Gastblog: Thomas Heerma van Voss

De eerste keer dat ik werkelijk nadacht over het fenomeen debuteren, was in de vijfde klas van de middelbare school. Mijn docente, een vijftigjarige huismoeder die het wekelijks had over ‘echte schrijvers’ en die onbegrijpelijke metaforen een vereiste vond voor ‘grote literatuur’, hield de roman Kort Amerikaans omhoog en keek de klas doordringend aan. ‘Als je wilt weten met wat voor stem je te maken hebt, bestudeer dan altijd zijn eerste roman. Thematisch gezien toont een auteur daar al vrijwel alles wat hij te bieden heeft.’

Het is een opvatting die ik sindsdien vaker heb gehoord: de eersteling beschouwen als blauwdruk voor iemands gehele schrijverschap. Persoonlijk vind ik het een nogal onzinnig, geromantiseerd beeld – er zijn genoeg debuten die in latere boeken thematisch nader worden uitgewerkt (denk aan het werk van Reve of Palmen), maar voor elke auteur die aan die eis voldoet, is er ook gemakkelijk een tegenvoorbeeld te verzinnen (Hermans of Elsschot).

Toen mijn middelbare docente het zei, had ik daar echter geen weet van. Ik dacht alleen maar: zij heeft hiervoor gestudeerd, dus zij zal het wel weten, en ik knikte begripvol, zoals ik mijn hele schooltijd begripvol heb geknikt.

Inmiddels weet ik wat ik had moeten antwoorden. Dat het geen zin heeft om iemands eersteling per definitie als heilige graadmeter te zien, dat het zinvoller is om onderscheid te maken tussen enerzijds auteurs die voor hun debuut al uitgebreid nadenken over hun oeuvre (wederom: Palmen, maar ook een moderne schrijver als Buwalda), en anderzijds auteurs die daar nog nauwelijks bewust mee bezig zijn.

Om, het voelt wat misplaatst na de auteurs die ik zojuist heb genoemd, maar eens over mezelf te beginnen: ik behoor zonder twijfel tot de laatste categorie. Toen ik in 2009 debuteerde, wist ik nog amper wat een oeuvre was. Ik had nooit een letter Nooteboom of Claus gelezen, ik wist niet welke uitgeverijen een goede reputatie hadden, ik kende geen enkel literair tijdschrift bij naam.

Achttien was ik, achttien en ik verveelde me rot. Terwijl mijn vrienden, net zoals ik net klaar met hun eindexamens, zich gezamenlijk bedronken op Mallorca, en vervolgens maandenlang ontwikkelingswerk deden in Afrika, hielpen bij het bedrijf van hun vader of zich stortten op studies in onbekende steden, zat ik in mijn eentje thuis. Ik schreef. Zonder plan, zonder structuur, ik had aan het begin van de dag meestal nog geen idee waar mijn vingers mijn hoofdpersoon heen zouden leiden, en juist die vrijheid maakte het schrijven zo aangenaam.

Het begon met een simpel beeld: een twintiger die langdurig drie paar sokken in zijn hand houdt en niet tot een keuze kan komen.

Ik woonde nog thuis in die tijd. Toen ik één alinea had geschreven riep ik mijn moeder en vroeg: ‘Vind je dit leuk?’

Ik sluit niet uit dat als zij haar hoofd had geschud, ik het verhaal resoluut had verwijderd. Maar ze knikte. Een dag later liet ik haar een eerste pagina zien: ‘Vind je dit nog steeds leuk?’ vroeg ik – en weer knikte ze.

Zo ging het maanden door, tot ik een verhaal had met een begin, een midden en een eind.
Gezien mijn leeftijd denken mensen vaak dat fictie schrijven mijn kinderwens was, een van jongs af aan gekoesterde droom die ik zodra het kon in vervulling wilde laten gaan – maar om eerlijk te zijn heb ik vroeger geen moment over een schrijversbestaan gefantaseerd. Het leek me voorbehouden aan wat mijn docente ‘grote geesten’ noemde, die moeiteloos tien pagina’s konden vullen met één langgerekte natuurbeschrijving en woorden gebruikten waarvan ik de betekenis niet kende. De onvermijdelijke vraag: ‘Wat wil je later worden?’ beantwoordde ik doorgaans met: ‘Leraar,’ of, in een meer ambitieuze stemming: ‘Filmregisseur.’ Ik las nooit romans, laat staan dat ik verhalen verzon of graag praatte. Als vrienden me op mijn achttiende hadden voorgesteld samen een muziekgroep te beginnen of een speelfilm te maken, had ik het vermoedelijk meteen gedaan en geen letter geschreven.

Min of meer toevallig kwam mijn manuscript eind 2008 bij een uitgeefster terecht. Ik heb het verder naar geen enkele redacteur of literair agent gestuurd. Niet uit bescheidenheid, maar ik hield me daar niet mee bezig. Toen de uitgeefster zich echter enthousiast toonde, kon ik geen reden verzinnen om niet bij haar te tekenen. En die zie ik nog steeds niet. Mijn debuut is geen uitgekiend werk waarin ik allerlei thema’s heb geprobeerd te stoppen, het is niet exemplarisch voor alles wat ik sindsdien heb gedaan, het is eenvoudigweg een eerste vingeroefening – de eerste stappen in een mij nog totaal onbekende wereld. En ook al heb ik sindsdien veel geschreven, korte verhalen en een roman die ik inhoudelijk en stilistisch rijker vind dan mijn debuut: het schrijven van De Allestafel – voor de duidelijkheid: zo heet mijn eersteling – had iets ongeëvenaard spontaans. Ik had geen idee wat ik wilde of kon. Elke gedachte die bij me opkwam had ik niet eerder beschreven, elk gevoel dat ik wilde oproepen had ik nog nooit geprobeerd in woorden te vangen.

Toen ik jaren later vastzat bij mijn tweede roman, en in een fase was beland waarin ik weken aan scènes schaafde die ik later integraal schrapte, heb ik mijn debuut weleens opengeslagen en mezelf de vraag gesteld: is er sinds die ongeremde eerste keer iets verloren gegaan? Nee, dacht ik meestal. Ja, begrijp ik inmiddels. Schrijven blijft weliswaar altijd oefenen, er komt nooit een eindpunt waarin ik volleerd ben, maar alleen die eerste keer was het oefenen op een instrument dat ik nog nooit bespeeld had.

Afgelopen zomer ben ik trouwens mijn docente Nederlands tegengekomen. Eerst herkende ze me niet. Toen zei ze: ‘Vermakelijke hoor, dat debuut van je. Niet verwacht. Je zei nooit iets op school. Ik had geen idee dat ik een schrijver onder mijn hoede had.’ Kennelijk was ik dat nu officieel, een schrijver. Mijn woorden hadden mij iets gemaakt waar ik nooit over had nagedacht, doordat mijn debuut was verschenen had ik nu de wezenskenmerken van een bepaald type auteur. En terwijl ik mijn docente Nederlands aankeek, met haar licht teleurgestelde glimlach, begreep ik dat zij, ongeacht wat ik nog zal doen of schrijven of verzinnen, mij voor altijd zou zien zoals ze op dat moment deed. De stille leerling, de vermakelijke schrijver. Meer niet.

Deel dit bericht

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>