Gastblog: Jop de Vrieze

‘Hoe gaat het met je boek?’

Had je me die vraag een half jaar geleden gesteld dan was de kans groot geweest dat ik me zuchtend van je had afgewend, liefst richting bar. Al maanden, nee jaren, werkte ik in de weekenden en avonduren aan een project waar ik me ooit vol overgave op had gestort, maar wat gaandeweg steeds meer was gaan lijken op een zwarte dag in het casino: je weet dat je moet stoppen, maar wilt het niet en gaat door, door, door.

Stel me die vraag vandaag en je ziet de glinstering in mijn ogen. Op dat moment kun je maar beter een drankje in je hand hebben, want voor de aankomende tien minuten zit je aan mij en mijn verhaal vast.

Ik ga debuteren.

Op 19 maart tekende ik mijn contract, op mijn eigen kantoor omdat agent Paul Sebes en mijn uitgever Sander Ruys van Maven Publishing daar benieuwd naar waren. We lunchten en dronken champagne met mijn collega’s: agenten Sebes & Bisseling, uitgeefduo Ruys en Punt van Maven en ikzelf. Het was echt.

Pas een dag later besefte ik hoe snel het ineens gegaan was. In januari besloot ik in overleg met Paul Sebes mijn worstelproject voorlopig op de plank te leggen. Het levensverhaal van een fabrieksarbeider uit de DDR die vluchtte en in Nederland verzeild raakte. Een beetje uit deugd maar vooral ook uit nood was dat steeds meer verworden tot fictie, waardoor het zo tussen twee genres in dreef dat het treffend te omschrijven was als ‘onverkoopbare parel’.

Om in de metafoor van het Casino te blijven: ik haalde mijn fiches van het bord, wisselde ze in en zette ze in op een ander spel. Een spel waar ik veel meer in thuis ben, beter mee uit de voeten kan en waar ik, enigszins, een reputatie in heb opgebouwd: populaire wetenschap. Al een paar maanden was ik bezig een onderwerp intensief te volgen: de micro-organismen in en op ons lichaam, in microbiologenjargon de ‘humane microbiota’ genoemd.

Dankzij nieuwe technieken is dit vakgebied de laatste jaren in een stroomversnelling gekomen. Eindelijk krijgt de wetenschap zicht op de wezens die lange tijd grotendeel onzichtbaar waren, zelfs met de microscoop. De golf aan publicaties die de wetenschapsbladen sindsdien overspoelt leverde fascinerende ontdekkingen op: we dragen anderhalve kilo bacteriën met ons mee, in aantal tien keer meer dan onze lichaamscellen. Ze verteren niet alleen een deel van ons voedsel maar assisteren ook bij onze afweer en hebben zelfs invloed op ons gedrag.

Voor mij voelen die weetjes inmiddels als belegen kaarttrucs die bij een nieuw publiek nog steeds wonderwel blijken te werken. De kranten en bladen hebben er al vol mee gestaan. Er is inmiddels veel meer te vertellen dan die paar feiten en verbanden. Het is tijd voor een boek.

In dit boek ga ik op zoek naar de grotere, achterliggende vragen. Wat doen die beestjes eigenlijk precies? Wat is hun invloed op ons? Wat betekent het voor ons zelfbeeld dat zij er zijn, altijd al zijn geweest, letterlijk sinds mensenheugenis? Wat kunnen en moeten we met deze kennis in onze eigen dagelijks leven?

Hoe pak je zoiets eigenlijk aan, een populairwetenschappelijk debuut? Waar een romanschrijver in zijn debuut zijn stijl, zijn technische capaciteiten en zijn stem toont, laat een populairwetenschappelijke schrijver misschien nog wel meer van zichzelf zien: naast de stem en schrijfcapaciteiten, die ook in dit genre erg belangrijk zijn geworden, zijn er kennis, inzicht en het vermogen om een grote groep mensen aan te spreken die over een bepaald onderwerp uit zichzelf nog helemaal niet had nagedacht.

Dat vergt meer dan alleen een eenvoudige samenvatting van de literatuur. Het vraagt om onderdompeling in het onderzoeksveld, druipend bovenkomen en op het droge je verhaal doen aan verwonderd toegestroomde toehoorders. Een concreet, tastbaar verhaal, waarvoor je alles wat je in huis hebt in de strijd moet gooien.

Letterlijk, in dit geval. Ik spreek niet alleen met experts en ervaringsdeskundigen. Het boek wordt een zoektocht naar mijn eigen microben, naar wie zij zijn, wat zij zeggen over mij. Naar hoe hen in de armen te sluiten (figuurlijk natuurlijk, maar dat begrijp je). Aan de hand daarvan wil ik het inzicht gaan overbrengen dat we samenleven met en afhankelijk zijn van triljoenen onzichtbare vrienden en vijanden. Een hernieuwde kennismaking met onszelf.

Mijn debuut dus, ook al voelt het een klein beetje als nummer twee. Op cynische dagen omschrijf ik mijn eerste als een doodgeboren kind. Eén avond rouwde ik erom, de dag voor ik mijn contract tekende. Ik nipte whiskey, tikte een afscheidsblog, liet alle zondagmiddagen in gedachten passeren waarop ik urenlang mijn hoofdpersoon interviewde of vanuit mijn zitzak alinea’s op mijn scherm perste.

Toch klopt die beschrijving niet. Dat verhaal is niet dood, hooguit in coma. Het is niet weggegooid, maar opzij geschoven. Ook als het uiteindelijk in het najaar van 2014, 25 jaar na de val van de Muur, niet verschijnt, is het niet voor niets geweest. Iedere kilometer die een schrijver aflegt, of ie nu recht op zijn doel af gaat of niet, brengt ervaringen en lessen. Het doet je jezelf leren kennen, je mogelijkheden en grenzen te zien, dichter te komen bij wat je kunt en wie je bent. Wie zichzelf weet te vinden als schrijver, zal slagen. Daar ben ik van overtuigd.

Deel dit bericht

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>