In hoeverre word je beïnvloed door andere schrijvers?

Wytske Versteeg

Hoe meer antwoorden ik voor het debutantenblog probeer te formuleren, hoe meer ik erachter kom dat ik eigenlijk helemaal niet weet hoe schrijven werkt. Als ik probeer mijn antwoord op papier te zetten voelt dat een beetje als een pose, alsof ik meer claim dan ik waar kan maken. Maar natuurlijk heb ik zo mijn literaire helden.

De onderhuidse woorden van David Grossman bijvoorbeeld, of de afgemeten stem van Damon Galgut. De uiterst precieze verhalen van Alice Munro, het lachen om niet te huilen van Lorrie Moore, de helderheid van Alberto Moravia of de intensiteit van Ingrid Bachmann of Virginia Woolf. De ingehouden pijn in de Zuckerman-boeken van Philip Roth, de dronken treurigheid van John Cheever. Ze raken iets, die schrijvers, zoals een snaar gaat meetrillen als er geluid klinkt van dezelfde frequentie, al zijn ze onderling verschillend. Ik heb ze nodig om zelf te kunnen schrijven. Vooral heb ik een ritme nodig, dat aansluit bij de stem van mijn eigen personages – schrijf ik over een zwijgzaam type, dan luister ik naar de stiltes van Galgut; moet mijn personage exuberant zijn, dan dompel ik me onder in de royale zinnen van, bijvoorbeeld György Konrad. Dat is een keuze, zoals anderen misschien een bepaald type muziek opzetten tijdens het schrijven (en het schijnt dat er schrijvers zijn die helemaal niet lezen als ze werken aan een boek, wat ik zelf onvoorstelbaar vind).

Soms zie ik, in een boek, een beeld, meestal in het voorbijgaan, dat een opstap voor mijn gedachten vormt, zodat het in een compleet andere gedaante kan terugkeren in mijn eigen verhaal, altijd in dienst daarvan. Soms is een schrijver me dierbaar omdat ik op kan kijken naar iemand die met zoveel integer vakmanschap een waarheid gecreëerd heeft; of omdat ik in zijn woorden ooit een deeltje van mezelf herkende, beter gedefinieerd dan ik het zelf had gekund. Tussen al die andere schrijvers is het, denk ik, altijd zoeken naar je eigen stem en de exacte klank, de toon van je eigen woorden.

Peter Zantingh

Heel veel. De kortste en beste tip voor schrijvers, die ik overal tegenkom, luidt: schrijf veel en lees veel. Dat eerste spreekt voor zich, want je leert je eigen stem kennen en aanscherpen door veel te schrijven. Elke dag, als het even kan.

En: lees veel. Leer van anderen, kijk hoe ze de problemen aanpakken waar jij tegenaan loopt, hoe hun personages worden geïntroduceerd, hoe ze het plot laten ontvouwen, hoe ze naar een einde toewerken, welke conflicten ze voor de voeten van hun protagonist gooien. (Maar vergeet niet om ook te genieten van wat je leest.)

Het boek dat mij aan het schrijven kreeg, was Buzz Aldrin, waar ben je gebleven van Johan Harstad. Zijn taal was zo fijngevoelig. Het liet me zien hoeveel er mogelijk is, dat iedereen op zijn eigen manier buiten de lijntjes kleurt als het gaat om het vertellen van een verhaal. Uiteraard kun je zijn invloed terugzien in teksten van mij, net als die van andere schrijvers die ik bewonder. In het afgelopen jaar las ik vijftig boeken; John Green (The Fault In Our Stars) en Chad Harbach (The Art of Fielding) behoorden tot het beste wat ik las. Ook zij zullen hun plekje hebben in mijn eigen werk, net als misschien wel alle schrijvers die ik lees in een zekere mate, maar ondertussen probeer ik ook mijn eigen stem te vinden.

Dat is niet een proces dat nu ten einde is omdat ik gedebuteerd ben – het gaat altijd door, zolang ik schrijf.

Murat Isik

Als kleine jongen keek ik tijdens het EK in 1988 vol bewondering naar Marco van Basten. Tegen Engeland scoorde hij drie keer. De volgende dag was ik Marco van Basten op het schoolplein. Dat gaf me op de een of andere manier extra kracht. En toen ik scoorde, riep ik hardop zijn naam.

En zoals ik Van Basten nadeed, zo liet ik me in de beginjaren van mijn schrijverschap inspireren door grote schrijvers. Soms schoot dat door. Er was een periode dat ik in korte tijd veel romans van Arnon Grunberg las. Ik merkte dat ik in mijn verhalen zijn stijl overnam. Het schreef wel lekker weg, dat Grunberg-toontje, maar toen ik die verhalen later teruglas, was ik er minder enthousiast over. Het was te weinig van mezelf, te veel een poging op een ander te lijken. Het was een pastiche. Gelukkig heb ik die verhalen nooit gepubliceerd.

Later werden mijn korte verhalen persoonlijker en vond ik steeds meer mijn eigen stem. Ik putte soms uit mijn eigen leven en zette de waarheid in die verhalen naar mijn hand. Als schrijver is het van belang om je eigen stem te vinden, je te onderscheiden.

Gabriel García Márquez is mijn literaire held. Als tiener trok ik op een dag zijn meesterwerk ‘Honderd jaar eenzaamheid’ uit de boekenkast van mijn zus. Het was in de tijd dat ik me op het vwo door mijn leeslijsten voor Nederlands, Engels, Duits en Frans worstelde. Mijn mond viel open toen ik Márquez las: niet eerder had ik zulk fantastisch proza gelezen.

Vele jaren later las ik een interview met Márquez waarin hij verklaarde dat hij in zijn magnum opus niets anders had gedaan dan de verhalen navertellen die hij van zijn oma had gehoord. Zelfs de toon waarop zij die verhalen vertelde, nam hij over. Hoewel in de verhalen van zijn grootmoeder de meest bovennatuurlijke dingen gebeuren, vertelde zij die verhalen zonder dat de uitdrukking op haar gezicht veranderde. Márquez begreep dat hij dat ook moest doen in zijn verhalen: het geloofwaardig vertellen van iets magisch, zonder het te overdrijven.

Nu zou ik mezelf absoluut niet durven vergelijken met de, in mijn ogen, grootste schrijver aller tijden. Iedere keer als ik iets van Márquez lees, word ik ontzettend nederig en besef ik hoe waanzinnig hoog hij de literaire lat heeft gelegd voor alle andere schrijvers. Zijn proza is voor mij de zuiverste vorm van literatuur. Maar wat ik in mijn debuutroman Verloren grond heb gedaan, is ook vertellen over de verhalen die in mijn eigen familie circuleerden. Weliswaar heb ik die verhalen bewerkt, maar ze vormen wel de bouwstenen voor Verloren grond. In die zin kun je zeker zeggen dat Márquez mij heeft beïnvloed. Ook qua stijl. Zo schrijf ik beeldend en schuw ik de lyriek niet, indien gepast natuurlijk.

Soms, als mijn literaire motor vastloopt, sla ik een roman van Márquez open. Ik lees een paar zinnen en voel dan meteen weer de drang om te schrijven. Márquez is mijn nieuwe Van Basten.

Deniz Kuypers

De sci-fi schrijver Harlan Ellison heeft een vast antwoord op de vraag waar zijn ideëen vandaan komen: hij zegt dat hij iedere maand geld overmaakt naar een adres in Poughkeepsie en in ruil daarvoor krijgt hij een paar nieuwe ideëen toegestuurd. Was het maar zo makkelijk. Ideëen komen van ergens diep vanbinnen, van die mysterieuze plek waar je alles opslaat wat je hoort, leest en meemaakt, en waar je al die dingen laat marineren tot er op miraculeuze wijze een idee overblijft.

Een belangrijk ingrediënt van deze magische marinade zijn in mijn geval de boeken die ik lees – voornamelijk romans, maar ook veel non-fictie en poëzie. Elk boek leert mij namelijk iets nieuws, zelfs als het een boek is dat ik al meerdere keren heb gelezen. Soms staat dat mijn leesplezier ook in de weg, want in plaats van dat ik helemaal opga in een boek, let ik op elk woord, elke zin. Misschien is dat de vloek van het schrijverschap. Waar ik vooral op let is waarom ik bepaalde dingen mooi vind en hoe die in elkaar steken. Dat is de belangrijkste manier waarop andere schrijvers mij beïnvloeden: als iets mij raakt of boeit, dan wil ik weten waarom, zodat ik die techniek zelf ook kan toepassen.

Daar bedoel ik niet mee dat mijn schrijfstijl een kopie is van mijn favoriete schrijvers. Integendeel. Een verhaal kun je op talloze manieren vertellen, en lezen leerde mij als jonge schrijver juist in te zien wat de beste manier was. Goede schrijvers hebben hun eigen stem – dat is iets wat niet te leren is – maar techniek is basiskennis die gewoon veel oefening vereist.

Ik denk dat het voor beginnende schrijvers logisch is eerst je favoriete romans te willen imiteren. Zo was het eerste boek waarvan ik wilde dat ik het zelf had geschreven The World According to Garp van John Irving. Ik was een jaar of vijftien, en was tot dan toe voornamelijk dol geweest op griezelboeken van o.a. Stephen King. Garp liet mij zien dat literatuur tot veel meer in staat was, dat gewone levens interessant konden zijn zonder dat er monsters of spoken aan te pas kwamen. Vanaf dat moment begon ik zelf ook ‘volwassen’ verhalen te schrijven. Kort daarop ontdekte ik Gabriel García Márquez, en meteen probeerde ik hem te imiteren. Zo ging het een aantal jaren: telkens als ik een nieuwe schrijver ontdekte, probeerde ik net als hem te schrijven.

Ik weet niet wanneer ik mijn eigen stijl ontwikkelde. Waarschijnlijk gebeurde dat gaandeweg. Naarmate ik meer vertrouwen en inzicht kreeg in mijn verhalen, had het werk van mijn literaire helden minder invloed op me.

Tegenwoordig beschouw ik elk boek dat ik lees nog steeds als een leerzame ervaring, maar ik probeer niemands werk meer na te bootsen. Ik heb ook niet meer dezelfde helden als vroeger (Irving vind ik, naast Garp en A Prayer for Owen Meany tegenvallen). Maar schrijven kan vreselijk frustrerend zijn, en de boeken van mijn huidige helden – Philip Roth, Jim Harrison, Rick Bass, Louise Erdrich, Marilynne Robinson – geven me doorzettingskracht. Boeken als Dalva van Jim Harrison of Housekeeping van Marilynne Robinson zijn voorbeelden van de grote hoogte waarnaar literatuur kan stijgen. En al weet ik niet of ik ooit een lezer zal raken zoals die twee boeken mij raken, geven ze me toch de moed en de drang om het te proberen: keer op keer, woord na woord, verhaal na verhaal.

Myrthe van der Meer

Halverwege mijn studententijd was ik de Nederlandse literatuur zat. Ik kreeg het gevoel dat ik alleen nog maar las over mensen die melancholisch of gedrogeerd voor zich uit staarden en vooral heel veel nadachten over waarom ze nooit verder kwamen in het leven, in plaats van zichzelf overeind te hijsen en alvast zelf een een paar stappen in de goede richting te zetten.

Die zomer ontdekte ik echter dat ik met mijn studiepas niet alleen boeken kon lenen uit mijn eigen vakbibliotheek, maar ook uit de letterenbibliotheek: leesboeken, romans en literatuur! Ik besefte met enige tegenzin dat ik die kans om gratis alles aan literatuur te lezen niet aan me voorbij mocht laten gaan en dus maakte ik een plan: een jaar lang elke week een oorspronkelijk Nederlandstalig werk lezen en met kerst twee weken vrij. Oftewel: even 52 weken met de kiezen op elkaar om de jaren erop weer met goed fatsoen de literatuur links te kunnen laten liggen.

Ik ging naar de bieb, nam een zooi boeken mee naar huis waarvan ik wist dat ze als literair beschouwd werden, pakte de eerste van de stapel, sloeg die ietwat op mijn hoede open, las de eerste pagina’s en was meteen verkocht: Nooit meer slapen van W.F. Hermans. Het was alsof ik eindelijk het vervolg las op Kees de jongen, een grote, oude literaire liefde die ik me ineens herinnerde. De passie van de hoofdpersonen, de manier waarop ze weliswaar eindeloos nadenken over het goede en vervolgens vol ijver alle verkeerde keuzes maken – ik was verkocht.

Ik zou het een geweldige eer vinden als iemand ooit op mijn werk terug zou kijken en er iets van Hermans in zou herkennen, maar dat lijkt me niet heel waarschijnlijk. Als hij iets heeft beïnvloed, dan was het namelijk niet het schrijfproces, maar juist het denken over verhalen, de manier waarop je met hele gewone, onopvallende personages een verhaal neerzet dat nog dagen, weken, maanden blijft jeuken. De manier waarop hij zijn hoofdpersonen heel subtiel en met een eindeloos geduld weet te slopen tot er uiteindelijk niets anders meer van ze over is dan het besef dat ze niets weten, nergens over en al helemaal niet over zichzelf. Om ze dan héél langzaam, stukje bij beetje weer een beetje overeind te helpen – niet teveel, want er moet er moet altijd iets te lijden overblijven.

Zodat je als lezer achterblijft met de vraag: waar ging dit over? Wat voor boek heb ik net gelezen? Ik ben tevreden met de afloop – maar was die wel zo goed voor de hoofdpersoon? Wat wil de schrijver hier eigenlijk mee zeggen?

Dat vind ik mooi. Als de schrijver niet langer iets zegt en de lezer begint met vragen.

Dennis Rijnvis

Ik was acht jaar en staarde in de vlam van een kaars. Niet een paar seconden, maar zeker een halfuur lang. Mijn moeder keek op uit haar boek en vroeg wat ik aan het doen was. ‘Niets.’

Ik bleef op mijn knieeën bij de tafel zitten, mijn ogen op de kaars gericht. Even later stond ik op om een pak kaarten te pakken. Één voor één hield ik ze voor mijn ogen, met de achterkant naar mijn gezicht.

‘Wat doe je nou?’

‘Is dit de koning?’

Nee.’

Ik trainde mijn ogen om door kaarten heen te kijken, zodat ik rijk zou worden in het casino. De methode was me net uitgelegd door de hoofdpersoon in Het wonderlijke verhaal van Hendrik Meijer van Roald Dahl. Het is het eerste boek waarvan ik me kan herinneren dat het me tot schrijven aanzette.

Al snel was ik er achter dat er niets klopte van het verhaal: ik kreeg pijn in mijn ogen van het staren in de vlam en zag helemaal niets meer.

De teleurstelling vervaagde al snel, maar het het korte moment waarin ik had geloofd in de magische trainingsmethode bleef me bij. Vlak daarna begon ik zelf verhalen te schrijven over mensen die iets bovennatuurlijks konden: een meisje dat kon zweven door heliumballonnen op te eten en een jongen die zo hard kon blazen, dat hij voorzichtig moest ademen om zijn ouders niet weg te blazen.

Niet bijster origineel. Maar ik denk dat het een proces waar iedereen doorheen gaat die wil schrijven. In mijn vorige post schreef ik al over de scene uit Stephen King die ik ooit als basis gebruikte voor een kort verhaal in groep 8. Later herinnerde ik me dat ik tijdens een opstelopdracht in groep 7 eens een compleet sprookje reproduceerde uit een boek dat we thuis hadden. Het heette: de bal en de tol en is hier te lezen.

Toen de meester het nakeek, riep hij me bij zich en liet hij het bewust sprookjesboek zien. ‘Heb je je hier door laten inspireren?’, vroeg hij. Ik weet nog dat ik me schaamde.

Uiteindelijk denk ik dat je wordt beïnvloed door alles wat je leest. Als kind is dat nog maar weinig, maar inmiddels heb ik zo veel boeken gelezen dat alles in mijn hoofd is samengesmolten tot één grote brei die volgens mij niet meer tot één schrijver of sprookje is te herleiden. Als iemand een vleugje King, of een snufje Roald Dahl zou herkennen in mijn werk, zou ik alleen maar blij zijn. Al is het wel een spookbeeld dat er ooit een man bij me aanbelt met een boek in zijn hand getiteld Savelsbos, over vier mannen die de moord op hun jeugdvriendin proberen op te lossen. ‘Je hebt mijn boek gestolen!’. Maar zelfs dat idee is niet van mezelf: Stephen King heeft er een verhaal geschreven: Het geheime raam.

Deel dit bericht

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>