In hoeverre maak je gebruik van de levens van de mensen om je heen om je verhalen te voeden?

Peter Zantingh

Voor mijn debuut maakte ik, zoals ik dat toen noemde, ‘lapjespersonages’. Ik koos (niet zozeer bewust, dat ging automatisch) verschillende eigenschappen van verschillende goede vrienden, die ik opnieuw verdeelde over mijn personages. Zo werden het allemaal personages die bestonden uit aan elkaar genaaide stukjes werkelijkheid.

Dat gold niet alleen voor hun eigenschappen, ook voor gebeurtenissen. Mijn vrienden hebben mijn debuut allemaal gelezen (daar zijn het vrienden voor) en ze zullen allemaal anekdotes en gebeurtenissen hebben herkend. Ze zullen hebben gezien dat de jongens uit mijn roman met elkaar praten zoals wij dat deden en doen. En het ‘kopspelletje’, een spelletje met een klein voetballetje dat je in het zwembad hoort te spelen en waarvan de spelregels worden uitgelegd in het boek, is bedacht door die vrienden.

Mijn antwoord op de vraag wat je uit het echte leven ‘hapt’ en wat daarin geoorloofd is, krijgt daarmee een redelijk braaf antwoord, besef ik. Ik heb zelden tot nooit compromitterende informatie weggehaald uit de werkelijkheid en tot literatuur verwerkt. Als ik mijn hoofdpersonage laat troosten door zijn vader die over zijn hoofd aait en ‘ach, jongen toch’ zegt, of door zijn moeder die hem een kopje thee brengt, dan is dat ook gebaseerd op mijn eigen, liefdevolle relatie met mijn ouders.

Misschien is het zo dat ik vooral de vriendschap en de liefde van de mensen om mij heen gebruik om die thema’s in mijn romans te beschrijven. Het goede dus, niet het duistere. Of misschien is het zo dat de mensen om mij heen niet genoeg duisters hebben om mee aan de haal te gaan – of me met zo’n keuze te doen worstelen. Daar prijs ik me gelukkig om. Het duistere zit in mijn werk, dat hoef ik niet te ontkennen (mijn debuut ging over een zelfmoord) en ik kan er, denk ik, alleen maar dankbaar om zijn dat ik dat niet aan mijn nabije omgeving hoefde te onttrekken.

Murat Isik

Schrijven is scheppen, maar bij dat scheppen maak ik als schrijver op momenten dankbaar gebruik van de werkelijkheid. Het kan iets kleins zijn, zoals een ontmoeting met een vreemdeling jaren geleden, of iets groters zoals mijn eigen familiegeschiedenis.

Om op dat laatste in te gaan: zoals ik al eerder heb opgemerkt, heb ik voor mijn roman Verloren grond bij wijze van research mijn ouders geïnterviewd over hun geboortedorp in Oost-Turkije. Ik moest weten hoe de streek eruit zag, hoe het er rook, hoe de mensen gekleed waren, wat ze aten en hoe ze met elkaar omgingen. Ik heb veel dingen gehoord over mijn familiegeschiedenis die nieuw waren voor mij, en details van bepaalde dramatische gebeurtenissen. Al snel wist ik dat al die verhalen onmogelijk een plek konden krijgen in mijn roman, hoe fraai of aangrijpend ze ook waren. Het criterium was dat ze moesten passen in het verhaal dat ik voor ogen had: de familiegeschiedenis van het gezin Uslu. Als dat het geval was, bewerkte ik die verhalen vervolgens en zette zo de werkelijkheid naar mijn hand. Ik heb geen enkel verhaal één op één overgenomen. En niet alleen heb ik al mijn personages nieuwe namen gegeven, ook heb ik de namen van dorpen veranderd.

Toen mijn vader bijvoorbeeld vertelde dat er in zijn jeugd wel eens vrouwen uit het dorp werden geschaakt, besloot ik dat element te gebruiken. Het was de anekdote op zich die mij ertoe aanzette een dergelijke scène te schrijven voor mijn roman, maar dan mijn eigen versie ervan met personages die ieder op hun eigen specifieke manier handelden, los van de oorspronkelijke overlevering. Het ging mij dus niet om de feitelijke beschrijving van een bepaalde gebeurtenis van begin tot eind. Zo heb ik dat met meerdere verhalen van mijn ouders gedaan: ik heb ze bewerkt tot ze een natuurlijk geheel vormden met de rest van mijn roman.

Wat mij verwondert is dat mensen mij soms vragen of ik hen als personage wil opvoeren in mijn volgende boek. Het verwondert me omdat de meeste mensen juist niet in een roman willen belanden, huiverig als ze zijn voor reputatieschade of ongemakkelijke onthullingen. Toeval, of niet, het ging bij die verzoeken steeds om collega’s. Kennelijk gaan zij ervan uit dat ze er als personage goed vanaf zullen komen in mijn boek, of vinden ze het gewoon eervol als er over hen geschreven wordt. Wat het ook is, ik glimlach altijd beleefd en schud dan mijn hoofd.

Mijn volgende roman speelt zich af in de Bijlmermeer, waar ik ben opgegroeid. Het gevaar dat in dit boek personages voorkomen die echt bestaan of waarin mensen zichzelf herkennen, is hier groter dan bij Verloren grond. Want hoewel het fictie is, is het onvermijdelijk dat er autobiografische elementen in zullen sluipen omdat ik deels zal putten uit mijn eigen jeugd. Maar alleen als het past in het verhaal dat ik voor ogen heb, want het gaat in de eerste plaats om het scheppen.

Deniz Kuypers

In een van mijn favoriete Woody Allen films, Deconstructing Harry, speelt Allen een schrijver die links en rechts in de problemen komt, omdat hij de mensen om zich heen op een herkenbare manier in zijn boeken laat voorkomen. Zo erg ben ik niet. Maar ik denk dat je als schrijver het instinct niet kan uitzetten om alles wat je hoort, ziet en meemaakt automatisch op te slaan voor later.

Iedere schrijver is tot op zekere hoogte een (auto-)biograaf. Je gebruikt stukjes van jezelf en van anderen en mengt die tot er een mooi verhaal ontstaat. Maar als de werkelijkheid klakkeloos overneemt, krijg je zelden een mooi verhaal – dan krijg je iets gekunstelds en saais. Literatuur moet het dagelijkse leven ontstijgen, anders kun je in plaats van een boek lezen net zo goed op de hoek van de straat gaan staan in de hoop dat er iets spannends gebeurt.

In een boek moeten personages beweegredenen hebben en een achtergrondverhaal die in het normale leven misschien vanzelfsprekend zijn. Daar bedoel ik mee: als je in het echte leven een tante hebt die op een nacht in het bos besluit te slapen, omdat ze haar leven zo saai vindt – deze anekdote komt voor in mijn debuut, Dagen zonder Dulci – dan moet je daar als schrijver een reden voor geven die bij de rest van het verhaal en het personage past. Anders wordt je boek ongeloofwaardig, zelfs al vertel je iets dat echt is gebeurd.

Daarbij moet ik eerlijk zeggen dat ik negatieve ervaringen of eigenschappen van anderen ook in mijn werk stop, maar nooit van goede vrienden. De Amerikaanse schrijver Harlan Ellison heeft weleens gezegd dat hij in zijn werk voortdurend wraak neemt op mensen die hem in het verleden hebben gekrenkt: kinderen die hem vroeger op school hebben gepest, leraren die hem probeerden wijs te maken dat hij geen talent had voor schrijven. Volgens Ellison is wraak ‘a very terrific, good thing for everybody.’ Hij vernoemt zijn personages vaak naar echte mensen, en laat hen dan verschrikkelijke dingen overkomen. Weer ben ik niet zo erg, maar ik heb bij sommige scènes in mijn debuut wel degelijk echte personen – of stukjes van verschillende personen – voor ogen gehad. Maar nooit vrienden.

Het gaat er dus om dat je de werkelijkheid om je heen eigenlijk alleen gebruikt om je verzonnen verhaal mee in te kleuren, om je verhaal een goede basis te geven. Ik heb veel verhalen die ik in mijn leven heb gehoord of zelf heb meegemaakt verwerkt in Dagen zonder Dulci, maar hopelijk is niets daarvan – of in ieder geval heel weinig – herkenbaar. En wie zichzelf wel herkent, zal hopelijk blij zijn dat hij mij heeft geïnspireerd.

Myrthe van der Meer

Inspiratie klinkt als iets ongrijpbaars, maar is in feite net zo praktisch als iemand die tegenover je zijn boterhammen snijdt. En als die lunchgenoot dat net zo interessant doet als personage X dat zou doen in jouw boek, waarom hem dan niet een paar trekjes van die argeloze lunchpartner geven?

Als schrijver mag je in feite bijna alles in je verhaal aan de echte wereld ontlenen. De regel is simpel: iemand mag niet door anderen in jouw werk herkend worden en daar last van ondervinden. Of je lunchgenoot zichzelf herkent is van minder belang: zolang hij niet voor anderen feitelijk herkenbaar is, is er geen grond voor protest.

Als je naam, geslacht en woonplaats verandert, kun je vervolgens in feite alles schrijven wat je wil. Dat zou in het geval van PAAZ, een ‘waargebeurde roman’, betekenen dat als ik alle namen en herkenbare feiten van de GGZ-instelling, medepatiënten en therapeuten zou veranderen, ik klaar was.

Dat wou ik niet. Ik wou namelijk niet alleen de realiteit van de Paaz recht doen, maar ook een boek schrijven waar mijn medepatiënten mee konden leven. Over het algemeen word je in boekenland als een watje gezien als je iemand anders mee laat lezen en hem toestemming geeft om te veranderen wat hem niet aanstaat. Ik was blijkbaar een complete wattenbol, want ik heb het niet slechts door één persoon laten controleren, maar door meerdere patiënten, twee psychologen, een verpleegkundige en een psychiater. En – helemaal vloeken in de uitgeverskerk – ik gaf hen daarin het laatste woord in de stukken die over henzelf gingen.

‘Geef anderen nóóit het laatste woord als het om jouw verhaal gaat, dan maken ze alles kapot!’ En soms trok dat inderdaad grote scheuren door het verhaal die dan op een andere manier gedicht moesten worden – soms behoorlijk frustrerend – , maar voor mij was onze paaztijd sowieso een gezamenlijk project, dus was PAAZ dat ook.

Maar het waargebeurde gehalte blijft lastig en confronterend. Ik blijf het gevoel houden dat ik anderen geen recht heb gedaan, en ik kan mijn eigen boek nog steeds niet lezen. Maar dat hoeft ook niet, want ik wilde het juist op papier zetten zodat anderen iets konden ervaren van de wereld achter die gesloten deur. Maar nu is het af, en nu ligt het daar. Eén blok emotie. Eén grote confrontatie met mijn verleden. Dat maakt het natuurlijk heel dubbel. En voor mijn medepatiënten was het net zo confronterend, ook al hebben we ons er gezamenlijk doorheen geslagen. Daarom ben ik ook zo blij dat zij ‘hun’ verhalen zelf geredigeerd hebben: dit zijn nu namelijk echt hún verhalen, de verhalen waar zij mee kunnen leven.

Dus op de vraag hoe je een boek anonimiseert: niet zo. Maar ik ben blij dat ik het wel zo gedaan heb, wan zonder leven is er überhaupt geen literatuur.

Dennis Rijnvis

Toen ik begon aan Savelsbos besloot ik om de personages dicht bij mezelf te zoeken. Net als de hoofdpersoon in het boek had ik op 12-jarige leeftijd een vast groepje vrienden. Ik nam deze vrienden en hun karakter van destijds als uitgangspunt bij het schrijven van het verhaal. Ik verbasterde hun namen: Joost werd Jonas, Niels werd Nils, Raoul werd Ronnie, enzovoort.

Het leek me een geweldige schrijftactiek. Als ik mijn personages zou baseren op echte mensen, zouden ze nooit vlak of onrealistisch kunnen overkomen. Ze bestonden immers echt.

In de praktijk pakte dat anders uit. De redacteuren bij de uitgeverij waren niet erg enthousiast over mijn hoofdpersonen, nadat ze mijn verhaal voor het eerst hadden gelezen. “Ze hebben geen eigen karakter. Ze zijn te saai, te vlak.”

Ze hadden gelijk. Waar je in de werkelijkheid maanden, of zelfs jaren nodig hebt om mensen te leren kennen, moet een lezer zich binnen enkele scènes een beeld vormen van personages in een boek. Dat gaat niet als hun karakter net zo veel kanten en nuances kent als de persoonlijkheid van een echt mens.

Ik leerde dat ik moest overdrijven, de scherpe kanten van personages moest opzoeken en uitvergroten. Hoewel ik hun namen niet meer heb veranderd (ik was aan Jonas, Nils en Ronnie gehecht geraakt), veranderden de hoofdrolspelers in mijn boek in personen in wie mijn vrienden zich vast niet meer zullen herkennen. Ze liegen, bedriegen en moorden. Dat deden Joost, Niels en Raoul niet. Ik hoop niet dat ze me dat kwalijk nemen. Of misschien moet ik die namen toch nog veranderen.

Wytske Versteeg

Er is in elk geval één bron uit het echte leven die ik zonder ook maar enige gewetenswroeging in mijn werk gebruik: de gesprekken die ik opvang in de openbare ruimte. Een groot voordeel van schrijven is dat die al te luide telefoontjes in de trein veranderen van een reden tot ergernis in een bijna onuitputtelijke bron van inspiratie (treinreizigers, u bent gewaarschuwd).

Maar heel vaak ligt het lastiger. Een verhaal dat ik van bekenden of van goede vrienden hoor, een opmerking die iemand maakt of domweg iets dat gebeurt in mijn eigen leven – soms is het te mooi om niet te gebruiken of, belangrijker, zit er een waarheid in die ik zelf niet zo had kunnen verzinnen. Wil ik goed kunnen schrijven, dan moet ik die dingen gebruiken – dat geldt voor fictie zowel als voor non-fictie – en omdat ik schrijven belangrijk vind kies ik er vaak voor om dat ook te doen. Natuurlijk met andere namen of onherkenbaar veranderde settings – maar onherkenbaar is een lastig begrip. Soms zien mensen pure fictie voor de waarheid aan; soms is het omgekeerd en wordt non-fictie niet geloofd. Heel vaak is de werkelijkheid ongeloofwaardiger dan de literatuur en nooit kan ik voorspellen hoe een tekst die ik schrijf zal worden gelezen. Dat geldt voor de ‘doorsnee lezer’ (voor zover die bestaat), maar al helemaal voor mensen die op de één of andere manier direct betrokken zijn bij het verhaal. In dat geval blijft de pen blijft nog altijd nog altijd een machtig wapen; de schrijver eigent zich, bedoeld of onbedoeld, een stukje van het leven van een ander toe en claimt daarover een waarheid, zwart op wit. Die ander blijft achter zonder een mogelijkheid tot verweer. Dus blijft het, per keer, een afweging of het gerechtvaardigd is om dit stukje van de werkelijkheid te gebruiken, of het belang groot genoeg is. En hoop ik op veel interessante, op luide toon gevoerde telefoongesprekken.

Deel dit bericht

Eén reactie op “In hoeverre maak je gebruik van de levens van de mensen om je heen om je verhalen te voeden?

  1. In mijn roman ‘Schaduwvrouw’ (Ann Bé)gebruikte ik eigen ervaringen en herinneringen en een heleboel fantasie. Bedoeling was een waar gebeurd en onverkwikkelijk avontuur in Congo naar buiten te brengen. Dat werd het tweede deel. Natuurlijk kregen alle personnages een andere naam en functie. Mijn lezers trachten de fictie van de non- fictie te onderscheiden en zitten er vaak helemaal naast. De meesten zijn enthousiast omdat ze dingen van zichelf herkennen en het verhaal daardoor zo menselijk is. Eindelijk weer eens een boek dat vlot leest, waarbij je niet voortdurend raadseltjes moet oplossen. Uitgevers vonden het waarschijnlijk maar niets. Ze gingen er in elk geval niet op in.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>