Hoe ontstaan jullie personages, en zijn jullie wel eens verbaasd door de reacties van anderen?

‘Hoe ontstaan jullie personages, en zijn jullie wel eens verbaasd door de reacties van anderen op die personages?’ – Wytske Versteeg

Peter Zantingh

Ik zal beginnen met het tweede deel van Wytskes vraag: nee, ik geloof niet dat ik verbaasd ben geweest over hoe anderen op mijn personages hebben gereageerd. Of het moet zijn dat mensen mijn hoofdpersoon en mij door elkaar halen. Dat gebeurt, en dat is logisch, denk ik. Een uur en achttien minuten is geschreven in de ik-vorm en die ik, Johan, is een jongen die in West-Friesland opgroeide en naar Utrecht trok om daar te studeren.

Peter Zantingh deed dat ook.

Mijn personages voor dat boek zijn ontstaan tijdens het schrijven. Ik wilde Johan omringen met jongens die grotendeels hetzelfde zijn, omdat ze samen zijn opgegroeid, uit hetzelfde dorp komen, elkaar vaak zien, samen uitgaan, voetballen, elkaars stopwoordjes overnemen. Ze moesten de eerste tekenen vertonen van een meer eigen persoonlijkheid, omdat juist het ‘volwassen’ karakter ervoor zou zorgen dat ze langzaam uit elkaar groeien (en een van de vijf kan daar niet tegen, wil dat alles hetzelfde blijft).

Boek twee dan. Ik wilde het daarvoor anders doen. Toen ik voor boek één een ronde langs uitgeverijen maakte, zei een van de redacteuren die ik sprak dat het helpt om een paar duizend worden te schrijven over een personage. Woorden die niet in het boek hoeven terug te komen, maar bedoeld zijn om dat personage te leren kennen.

Dat deed ik voor Boris* en de andere personages uit Misschien op zolder**. Ik begon om zeven uur ‘s ochtends en tikte tot elf uur van alles op, alles wat ik vond passen bij het karakter van de mensen die ik verzonnen had – of eigenlijk op dat moment aan het verzinnen was. Waar groeide hij op, wie zijn zijn ouders, broers en zussen, waar ging hij naar school, waar heeft hij een hekel aan, wat doet hij het liefst? Wat doet hij op zijn brood, naar welke muziek luistert hij, kijkt hij naar sport?

Toen ik daarna aan het boek begon, merkte ik dat ik dat beeld hier en daar wilde aanpassen. Dat het net iets beter paste als hij niet in Amsterdam woonde, of iets ouder was, of niet jarig in maart. Dat sta ik mezelf toe. Soms pas ik het ook meteen aan in dat oorspronkelijke document, al vergeet ik dat regelmatig. Het belangrijkst is het beeld in mijn hoofd dat ik door het schrijven van die paar duizend woorden gekregen heb, zodat ik weet hoe hij op allerlei situaties zou reageren en wat hij in een dialoog zou zeggen.

* Dit is een werknaam.
** Dit is een werktitel.

Myrthe van der Meer

Wat mij het meest verraste bij PAAZ was hoe lezers op de hoofdpersoon reageerden. Om de een of andere reden kwamen onze interpretaties niet helemaal overeen. Dat is vooral gek, omdat ik zelf die hoofdpersoon was. Ik vond ‘Emma’ eerder een soort statief voor de wild rondzwiepende camera dan een volwaardig karakter dat zelfstandig het verhaal droeg, en waar ik de hoofdpersoon vooral een nogal muizig, onzichtbaar personage vond, bleek de lezer erg met haar mee te leven en haar onmisbaar te vinden als gids door de krochten van de psychiatrische roman.

Het verschil kan ik niet echt verklaren. Misschien zit het hem in het feit dat PAAZ autobiografisch is. Als je alles zelf al eens hebt meegemaakt, dan ben je tijdens het schrijven vooral bezig met hoe de anderen het beleefden. Ik ben voor mezelf oud nieuws, dus het blijft raar om dan van lezers te horen hoe zij niet alleen over mijn boek, maar ook over mijn eigen rol daarin denken.

Tegelijkertijd denk ik dat je als schrijver altijd wel verrast zult blijven door de reacties van de lezer. Zo heb ik PAAZ vooral geschreven om exact vast te leggen hoe zoiets voelt, een psychiatrische opname met alle levensvragen, stervenszaken en mensen die daarbij horen. Persoonlijk was ik heel blij met die opname (oké, vijf maanden was misschien een beetje aan de lange kant), maar ik krijg nog steeds e-mails van mensen over hoe geweldig het is dat er met PAAZ nu eindelijk een boek is over wat voor een mensonwaardig martelwerktuig de psychiatrie is voor patiënten.

Dus ja, dan ben ik wel even verbaasd.

Kalf, mijn volgende roman is in tegenstelling tot PAAZ fictie en dus wel verzonnen. De personages ontstonden daar eigenlijk heel logisch vanuit het verhaal zelf. Kalf begon heel simpel met de vraag: wat doe je als je exact weet hoe lang je nog te leven hebt? Namelijk kort?

Ik had geen idee, dus vroeg ik me af hoe een personage dat in een verhaal zou doen. Dat moest dan sowieso een ouder personage zijn, vond ik, want die heeft meer om op terug te kijken – oud zeer en vervlogen dromen doen het altijd goed in de moderne literatuur – en dan het liefst een personage dat alles bereikt heeft waar hij voor gewerkt heeft, om er dan achter te komen dat het enige wat hij echt wilde in de weg daarnaartoe verloren is. Zo ontstond Onno, en ik hield meteen hartstochtelijk veel van hem. Maar als hij dat hele verleden met zich meezeulde, dan moest hij dat ook tegen iemand kunnen vertellen – beter nog, voor iemand geheim kunnen houden: zo ontstond hoofdpersoon twee, zijn kleinzoon Jurgen. Ik vind ze geweldig – maar uiteindelijk besluit iedere lezer voor zich wat hij van een boek of de personages vindt.

Als alles goed gaat ligt Kalf deze herfst in de winkel. Met dus niet één hoofdpersoon, maar twee.

Double trouble dus. Ik ben benieuwd naar wat voor reacties dat deze keer oplevert…

Deniz Kuypers

De hoofdfiguren in mijn debuutroman, Dagen zonder Dulci, leerde ik al schrijvend kennen. Zo gaat dat bij mij: ik begin met een beeld of gevoel, en bouw de rest van de roman daar omheen. Personages en verhalen komen dus tegelijkertijd tot stand, wat soms problemen oplevert. Een personage mag aan het eind van het boek namelijk niet hetzelfde zijn als aan het begin, dus wat doe je als je aan het begin nog niet weet met wat voor personages je te maken hebt?

Mijn oplossing: schrijven tot je het wel weet. Voor mijn debuut heb ik in totaal 200,000 woorden geschreven, terwijl het uiteindelijke boek maar 50,000 woorden telde. Inmiddels ben ik met een nieuwe roman bezig. Eerst maakte ik een ‘beginnetje’ van 80,000 woorden, waarvan er inmiddels nog maar krap 20,000 zijn overgebleven. Dit is een tijdrovende manier van schrijven. (Zeg gerust: gekkenwerk.) Het liefst zou ik een verhaal in een keer op papier zetten, om er vervolgens aan te schaven. Maar hoe kun je een verhaal een logisch besluit geven zonder je personages helemaal te kennen?

Er wordt gezegd dat het begin en het eind van een verhaal het moeilijkst zijn. Het eind, dat ondervond ik vooral bij het schrijven van Dulci. Het begin, dat ondervind ik met mijn tweede boek. Nu ik mijn hoofdfiguur duidelijk voor ogen heb, moet ik een balans vinden tussen hem voor de lezer tot leven brengen en het verhaal in gang zetten, zonder dat het boek te vertellerig wordt (teveel karakteropbouw) of de hoofdfiguur te schetsmatig (teveel plot).

Ben ik weleens verbaasd door de reacties van anderen op mijn personages? De vader in Dulci (een bijfiguur) had ik me sympathieker voorgesteld dan wat veel lezers van hem vinden. Maar uiteindelijk past dat ook wel bij het boek. Dulci gaat deels over de verhalen die we elkaar en onszelf vertellen, en de manier waarop we ons presenteren aan de wereld om ons heen. Ik weet dingen over de vader die hij verkoos niet in het boek te laten zien, en dat heeft klaarblijkelijk gevolgen voor hem gehad.

Toen mijn debuut uitkwam, was ik vooral bang dat de hoofdfiguur – een zeventienjarig meisje – niet geloofwaardig genoeg zou zijn voor vrouwelijke lezers. Gelukkig is dat geen probleem gebleken. Mijn nieuwe boek heeft een man van mijn leeftijd in de hoofdrol, maar dat maakt me niet minder nerveus. Alleen maakt dat nu nog niet uit, we staan pas aan het begin van onze reis, en ik heb een goed idee waar we zullen belanden.

Dennis Rijnvis

Bij mijn laatste boek onstonden de personages vooral door het verhaal dat ik componeerde. Savelsbos was erg plotgedreven. Ik wist vanaf het begin dat vijf jongeren de hoofdrol zouden spelen, maar hun karakters veranderde aan de hand van de wendingen in het verhaal die ik bedacht.

Wel zijn de personages gebaseerd op een vriendengroep die ik ooit had. Veel mensen herkenden daardoor iets van zichzelf in het verhaal, maar dat kan ook te maken hebben met het feit dat hun namen leken op de namen van de jongens in het boek. De hoofdpersoon van het boek is in zekere zin op mezelf gebaseerd, al is het een erg in zichzelf gekeerde versie van mij. Grappig genoeg waren de reacties op dit personage inderdaad heel verschillend. Sommige mensen zeggen erg mee te leven met Daniël, het hoofdpersonage, anderen vinden hem laf en hypocriet. Dat mensen totaal tegengestelde meningen over eenzelfde personage of boek kunnen hebben, is iets dat ik sowieso heb geleerd van de publicatie van Savelsbos. In zekere zin is het geruststellend. Je kunt nooit dat een boek schrijven met personages en plotwendingen die iedereen bevallen. Je kunt dus maar beter gewoon naar jezelf luisteren.

Wytske Versteeg

Vroeger hadden wij een cassettebandje met daarop een Nederlandse musical over Tsjechov, waar we vaak naar luisterden in de auto. Op één van die liedjes sprak Tsjechov, bij monde van Robert Long, geloof ik: ‘ik heb mijn personages veel ontnomen. Maar ik heb ze altijd de hoop laten houden.’ (Dezelfde musical bevatte zelfs een liedje met schrijftips zodat ik mezelf nu, ruim twintig jaar later, nog zo af en toe kan afvragen: ‘wat deel ik mee, wat wil ik zeggen, waarom draait wat ik vertel in het bijzonder?’)

Ik denk vaak aan dat zinnetje over hoop, want meestal vinden anderen mijn personages killer en onaardiger dan ik. Misschien is mijn blik gewoon vertekend omdat ik die personages zelf bedacht heb, zoals ouders soms hoog opgeven over hun verwende kind, aan wie ieder ander een hekel heeft. Waar je een ouder in zo’n geval zelden corrigeert, althans niet als je een min of meer vriendschappelijke relatie wilt behouden, zijn de sociale regels met betrekking tot fictieve personages een stuk minder duidelijk, en dus ben ik geregeld verbaasd als er weer eens iemand opmerkt hoe hij of zij zich heeft geërgerd aan het gedrag van het een of andere karakter. Verbaasd en jawel, soms – net als zo’n vreselijke ouder- zelfs een klein beetje gekwetst.

Want al die personages komen toch uit mijn hoofd, en om ze te kunnen schrijven moet ik wel in hen geloven, en ze een plausibele reden geven om zich zo te gedragen als ze doen Misschien is het ook het bedenken van personages een soort opvoeden; je geeft ze woorden tot ze zich bijna uit zichzelf gaan bewegen, je brengt ze tot leven tot ze plotseling dingen gaan doen die je niet vooraf voor ze had bedacht.

Deel dit bericht

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>