog aan zitten te sleutelen. Onder het toeziend oog van mijn redacteur heb ik een versie gecreëerd waar ik trots op ben. Als ik de drukproef straks nog een laatste keer heb doorgenomen, zal ik het boek nooit meer lezen. Ik wil namelijk niet weer gaan denken over alle andere manieren waarop ik het had kunnen schrijven.

Myrthe van der Meer

Toen het manuscript van PAAZ af was, spraken mijn literair agent en ik met alle geinteresseerde uitgevers. Een van hen had het in één nacht uitgelezen, was dolenthousiast en zei: ‘Geweldig. Echt een boek voor ons. Maar het moet natuurlijk wel een happy end krijgen, anders trekt de lezer het niet.’
Die uitgever werd het dus niet.

Het lastige aan het schrijven van PAAZ vond ik dat het waargebeurd is: ik was mijn eigen hoofdpersoon, wat zij meemaakte als patiënt in de psychiatrische kliniek had ik zelf beleefd. Het moeilijke lag echter niet in het schrijven zelf, maar in het hoe: vaak hoor je bij waargebeurde boeken dat de schrijver het ‘ van zich afgeschreven’ heeft. Een echte, leesbare roman schrijf je echter niet voor je eigen therapie, maar voor een onbekende: de lezer.

Het van je af schrijven maakt waargebeurde verhalen bovendien vaak ook zo eendimensionaal en sensatiebelust: ‘Schande, wordt ze nu ook nog gewurgd door een medepatiënt? En we zijn nog maar halverwege het boek!’ De lezer hopt aan de hand van de schrijver keurig van de ene naar de andere zorgvuldig op ellende geselecteerde gebeurtenis, allemaal door de schrijver al van de enige juiste interpretatie voorzien.

Maar zo werkt het leven niet. Ik heb nog nooit iets meegemaakt waar ik niet over getwijfeld heb – deze zin inclusief. Hoe kan dat in een waargebeurd verhaal dan anders zijn?

Ik wilde juist het omgekeerde, niet van me af schrijven en verklaren, maar juist naar me toe halen, alles van mijn PAAZ-opname tot op het bot fileren – niet om tot juiste interpretaties te komen, maar juist om alle afzonderlijke onderdelen te zien, om te zien hoe complex alles eigenlijk is: natuurlijk, gewurgd worden is niet leuk en daar horen al die afgezaagde emoties als schrik, woede en doodsangst bij, maar ook méér. Ook vreemdere, vileinere gevoelens: want als die ander echt gestoord blijkt, wordt ze vast snel afgevoerd naar de isoleer en hebben wij eindelijk weer rust, toch?

Dat was voor mij de uitdaging: fileren in plaats van concluderen, de lezer zelf tot conclusies laten komen, het opschrijven zoals het gebeurd was. Dat was al moeilijk genoeg. Want het verschrikkelijkste aan PAAZ was dat ik dit boek helemaal niet wilde schrijven . Ik wilde niet schrijven over de afschuwelijke verhalen die ik hoorde van mensen die daar mijn vrienden werden, de gruwelijke dingen die mensen soms mee moeten maken om op een PAAZ te belanden. Toen ik ze op ging schrijven, was het echter alsof ze ineens écht werden. Alsof ik tegen een groepsgenote zei: ‘Zo, dit is vanaf nu jouw jeugd, als je zestien bent, wordt het iets beter.’ Terwijl ik juist niets liever wilde dan alles ongedaan maken, haar de meest onbezorgde kindertijd ooit geven.

Maar dat kon ik niet. Wat ik was slechts de schrijver. Het enige wat ik kon doen was opschrijven wat er gebeurd was. En het soms iets minder erg maken. Want het moet voor de lezer wel draaglijk blijven.

Dennis Rijnvis

Mijn probleem was vooral dat ik bang was om rotzooi te schrijven. Die onzekerheid en daaruit voortvloeiend uitstelgedrag hebben me al zo ongeveer een half oeuvre gekost. Vanaf mijn zestiende wist ik dat ik een thriller wilde schrijven, het liefste ééntje waarmee ik de bestsellerlijsten zou bestormen. Om de droom levend te houden schreef ik soms een eerste zin, als ik een goede dag had zelfs een alinea. Ik bedacht de de titel, een paar personages en de samenvatting die op de achterflap van mijn boek zou komen. Maar na die eerste vlaag van inspiratie, trad altijd de onzekerheid in. Ik stond op, pakte een punselie (kleine stroopkoekjes, tot op de dag van vandaag een verslaving), las de tekst opnieuw, woog de woorden en begon te twijfelen of ze origineel genoeg waren, of ze me op enige manier zouden onderscheiden van alle andere mensen die een poging deden een boek te schrijven.

Bij die afweging kwamen ook de excuses bovendrijven. Het was niet het goede moment om te beginnen aan een boek. Ik was was te druk met school, te moe, te inspiratieloos, te verliefd, te verveeld, te onzeker of nog niet volwassen genoeg. Zo heb ik zeker tien boeken bedacht die nooit zijn geschreven.

Achteraf was het vooral angst. Als je daadwerkelijk een begin maakt met een boek verniel je het beeld in je hoofd van de meeslepende thriller of het literaire epos dat je jezelf hebt beloofd. Er verschijnen obligate letters en woorden op je scherm en die vormen (bij mij tenminste) niet meteen de briljante zinnen waarop je hoopt.

Dat is confronterend. Ik had de neiging om weg te rennen op dat soort momenten, het werk te laten voor wat het was. In mijn fantasie kon ik dan weer vrijelijk pronken met de prachtige boeken die ik ooit zou schrijven.

Het faalontwijkend gedrag kreeg ik uiteindelijk binnen de perken met een ander angstbeeld. Toen ik dertig werd, stelde mezelf voor op mijn 90e in het bejaardentehuis, met twee tanden kauwend op een stroopkoekje, mompelen dat ik een prachtig boek had kunnen schrijven.

Natuurlijk twijfel ik nog steeds aan mijn werk, sterker nog: ik loop er nog steeds voor weg. Als ik het gevoel heb dat een scene doodloopt of een zin niet uit de verf komt, vlucht ik naar Facebook of Twitter, als een junk op zoek naar prikkels die mijn twijfel verbloemen.

Ik moet daar iets aan doen, nog steeds, want dit gedrag kost me veel tijd, uren die ik ook in mijn boek had kunnen steken. Wel keer ik nu altijd weer terug naar mijn verhaal, beter een schrijver die rotzooi schrijft, dan alleen een schrijver in fantasie.

Het is enigszins geruststellend om te weten dat ik niet de enige ben met deze vorm van faalangst. In dit artikel in de New Yorker komt de succesvolle schrijfcoach Barry Michels aan het woord, hij helpt bekende scenarioschrijvers uit Hollywood. Zijn advies aan zijn klanten: kniel elke dag voor je computer en smeek het universum om de slechtste zin ooit te mogen schrijven. Zet vervolgens een eierwekker en schrijf een uur aan één stuk door.

Ik heb die raad opgevolgd bij het schrijven van dit antwoord, maar ben nog niet genezen. Ik heb het een paar keer nagelezen, twijfel en hoop dat dit antwoord geen rotzooi is.

Wytske Versteeg

Het moeilijkste, maar tegelijk ook het leukste onderdeel van schrijven is voor mij het uitvinden waar het boek nu werkelijk over gaat, en het accepteren dat ik dat niet van het begin af aan weet. Ik heb bewondering voor schrijvers die vooraf een schema maken van hun boek, die van het begin af aan weten waar alles naar toe gaat, maar mijn eigen hoofd werkt anders. Voor mij is het altijd maar afwachten waar een verhaal of boek nu eigenlijk om blijkt te draaien en meestal kom ik daar pas achter als er een ritme tot leven komt, een personage een stem krijgt en uit zichzelf begint te spreken.

Nu ik aan mijn tweede roman werk kan ik uit ervaring zeggen dat ik blijkbaar de neiging heb om te beginnen met een zeurderige verteller – blijkbaar duurt het even voordat er een personage aan het woord komt dat daadwerkelijk iets te zeggen heeft. Dat afwachten tot het verhaal uit zichzelf gaat spreken, dat vind ik het allermoeilijkste. Want het vraagt lef om op zoiets ongrijpbaars te vertrouwen, en misschien ook zoiets als overgave – stug proberen toch te schrijven als er geen stem, geen ritme is, kán wel, maar levert over het algemeen een levenloze tekst op die ik daarna weer weg moet gooien. Of zoals de beeldhouwer Brancusi zei: ‘Het is niet moeilijk om dingen te maken. Wel moeilijk is het om ons in die toestand te brengen waarin we dingen kunnen maken.’ Om in die toestand, die concentratie te komen lees ik schrijvers die me inspireren, door hun onderwerp of door het ritme van hun eigen taal. Maar soms kan een bezoek aan een museum al net zo nuttig zijn of zelfs maar een ritje in de trein, of eigenlijk ieder moment waarop ik in de wereld om me heen juist dat kan opvangen wat mijn verhaal tot leven brengt, of dat nu een mens is die voorbij zie lopen, een zin die ik toevallig hoor of een gedachte die ik zomaar krijg. Eigenlijk heeft schrijven veel weg van beeldhouwen – de kunst is om erachter te komen welk stukje van de werkelijkheid thuis hoort in het boek en om dan de rest weg te hakken en rustig af te wachten wat ontstaat.

Peter Zantingh

Ik ben momenteel bezig met mijn tweede roman, en ik merk dat sommige dingen nu juist moeizamer gaan dan bij mijn debuut. Dat eerste boek ontstond min of meer per ongeluk – ik wist immers niet precies waar ik mee bezig was en deed veel op gevoel, intuïtie. Bovendien had ik nog niet te maken met verwachtingen. Er leest niemand over je schouder mee, dus je bent vrijuit bezig. Alles mag mislukken.

Maar uiteraard zorgde die onervarenheid er ook voor dat ik tegen problemen aan liep. Een van de moeilijkste dingen vond ik om mijn vier hoofdpersonen elk een heel eigen karakter te geven. Bij Johan, mijn hoofdpersoon, lukte dat uiteraard wel, maar hoe laat je de lezer kennismaken met de andere drie? Alle drie waren ze begin twintig, blank, West-Fries en voetballiefhebber. ‘Alex is schuchter’ of ‘Richard kan niet zo goed omgaan met verdriet’, dat schrijf je niet op. Show, don’t tell. Het karakter van die jongens moet uit hun gedrag blijken, uit wat ze zeggen en doen. Subtiel, maar tegelijkertijd wel duidelijk genoeg om de lezer de volgende keer als Richard genoemd wordt, te laten denken: ‘Oh ja, die jongen heeft het er bijzonder moeilijk mee.’

Het werk aan mijn tweede roman ben ik begonnen met zo’n vijfduizend woorden uit de losse pols te schrijven over elk van de drie belangrijkste personages. Die teksten komen niet terug in het boek, maar leren mij meer over wie ze zijn en waarom ze doen wat ze doen. Hopelijk gaat het me zo beter af dan bij mijn debuut, maar lastig blijft het.

Murat Isik

Ik had een monster gecreëerd. Een vierpotig monster met drie koppen dat mij brullend aanstaarde. Hij schuurde met zijn hoeven uitdagend over het parket van mijn werkkamer. En hij spuwde vuur.

Dat was wat ik zag toen ik de eerste versie van mijn debuutroman Verloren grond had voltooid. Ik wist dat ik geen kant op kon en het gevecht met het beest moest aangaan. Ik wist dat ik hem een paar keer moest onthoofden.

De eerste ruwe versie van mijn debuut telde na vier jaar schrijven bijna 700 pagina’s. 192.000 woorden. Niemand hoefde mij te vertellen dat het te veel was. De overbodige zijpaden en uitgerekte scènes moesten eruit. Dat wist ik. Maar hoe kwam het zover? Terug naar het begin.

Verloren grond speelt zich af in een dorp in Oost-Turkije. Het is een familiegeschiedenis. Om authentiek over dat dorp en haar inwoners te kunnen schrijven, diende ik research te doen. Ik besloot mijn ouders te interviewen. Maandenlang sprak ik hen over hun jeugd in het dorp. Zij vertelden, ik schreef alles op in een schrift.

Ik had op een gegeven moment zoveel materiaal en het verhaal dat ik voor ogen had was zo omvangrijk, dat ik besloot mezelf bij het schrijven geen beperkingen op te leggen en de stream of consciousness te volgen, de zinnen te laten vloeien. Toen de oerversie af was, begon het echte werk pas: ik moest het monster te lijf gaan. Het werd een uitputtingslag. Maar na de eerste revisieronde zat ik al op 550 pagina’s. Uiteindelijk heb ik 72.000 woorden geschrapt: een hele roman!

Het moeilijkste onderdeel moest echter nog komen: werken aan de versie waarvan een drukproef zou worden gemaakt. Ik besefte toen heel sterk dat het mijn laatste kans was om fouten te schrappen en zinnen beter te maken, want in de drukproef zelf kun je geen grote wijzigingen meer doorvoeren.

Het maakte dat ik nog preciezer te werk ging dan ik al deed. Niet alleen verwerkte ik de feedback van de persklaarmaker, ook voegde ik zinnen toe. Dat laatste was het zwaarste onderdeel: vlak voor het einde gloednieuwe zinnen toevoegen aan een manuscript waar ik zo lang aan had gewerkt. Zinnen die buiten mijn agent en redacteur om in de drukproef zouden belanden. Het maakte dat ik die zinnen met een obsessieve precisie reviseerde.

Midden in de nacht las ik iedere nieuwe zin wel twintig keer hardop voor terwijl ik met een potlood in de hand de zin van begin tot eind volgde op het scherm. Ik zocht letterlijk de randen op van mijn fysieke vermogens. Het was een kwelling. Er waren momenten dat ik dacht dat ik ziek zou worden of zou omvallen. Maar ik gaf alleen maar meer gas. En hoe dichterbij de deadline kwam, hoe meer ik mezelf afmatte. Dit helse proces duurde een paar weken. Toch ben ik blij dat ik het gedaan heb, want Verloren grond is mede daardoor de roman geworden die ik altijd voor ogen had.

Deel dit bericht

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>