Gastblog: Shira Keller

Ik had net een opleiding van vier jaar aan de toneelschool afgerond, toen ik ontdekte dat ik er geen zin meer in had – niet zozeer niet in theater, maar in mensen. Ik was amper vierentwintig en het enige waar ik naar verlangde was rust, iets wat ik tot dan toe alleen met te oud geworden bejaarden geassocieerd had. Toen mij een zoveelste keer werd gevraagd waar ik mee bezig was (een vraag waaraan ik panisch probeerde onderuit te komen, omdat het antwoord, ‘even niks’, me woest maakte), kwam het voor het eerst over mijn lippen: ‘Ik schrijf een boek.’

Ik pakte mijn spullen en vertrok naar een bergdorp in de Zwitserse Alpen, waar ik niemand kende, waar niemand me zou vragen waar ik mee bezig was, en waar niets of niemand me zou afleiden van mijn nieuwe doel: ik zou een boek schrijven. Wisten die bergbewoners veel, dat ik geen uitgever had, geen idee of ik überhaupt het talent bezat, en dat ik – maar dat probeerde ik te verdringen – de kans dat er werkelijk een boek zou komen nihil achtte.

Omdat er weleens Nederlandse skitoeristen in het dorpje kwamen, was men blij met een Nederlands meisje achter de kassa van de skilift. Al gauw was ik zo bedreven in het uitdraaien van dagkaarten, halve dagkaarten en weekkaarten dat ik het mijn gedachten er niet bij nodig had en tussen de verkopen door in een notitieboekje op mijn schoot aan mijn geheime missie werkte. Dat ging een tijdje goed. Er ontstonden personages, er ontstond een zweem van een verhaal, en er ontstond zelfs een klein glimpje hoop dat de krabbels in mijn boekje wellicht ooit werkelijk een boek zouden kunnen worden. En toen sloeg het weer om.

Het was min twintig, er hing een dikke mist over het dorp, het toeristenseizoen was voorbij en de hoop zonk me in de schoenen. Op een middag, de zoveelste waarop nog geen enkele verdwaalde klant mijn kassahokje had opgezocht, schreef ik in een van mijn talrijke melodramatische buien, het volgende in mijn notitieboekje:

“Hoe de liftjes zwalkend langs me heen glijden met een stoïcijnse onverschilligheid, hoe de witte bergvloer als een stijf bevroren oceaan me koppig onbeweeglijk toegrijnst, hoe miljoenen babyvlokjes voor het venster hun speelkwartier vieren – het is exact vijf uren en vierendertig minuten geleden dat ik begonnen ben het gade te slaan. Was er ook maar een minieme, haast onmerkbare verandering opgetreden, dan was ik van mijn stoel opgesprongen, had een vreugdedans gemaakt, was met een onverzadigbaar gevoel van dankbaarheid weer gaan zitten en had de rest van de dag een gelukzalige glimlach op mijn gezicht gehad. Daar dat niet het geval is geweest ben ik thans strontchagrijnig. Wat betreft dat boek: dat komt er nooit.”

En toen, het kan ook een paar dagen later geweest zijn, kwam er vanuit de mist een verschijning mijn kant op gegleden. Het was net zo ongeloofwaardig als het klinkt. Het was een vrouw. Ze stapte met haar ski’s het tapijt voor mijn hokje op en vroeg om een halve dagkaart. Ik hoorde aan haar uitspraak dat ze Nederlands was.

‘Dat is dan tweeëndertig frank.’

Het gezicht van de vrouw brak open. ‘Ben jij Nederlands?’

Dat vroegen ze allemaal, al leek het me evident. Ik glimlachte, knikte, gaf haar het kaartje en bereidde me voor op weer een paar uren stilte. Maar de vrouw bleef staan.

‘Wat doe je hier?’ vroeg ze.

Ze nam geen genoegen met mijn standaard antwoord, en leek haar interesse in het kaartje vergeten te zijn. Voor het eerst sinds een half jaar sprak ik met iemand over mijn opleiding, mijn verlangen naar rust, mijn belachelijke inval een boek te schrijven en het diepe gevoel van mislukking dat mij de afgelopen weken in het kassahokje was aangevlogen. Ze luisterde, ze vroeg door, en toen ik voelde dat ik elk moment in huilen uit kon barsten, zei ze: ‘Schrijf dat boek. Ik weet dat je het kan. Echt. Ik zie dat.’

En toen pakte ze haar kaartje op, knikte me toe, stapte van het tapijt af, ging door het draaideurtje, en zag ik haar in het liftje in de mist verdwijnen. De volgende dag bracht ze me een stapel Hollandse tijdschriften, die ik in mijn hokje verslond als een ondervoede een stuk brood.

P.S. In de zomer was mijn manuscript af. Ik stuurde het naar tien uitgeverijen. Een week nadat ik het opgestuurd had ontving ik een email waarin een redacteur me liet weten interesse te hebben. Nog een week later werd ik twee keer opgebeld door de redacteurs van twee andere uitgeverijen die me uitnodigden voor een gesprek. Een maand later nam ik het vliegtuig naar Nederland en tekende ik een contract.

Deel dit bericht

2 reacties op “Gastblog: Shira Keller

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>