Wat doe je als het schrijven niet meezit? Geef je op of heb je trucjes om toch door te zetten?

Myrthe van der Meer

Eigenlijk zit ik nooit vast doordat ik te weinig inspiratie heb – eerder andersom: ik raak in de knoop doordat ik halverwege het eerste hoofdstuk van boek A in gedachten alweer halverwege boek B zit. En hoe leuk schrijven ook is, een nieuw boek is altijd leuker omdat alle gedachtes daarover nog vers zijn.
Ik zit nu bijvoorbeeld in de afrondende fase van mijn tweede boek, Kalf. Het verhaal is nog steeds even leuk als toen ik begon en bij het schrijven van de laatste tien hoofdstukken typ ik nog steeds met tranen in mijn ogen – zowel van het huilen als het lachen – maar iedere dialoog, elke oplossing heb ik al honderd keer door mijn hoofd gegaan. Ik weet precies wat op het papier moet komen; ik hoef het alleen nog maar even te schrijven… En dat is soms best pittig.

De afgelopen weken heb ik dan ook vooral vechtend met mijn laptop doorgebracht omdat de laatste loodjes nou eenmaal het zwaarst zijn (de leukste scènes heb je al geschreven, over de rest heb je al te vaak nagedacht en hoe langer je aan iets schrijft, hoe intensiever je afvraagt of het eigenlijk wel goed genoeg is?). Ik ben dan intensief bezig met truckjes om mezelf aan het schrijven te houden. Je zou zelfs kunnen zeggen dat ik zo intensief bezig ben met mezelf met truckjes richting de computer te lokken dat ik nauwelijks meer aan schrijven toekom.

Een van de verraderlijkste vrienden is dan De Planning: ik ben vrij slecht in rekenen, maar ik weet helaas nog dat als je twee keer zoveel per dag schrijft dan je gepland had, je twee keer zo snel van je boek verlost bent. Dus staat de teller al snel op een onhaalbaar aantal woorden per dag, wordt de weerzin om te schrijven nog veel groter, ga ik nog meer afleiding zoeken, zit ik de hele dag op internet als ik zou moeten schrijven. Want dat is de tweede grote vijand: het voordeel van internet is dat je tegenwoordig alle research in huis kunt doen – het nadeel is dat je jezelf listig af kunt leiden door urenlang te onderzoeken of de krul op die stoelpoot in die periode nou linksom draaide of rechts.

Een week geleden zat ik er dan ook definitief doorheen: of het boek ging het raam, of ik. In plaats daarvan sprong mijn internet eruit. Weg draadloos contact; ineens kon ik alleen nog maar liggend op mijn buik met een te kort draadje naar de router in de meterkast mijn mail kon checken. Daar was na een kwartiertje de lol al snel vanaf (de echte verslaafde blijft proberen), en tot mijn stomme verbazing stond mijn laptop al snel een uur lang ongebruikt op de grond – toen twee uur, toen een halve dag terwijl de verslaving zijn greep op mij verloor en ik ineens een laptoploos leven leidde! Liberté!

En toen, een dag later, zomaar uit het niets, dacht ik ineens: ik wil schrijven. Even een hoofdstukje afmaken. Eén keer per dag schrijven, drie keer per dag mijn mail checken, daarna snel de computer weer uit. Tot het boek af is tenminste. Daarna begint het geblunder weer helemaal van voren af aan.

Dennis Rijnvis

Ik zit op dit moment een beetje vast met schrijven in een verhaal dat hopelijk ooit uitgroeit tot een boek. Misschien wordt het mijn volgende roman, misschien pas mijn derde, of vierde. Omdat ik pas één boek op mijn naam heb, bezit ik niet de autoriteit om hier een handleiding te geven: wat te doen als je vastzit in het schrijfproces?

In plaats daarvan zal ik analyseren waarom ik nu zelf ben vastgelopen. Ik werk aan een verhaal dat zich afspeelt in een circus. Het gaat om een jongen die gevangen zit in een vreemd, bovennatuurlijk geloof dat hem van jongs af aan is bijgebracht. Ik zit vast, omdat ik twijfel. Over de stijl, over de potentie van het verhaal, maar vooral vanwege het perspectief. Ik denk dat twijfels bijna altijd de oorzaak zijn van een writer’s block. Het is bij mij nu zo erg dat ik in twee verschillende bestanden werk, met twee verschillende perspectieven. Aangezien ik niet de illusie heb dat ik lezers van dit blog kan leren hoe ze dit schrijfblokkades kunnen ontmantelen, kunnen we het misschien omdraaien. Help mij! Hieronder lees je het begin van mijn verhaal in twee versies. Hoe moet ik verder schrijven, welk perspectief is het beste?

1.

De jongen zag de bliksem en een moment geloofde hij dat de tijd weer uit de knoop zou raken. Hij sprong op van het trapje bij de deur van de woonwagen, waarop hij zittend het zaagsel uit de piste onder zijn blote voeten vandaan had geklopt. De laatste houtschilfers die aan zijn huid kleefden vermengden zich met modder, even zwart als de lucht achter de boomtoppen waarboven hij de eerste lichtflits had gezien.

Hij rende zo hard dat zijn pak knarste bij de mouwen die bestonden uit ijzeren ringen, aan elkaar geregen met koperdraad en opgepoetst zodat het metaal zou fonkelen in het licht van de schijnwerpers in de grote tent.

Ze hadden hem ooit gevonden in pak, zeiden de ouderen altijd. Ze hadden de mouwen langer gemaakt omdat hij niets anders wilde dragen toen hij klein was. Maar hij wist niet of hij dat moest geloven. Het pak zat niet lekker. Het ijzer liet rode plekken achter op zijn buik en als hij honkbal speelde na zijn optreden voelde hij bij voorbaat al het leem in zijn nek van de bal waarmee hij altijd als eerste werd uitgetikt.

2.

Altijd als ik de bliksem zie, hoop ik dat de tijd uit de knoop zal raken en ben ik weer een jongen van 13, zittend op het roodwit gestreepte trapje bij de deur van onze woonwagen waarop ik elke middag het zaagsel uit de piste van mijn voeten klop na een voorstelling. Ik spring op. De laatste houtschilfers die aan mijn huid kleven vermengen zich met de modder, even zwart als de lucht achter de boomtoppen waarachter ik net de eerste flits zag. Ik ren, zo hard dat mijn pak knarst bij de mouwen die bestaan uit zilveren ringen, aan elkaar geregen met koperdraad en opgepoetst zodat het metaal blinkt in de schijnwerpers van de grote tent.

De ouderen hebben me gevonden in het pak, zeggen ze. Ze hebben de mouwen langer gemaakt omdat ik niets anders wilde dragen toen ik klein was.

Maar ik weet niet of ik dat geloof. Het pak zit niet lekker. Het ijzer laat rode plekken achter op mijn schouders en als ik naast de tent honkbal speel voel ik het leem van de bal al in mijn nek voordat de andere kinderen me hebben ingehaald.

Wytske Versteeg

Plotseling is de deadline voor mijn tweede roman al binnen een paar dagen en dat maakt het antwoord op deze vraag nog relevanter. Het is leuk als de inspiratie moeiteloos komt, maar wat doe je als schrijven niet lukt? Daarvan kan ik moeiteloos ontzettend gefrustreerd raken, maar inmiddels heb ik ook wat nuttiger reacties ontwikkeld.

Eén daarvan is het op te geven, mijn laptop dicht te slaan en een lang stuk met mijn hond te gaan lopen, notitieboek op zak. Cruciaal is wel dat ik mezelf er echt van overtuigd heb dat er nu even echt niets op papier hoeft te komen. Is dat eenmaal gelukt, dan komen de zinnen meestal vanzelf.

Iets minder drastisch is het opstarten van een nieuw document. Het is immers veel gemakkelijker om ‘zomaar’ een stukje te schrijven dan de lijn en de spanningsboog van een boek te moeten doorzetten en dus kan ook de virtuele variant van een onbeschreven blad al heel wat nieuwe ruimte bieden. Op de één of andere manier vinden al die losse fragmentjes later hoe dan ook hun weg wel naar het boek. De derde en belangrijkste truc haalde ik hier al eens eerder aan, vrij naar de fotograaf Robert Capa: als je foto, of in dit geval verhaal, niet goed genoeg is, ben je domweg niet dichtbij genoeg. Dus als het schrijven niet lukt, kun je jezelf altijd de vraag stellen wat er nodig is om dichter in de buurt te kunnen komen. Wat ontbreekt er in de scene die maar niet verder wil; geluid, kleur, gevoel, geur misschien? Is er misschien eerder iets misgegaan en dwing je nu een personage tot iets dat helemaal niet bij hem of haar past?

Helpen al die trucs niet, dan is er altijd nog de optie om iets te gaan doen dat geen schrijven is, maar daar nauw mee samenhangt. Een stukje schrijven voor het debutantenblog, bijvoorbeeld.

Peter Zantingh

Je moet je als schrijver kunnen optrekken aan twee dingen: hoeveel je schrijft, of wat je schrijft. Kwantiteit of kwaliteit. Want op de meeste dagen zal een van de twee achterblijven bij je verwachtingen en ambities.

1) Je schrijft niet genoeg, blijft naar een knipperende cursor kijken, raakt afgeleid, verdwaalt in huishoudelijke klusjes of sociale media. Resultaat: driehonderd woorden in vier uur. 2) Je schrijft wel tweeduizend woorden in een paar uur, maar je bent er totaal niet tevreden mee. Het is geneuzel, je wil het meteen weer weggooien.

Beide keren niet goed, zou je kunnen zeggen.

Maar je kunt het ook anders zien:

1) Je hebt weliswaar maar driehonderd woorden geschreven, maar er zit een prachtige metafoor tussen, of een zin die misschien wel de openingszin van je roman zou kunnen zijn. Daar moet je ook tevreden mee kunnen zijn. 2) “The first draft of everything is shit”, schreef Hemingway. Wen er maar aan. Je hebt wel mooi tweeduizend woorden geschreven, waar je aan kunt schaven. Gooi het niet meteen weer weg, wacht af wat je er morgen van vindt. Waarschijnlijk zit er wel degelijk iets tussen waarmee je verder kunt.

Ik wil graag aan het eind van de dag tevreden zijn met wat ik gedaan heb. Opgeven na een uurtje doe ik niet snel, omdat ik weet dat ik mezelf dan een slappeling vind en dat heb ik liever niet. Dus ga ik door, en probeer ik tevreden te zijn met één van de twee: wat ik geschreven heb, of hoeveel ik geschreven heb.

Er zijn uiteraard dagen waarop het écht niet gaat. Die zitten ertussen. Sta jezelf dan toe om het op te geven. Ga winkelen, naar de film, op een terras zitten, een boek lezen. En begin de volgende dag weer met frisse moed aan slechte zinnen.

Murat Isik

Er zijn een paar dingen die ik tijdens het schrijven aan mijn debuut Verloren grond deed om te voorkomen dat ik vast kwam te zitten. Zo wist ik voordat ik achter mijn laptop plaatsnam precies wat ik ging schrijven, iedere schrijfdag had ik de scene waar ik aan ging werken helder voor ogen. De dag ervoor dacht ik er vaak uitgebreid over na. Sowieso zag ik het hele verhaal als een film voor me. Aan het einde van een schrijfdag drukte ik als het ware op de ‘pauze-knop’ in mijn brein om de volgende dag weer verder te gaan op het punt waar ik gestopt was.

Daarnaast kwam ik er al snel achter dat het nogal uitmaakt of je aan elke zin uren sleutelt of juist vrijuit schrijft. Niets is zo frustrerend om aan iedere zin eindeloos te schaven, om een blokkade te voelen om verder te gaan. Er zijn schrijvers die bekend staan als ‘bleeders.’ Het kost hen uren om een zin op papier te krijgen waar ze tevreden over zijn en ze lijden daarbij zozeer dat het bijna op bloeden lijkt.

Jeroen Brouwers is zo’n schrijver. Ik meen me te herinneren dat hij ooit in een interview verklaarde dat hij niet meer dan zeven zinnen per dag op papier krijgt. In hetzelfde interview verklaarde Brouwers overigens ook dat hij helemaal niet van schrijven houdt en dat hij het alleen maar doet omdat hij niets anders kan, en geld nodig heeft om diep verscholen in de bossen te kunnen blijven leven.

Probeer niet te ‘bleeden’ tijdens het schrijven en neem jezelf voor om een eerste versie te schrijven zonder al te veel op kleine details en stijl te letten, want dat komt later wel. Vertel eerst het verhaal, laat het vloeien, daarna ga je het, bij het reviseren, laag voor laag verfijnen. Pas dan wordt het ‘literair’.

Wat verder helpt: stel jezelf een (haalbaar) doel stel per schrijfdag, bijvoorbeeld 500 woorden. Je zult dan niet te makkelijk opgeven en hebt een gericht eindpunt om naartoe te werken.

Wat zeker niet helpt is je op Facebook of Twitter begeven, want voor je het weet ben je zo anderhalf uur kwijt, wat de frustratie alleen maar doet groeien.

Een leespauze inlassen echter kan je het goede gevoel teruggeven. Pak je lievelingsboek uit de kast, lees een paar bladzijden en voel hoe de radertjes weer gaan draaien. Het is alsof je je vulpen in magische inkt doopt.

Deniz Kuypers

De Amerikaanse schrijver Neil Gaiman wond er geen doekjes om toen hem werd gevraagd naar de voornaamste regel die hij toepast: schrijf! Simplistisch misschien, maar zo gaat het in de praktijk vaak wel. Je moet schrijven vooral wíllen doen. Dat is niet makkelijk. Helemaal niet. Maar de voornaamste truc om woorden op papier te krijgen, is gewoon doorzetten.

Ik heb zelden een gebrek aan ideeën. Maar ideeën klinken in je hoofd vaak beter dan op een computerscherm. Dat komt omdat je, in de context van je boek, opeens rekening moet houden met zaken als: is dit geloofwaardig, praten mijn personages wel zo, past dit bij hun karakter? Het is heel makkelijk om jezelf in dit soort details te verliezen, details die er eigenlijk niet toe doen in het vroege stadium van een manuscript. In het begin gaat het erom dat je door blijft schrijven, dat je alles op papier zet. Je moet bloeden, huilen, zweten. Pas als de laatste zin is geschreven, mag je je druk maken om details.

Herschrijven vind ik in het algemeen leuker dan schrijven. Het is heerlijk om een tekst van mezelf door te nemen en fijn te slijpen. Vandaar dat ik vaak geneigd ben de eerste hoofdstukken van mijn huidige manuscript terug te lezen in plaats van aan een nieuw hoofdstuk te werken. Maar eigenlijk is dat een manier van afleiding zoeken. Was het niet David Foster Wallace die zei dat een té perfectionistische schrijver zijn boek nooit af krijgt?

Ik heb twee trucjes om mezelf te verlossen uit de houdgreep van twijfel en perfectionisme. Allereerst omring ik mezelf met boeken. Niet om van andere schrijvers af te kijken hoe zij het doen, maar om mijn eigen denkpatronen om te gooien, om even frisse lucht te krijgen in mijn hoofd. Door geconfronteerd te worden met de stem van een ander, hoor ik mijn eigen stem soms beter.

Ten tweede schrijf ik veel met de hand. Ik heb overal notitieboekjes liggen, en wat ik daarin zet herschrijf ik natuurlijk niet. Die boekjes zijn voor rauwe ideeën. Als ik mezelf erop betrap dat ik achter de computer teveel zit te redigeren, ga ik in een café schrijven. Ik hou van drukte om me heen, op de een of andere manier kan ik me zo beter concentreren. Daarom heb ik thuis ook altijd muziek aan. Maar ik heb ook vier gitaren in mijn kantoor, en internet en veel te veel andere mogelijkheden tot afleiding. In een café heb ik niets dan een leeg vel papier, een pen en een goed glas whisky.

Deel dit bericht

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>