Wanneer en waarom besloot je schrijver te worden?

Myrthe van der Meer

Als kind was ik altijd al bezig met schrijven en op mijn twaalfde had ik mijn eerste boek af: 40.000 woorden, getypt op een Atari gingen op weg naar uitgeverij Kluitman. Een paardenmeisjesverhaal, want als twaalfjarige ponygek vond ik dat de paardenboeken die ik onder andere door Kluitman voorgeschoteld kreeg redelijk ondermaats waren. Dat schreef ik ook in mijn begeleidende brief.

Voor mij was het heel simpel: paardrijden deed je met een hoofdstel, geen halster, en als ze weer eens een zadelgordel uit de kast haalden in plaats van een singel, wist ik ook wel dat ik met een slechte vertaling uit het Duits te maken had. Details moeten kloppen. Ik kreeg van Kluitman een heel aardige brief terug waarin ze uitlegden dat mijn verhaal goed geschreven was en waarin ze adviseerden om te blijven schrijven, maar ook veel te lezen. En voorlopig vooral dat laatste.

Ik vond dat advies onzinnig, want ik las al veel, dus herschreef ik mijn verhaal en stuurde het een jaar later weer op en een jaar later weer. Toen was ik er wel klaar mee. Ik besefte namelijk gaandeweg dat het probleem van mijn boek het tegenovergestelde was als dat van de andere paardenboekjes: waar zij zich in mijn ogen te weinig met paarden bezighielden, was ik totaal niet geïnteresseerd in mensen. En aangezien ik ook wel doorhad dat dat niet snel ging veranderen, liet ik het schrijven daar maar bij.

Naarmate ik mee literatuur las, raakte ik echter langzaam ook meer geïnteresseerd in mensen, maar daardoor ging ik me ook steeds meer ergeren aan hoe ze in de literatuur werden beschreven. Hier het tegenovergestelde probleem: waar in paardenmeisjesboeken de vierbenige helden qua details ernstig verwaarloosd werden, werd in de volwassenenliteratuur de mens tot in den treure gefileerd: diepgang kreeg je blijkbaar niet door een verhaal, nee, gedacht moest er worden! En veel! Als ik nog eens een roman moest lezen over een jonge schoolverlater die naar de grote stad trok en daar verleid werd door drank, drugs die onvermijdelijke foute vrouw, zou ik van ellende pure ellende analfabeet worden.

Als ik dus ooit zelf een boek zou schrijven, dan moest er een verhaal in zitten, een gebeurtenis. Iets wat het lezen ervan iets mee zou geven over het leven zelf. Het probleem was echter dat ik niet zoveel over het leven wist. Ik leidde namelijk het meest saaie, doorsnee leven dat ik kon bedenken, zag dat niet snel veranderen en met verzinnen alleen kom je ook niet ver. Op mijn zeventiende besloot ik dus dat ik, aangezien ik toch nooit iets mee zou maken, dan helaas ook nooit schrijver zou worden.

En toen gebeurde de PAAZ. Voorlopig heb ik wel even genoeg ervaren. Ik hou het dus weer bij schrijven. En lezen. Dat dan weer wel.

Dennis Rijnvis

In groep 3 van de basisschool schreef ik mijn eerste verhaal met de zeer beperkte woordenschat die in de weken daarvoor had geleerd. Het ging ongeveer alsvolgt. ‘Miep zit op de wip. Kees wil ook op de wip. Miep zegt nee. Kees is boos.’ De zinnen waren afkomstig uit mijn lesboek, ik had ze simpelweg overgeschreven en op de juiste volgorde gezet. Maar de juffrouw was enthousiast: ik had een verhaal geschreven, zei ze.

In groep 8 leverde ik een opstel in over een gootsteen waar bloed uit stroomde. Eerst een paar druppels, later een golf die de hele badkamer in een rode poel veranderde. Ik mocht het voorlezen in de klas. In de weken daarna bleven kinderen vragen hoe ik het had verzonnen, en of het echt was gebeurd. Ik zei dat ik het zelf had bedacht, maar in werkelijkheid was het een scene uit het boek Het van Stephen King, die ik in mijn eigen woorden had samengevat. Ik had het boek stiekem gelezen, mijn vader had het geleend van de bibliotheek.

Er was niet één moment dat ik besloot schrijver te worden, ik kan het me in ieder geval niet voor de geest halen. Wel herinner ik me mijn trotse gevoel dat ik had bij het compliment van de juffrouw in groep 3 en de geïntrigeerde blikken van mijn klasgenoten in groep 8 toen ik mijn ‘geleende’ Stephen King-verhaal voordroeg. Het was verslavend en het wakkerde een verlangen aan om zelf ook de werkelijkheid te verbuigen, gaten te trekken in de realiteit en mensen daarin mee te trekken.

Het is die drang die me uiteindelijk meer onbewust dan moedwillig deed besluiten om schrijver te worden. Pas veel later, toen ik in mijn eentje achter mijn computer zat, twijfelde aan mijn eigen verhalen en jaloers keek naar boeken van Roald Dahl en Stephen King, drongen de nadelen tot me door: de eenzaamheid, de onzekerheid waarmee je te maken krijgt, de concentratie die je ervoor nodig hebt. Geen van die omstandigheden bij het schrijven vind ik prettig. Sterker nog: ik worstel ermee bij elk woord dat ik op papier zet. Vandaar dat het me tien jaar lang niet lukte om een boek af te ronden.

Maar twee jaar geleden – vlak voor het schrijven van mijn eerste boek – bezocht ik een bruiloft waar ik oude klasgenoten uit groep acht tegenkwam. “Ik denk soms nog steeds aan dat verhaal over het bloed dat uit die gootsteen spoot”, zei één van hen. “Hoe kwam je als twaalfjarige op dat idee?”

Ik vond het geweldig dat hij zich het verhaal nog kon herinneren, maar tegelijkertijd schaamde een beetje dat ik inmiddels nog steeds niet zelf een boek had geschreven, een verhaal dat echt van mezelf was. Het werd tijd dat ik aan de slag ging.

Wytske Versteeg

Toen ik klein was, wist ik zeker dat ik een omnibus wilde schrijven. Ik wist weliswaar niet precies wat dat woord betekende, maar wel dat zo’n omnibus meestal heel dik was. En ik hield van dikke boeken, ik hield er zo erg van dat ik zelfs de kinderbijbel las – tot afgrijzen van mijn bepaald niet gelovige ouders. Ik hield vooral van boeken waarin iets magisch gebeurde, boeken waarin zich zomaar ineens een poort opende naar een andere, een wonderlijker wereld. In die verhalen kon een schijnbaar lege bus in werkelijkheid gevuld zijn met de onzichtbare wezens van het kleine volkje. Een doodgewone klerenkast (de Narnia-serie), een medicijnkastje (De indiaan in de kast) of een boek (Het oneindige verhaal) konden plotseling de toegang worden tot een andere werkelijkheid – maar alleen af en toe, als je ze op de juiste manier benaderde. Natuurlijk hoopte ik op een dag ook zoiets magisch te vinden en totdat ik dat had gevonden las ik door, tot ik zo’n beetje alle kinderboeken uit de niet al te grote bibliotheek had uitgelezen. Daarna was ik aangewezen op de boeken voor volwassenen – teleurstellend, want daarin gebeurde er nooit iets magisch en ging het alleen maar over saaie, onoplosbare problemen.

In het eerste verhaal dat ik zelf schreef – opstellen voor school niet meegerekend – werd er een oma ontvoerd door haar eigen familie, die het zat was dat ze altijd zo klaagde. Maar problematisch werd dat nooit; oma wilde niet eens meer terug naar huis en uiteindelijk werd de oude dame schatrijk – als ik het me goed herinner, van de rechten op haar eigen verhaal. Zo gebeurde er dan toch iets magisch; ik kwam in een andere wereld terecht, één die ik zelf naar mijn hand kon zetten, maar die zich uitstrekte tot verder dan ik kijken kon.

Laatst werd me door een scholier gevraagd hoe je dat doet, schrijver worden. Maar zelf had ik dat vroeger nooit bedacht – dat dat iets was wat je zou kunnen worden, dat je daar zomaar voor zo’n beroep kon kiezen. Dat zou ik nooit hebben gedurfd; ik drentelde gewoon heel lang heen en weer voor die magische poort, wachtend tot hij zich zou openen en ik mee zou kunnen, met die schijnbaar lege omnibus.

Peter Zantingh

13 februari 2009. Ik had een half jaar vrijstelling van mijn studie en kon die ruimte op twee manieren invullen: door alles op te schuiven en uiteindelijk een half jaar eerder klaar te zijn, of door dat half jaar te besteden aan iets nieuws. Ik koos voor het tweede en besloot te gaan schrijven. Ik startte op die dertiende februari een blog en zag dat zoals een jonge voetballer een trapveldje ziet: daar kon ik oefenen, uitproberen, fouten maken, mijn vorm vinden. Ik hoefde niet gelezen te worden, als ik maar schreef en publiceerde. Ergens op de ‘over mij’-pagina schreef ik dat ik ooit een roman wilde schrijven.

Na een jaar waarin in enkele tientallen stukjes plaatste (net even geteld: het waren er 27) zag ik in nrc.next een oproep om voor één dag Aaf Brandt Corstius te vervangen. Ik stuurde een van mijn columns in, over een oude vrouw die verdwaalt in haar verzekeringspapieren, en die werd op 22 februari 2010 geplaatst. Kort daarna kreeg ik een e-mail van een uitgeverij; ze hadden de column gelezen, waren onder de indruk en waren op mijn blog dat zinnetje over het boek tegengekomen. De vraag was of ik daar al mee bezig was.

Dat was ik niet, maar ik antwoordde dat ik binnen drie weken wel een eerste hoofdstuk kon inleveren. Op een dag (ook even opgezocht: dat was 22 maart 2010) ging ik zitten en werkte ik het idee uit dat ik toen al een aantal jaren in mijn hoofd had. Op die dag kreeg het verhaal vorm en schreef ik de eerste zes pagina’s. Ik denk dat dat ook de dag was waarop ik definitief wist dat ik hiermee verder wilde. Schrijven, verhalen maken, uitgegeven worden.

Murat Isik

Ik was net afgestudeerd en werkte begin 2003 als jurist bij UWV. Ik hield me bezig met bezwaarzaken tegen de premies voor de werknemersverzekeringen. Na een jaar dacht ik: is dit het nou? Moet ik de rest van mijn leven dit werk gaan doen?

Ik miste de creativiteit en voelde de sterke drang om wat anders te doen, om iets te creëren, iets te maken wat er nog niet was. Ik wilde romans schrijven. Die ambitie had ik ooit tijdens mijn studie uitgesproken maar nooit verder geconcretiseerd omdat ik eerst mijn heilige doel moest verwezenlijken: afstuderen.

Maar bezat ik het vereiste schrijftalent? Er was in mijn ogen maar een manier om daar achter te komen: een cursus creatief schrijven volgen. Als ik talent had, moest het daar opgemerkt worden. Peter van Beek was de docent. Hij is kinderboekenschrijver en romanrecensent. Iedere week schreven we korte verhalen die we klassikaal bespraken. Tijdens de laatste les complimenteerde Peter mij uitgebreid met mijn eindverhaal en zei vol vertrouwen: ‘Jij komt er wel.’ Dat was de bevestiging waar ik naar op zoek was geweest. Die ene zin betekende zoveel voor mij.

Dat was in 2004. Vanaf dat moment ben ik honderd procent voor het schrijven gegaan. Ik begon de grote schrijvers te bestuderen en bleef korte verhalen schrijven. Als podium gebruikte ik het blog dat ik inmiddels online was gestart. Ik kreeg positieve reacties van onbekende lezers. Ze stimuleerden mij om verder te blijven schrijven.

Het volgende hoogtepunt was in 2007, toen ik winnaar werd van de verhalenwedstrijd van de Juni Kunstmaand. Die overwinning voelde als een mini-debuut, want niet alleen werd mijn verhaal tot toneelstuk bewerkt en in twee literaire bladen gepubliceerd, ook werd ik gevraagd om de redactie van het opinieblad Contrast te komen versterken. Daar ontmoette ik andere jonge en ambitieuze schrijvers.

Het jaar erop verscheen een kort verhaal van mij in de verhalenbundel Fasten your seatbelt, waarin ook verhalen van o.a. Arjen Lubach, Jan van Mersbergen, en Ricus van de Coevering stonden. Ricus tipte mij bij Paul Sebes. Vanaf dat moment ging het snel. Een jaar later tekende ik bij Anthos.

Als ik terugkijk zijn drie momenten in mijn studententijd belangrijk geweest voor mijn schrijverschap. Allereerst mijn toegang tot internet en e-mail vanaf 1997. Ik kon al snel geen gewone mails meer sturen. Bijna al mijn mails mondden uit in korte verhalen.

Een volgende belangrijke stap was het schrijven voor studentenblad Pelge en de complimenten die ik kreeg voor mijn stukken.

Tenslotte kreeg mijn schrijfkoorts een zoveelste hevige impuls toen ik in 2001 een half jaar in San Francisco ging studeren. Ik stuurde bijna dagelijks uitgebreide reisverslagen naar vrienden en familie.

Schrijven is voor mij zingeving. Het geeft het leven betekenis en diepte. Ik zou niets anders willen doen. Je kunt als schrijver hele werelden scheppen en werkelijk alles laten gebeuren in je eigen universum. Je bent schepper en er zijn geen formele kaders die aangeven dat iets niet mogelijk is, zoals in het normale maatschappelijke leven.

Schrijven is vrijheid.

Deniz Kuypers

Ik schreef mijn eerste roman toen ik acht jaar oud was. Een ‘roman’ was voor mij in die tijd een verhaal van tien velletjes, maar daarmee was wel een obsessie geboren. Ik hield zo van lezen, dat de overstap naar schrijven heel normaal leek: waarom zou ik mijn eigen verhalen niet verzinnen? Dus nam ik iedere zomer niet alleen een stapel boeken mee op vakantie, maar ook een paar schriften, waarin ik verhalen schreef over vampieren en pratende honden.

Toen ik een jaar of twaalf was, kocht mijn oma een typemachine voor me. Opeens begonnen mijn verhalen in lengte toe te nemen. Kort daarop schreef ik mijn eerste echte roman: een meer dan driehonderd pagina’s tellend monster dat niemand gelukkig ooit heeft gelezen. Maar hoe meer ik schreef en las en hoe ouder ik werd, hoe moeilijker het schrijven mij verging. Niet dat ik er geen plezier meer in had; integendeel, ik wist juist dat ik mijn roeping gevonden had, maar tegelijkertijd begreep ik ook hoe moeilijk schrijven – goed schrijven – eigenlijk is.

Tegen de tijd dat ik 19 was, had ik drie romans geschreven. Via-via kwam ik in aanraking met Anthony Mertens, redacteur bij Querido. Twee jaar lang nam hij mij onder zijn hoede. Iedere paar weken stuurde ik hem een nieuw hoofdstuk op van een roman waar ik aan werkte, en dan praatten we daarover in een café om de hoek van het Bungehuis. We hadden het nooit over uitgeven – Anthony wilde de tijd nemen om mijn schrijfstijl te polijsten. Maar na twee jaar verhuisde ik naar Amerika, en in 2004 kreeg Anthony een herseninfarct. Hij overleed in 2009.

Amerika veranderde mij. Ik werd daar volwassen. Ik leerde alleen te zijn. Ik had drie baantjes en een kleine kamer in Twin Peaks, en wanneer ik ‘s avonds uitgeput thuiskwam, had ik geen zin in schrijven, maar wel in lezen. Ik verslond boeken – ik las weer met de gretigheid van een kind. Zo ontdekte ik een paar schrijvers die dezelfde visie op het leven leken te hebben als ik. Zij spraken een taal die ik in nog geen ander boek was tegengekomen, maar die ik jarenlang in mijn achterhoofd had gehoord. Allereerst was daar Marilynne Robinson, wiens Housekeeping bij mij insloeg als een bom. Vervolgens Rick Bass, Jim Harrison en Louise Erdrich. Samen met Philip Roth – een oude held van mijn UvA-dagen – vormden zij mijn Grote Vijf. Niet dat ik hen wilde imiteren; nee, ik wilde me aan hen meten.

In 2007 begon ik aan mijn vijfde roman, die uiteindelijk mijn debuut is geworden. Sindsdien is er geen dag voorbij gegaan waarop ik niet heb geschreven.

Deel dit bericht

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>