Welk boek dat iedereen goed leek te vinden, vond jij verschrikkelijk?

‘Welk boek dat iedereen goed leek te vinden, vond jij verschrikkelijk (en waarom)?’ – Peter Zantingh

Peter Zantingh

De honderdjarige man die uit het raam klom en verdween. Dat boek staat voor mijn gevoel al anderhalf jaar in de bestsellerlijsten. Toen ik laatst in mijn favoriete boekhandel was, hoorde ik ook weer hoe het werd aangeraden aan een klant. Omdat het over de wereldgeschiedenis gaat en zo uniek en grappig geschreven zou zijn. Het wordt bovendien verfilmd.

Ik vond het juist erg vervelend geschreven. Het boek gaat over Allan Karlsson die op zijn honderdste verjaardag uit het raam van het bejaardentehuis ontsnapt en op een tocht gaat, waarbij hij steeds meer mensen ontmoet en steeds meer mensen naar hem op zoek gaan. Ondertussen wordt zijn levensverhaal verteld: hoe zijn omging met allerlei wereldleiders, van Mao tot Churchill, betrokken was bij bepalende momenten in de geschiedenis, zoals de uitvinding van de atoombom, en uitzonderlijke dingen deed, zoals ter voet de Himalaya oversteken.

Een soort Forrest Gump dus, maar dan nog veel gekker.

Karlsson is apolitiek en emotieloos: niets wat hem overkomt, kan hem echt overdonderen. Schrijver Jonas Jonasson doet ongeveer hetzelfde met de droogkomische stijl: het barst van de variaties op ‘dat kwam hem niet bijzonder goed uit’ wanneer er iets heel ergs met iemand gebeurt. Dat trucje ging bij mij erg snel vervelen.

Moet je het dan lezen voor de inhoud? Wat mij betreft niet. Dat het een belachelijk verhaal is hoeft nog niet te betekenen dat het slecht is, maar veel van de stukken modderen maar wat aan terwijl Jonasson zich lijkt uit te leven op de ene na de andere bizarre plotwending, waarvan de meeste het verhaal niet vooruit brengen en ook niet echt grappig zijn.

Want humor – daar wordt dit boek vaak om geprezen. Ik zou zeggen: wend je voor een droogkomisch boek met een unieke stijl tot Brusselmans of Van Kooten en laat De honderdjarige… links liggen.

Myrthe van der Meer

Bij de vraag welk boek of welke schrijver je vreselijk vindt, hoor je na je antwoord vaak dat je een Nederlandse schrijver moet noemen – en het liefst een levende, want dat is spannender dan een dode. Dus om me er niet te makkelijk vanaf te laten komen: welk boek van een Nederlandse schrijver viel mij tegen?

En dan merk je als schrijver meteen waarom praten over buitenlandse boeken zoveel gemakkelijker is. Ze zijn op een bepaalde manier neutraal, want de schrijver woont ver weg terwijl kritische opmerkingen over boeken uit eigen land al snel persoonlijk voelen. En over sommige boeken mag je misschien helemaal geen opmerkingen maken. Zoals Tonio, van A.F.Th. van der Heijden.

Toen Tonio uitkwam, was ik er erg benieuwd naar – hoe schrijf je over zoiets verschrikkelijks als de dood van je eigen zoon? – maar ik werd ook bang door alle recensies over een boek dat zo hartverscheurend compromisloos en indringend geschreven was dat de lezer er op geen enkele manier aan kon ontsnappen. Ik ging zelf net weer een sombere periode door en wist niet of ik dat wel aankon.

Dat bleek best mee te vallen. Tonio was een mooi geschreven boek en ik ging er niet aan onderdoor. Sterker nog: ik voelde er eigenlijk niet zoveel bij. Wel bij het eerste deel, de ontreddering rond het ongeluk en het uitzoeken van wat er precies gebeurd was. De directheid waarmee dat geschreven was greep me bij de keel. Maar daarna begon een zich steeds herhalende reeks van jeugdherinneringen, alcoholmisbruik en literaire vergelijkingen, alsof de auteur het verdriet via het schrijven op afstand probeerde te houden, het te rationaliseren door een verstandelijk relaas te schrijven dat zich overal af leek te spelen behalve in het hier en nu. Het raakte mij steeds minder, de ‘verhaallijn’ bleef honderden pagina’s lang op hetzelfde punt steken en ik voelde steeds vaker de neiging om stukken over te slaan. Die traagheid probeerde ik eerst nog te zien als een methode om aan te tonen dat de tijd als een eindeloze herhaling van zetten voelt voor iemand die in de rouw is – maar heeft de literatuur daar niet andere stijlmiddelen voor? Je hoeft toch ook niet een telefoonboek over te schrijven om duidelijk te maken dat je personage het telefoonboek uit zijn hoofd kent? Het voelde alsof hier uit ontzag voor het enorme leed dat achter het boek school de tekst zelf zoveel mogelijk door de redacteur ontzien was.

Zou ik dat alles erg hebben gevonden als de schrijver onbekend was en het boek nog nooit zo jubelend was gerecenseerd? Waarschijnlijk niet. Mijn mening zou hetzelfde zijn gebleven, maar de frustratie en teleurstelling minder groot dan nu, nu het boek overal de wolken werd geprezen als briljant, en het het zelfs presteerde om als autobiografie een van de grootste romanprijzen wist te winnen. Ik vond het knap dat het iemand gelukt was om een literair monument op te richten voor een overleden kind – maar sec als roman beschouwd schortte er behoorlijk wat aan.

Uiteindelijk ben ik tot de conclusie gekomen: waargebeurde boeken blijken altijd lastig te beoordelen. Het onderwerp gaat er al snel met de lezer vandoor en heeft de neiging redacteurs te verblinden. Zou je een waargebeurd verhaal nog steeds net zo’n goed boek vinden als het compleet verzonnen was? In de meeste gevallen is het antwoord denk ik: nee. Ook niet bij PAAZ. Voor een echt geslaagd (fictie)boek is het te lang, heeft het teveel herhaling en te weinig spanningsbogen. In feite lijdt het aan hetzelfde euvel als Tonio. Het is meer een mooie beschrijving van een boeiende status quo dan een goed opgebouwd, boeiend verhaal. En dat is niet erg, maar een heftig of ontroerend onderwerp en een goede schrijfstijl zijn iets anders dan een echt briljante roman. Daarvoor zit de werkelijkheid ons schrijvers en lezers blijkbaar toch teveel in de weg.

Deel dit bericht

Gastblog: Jop de Vrieze

‘Hoe gaat het met je boek?’

Had je me die vraag een half jaar geleden gesteld dan was de kans groot geweest dat ik me zuchtend van je had afgewend, liefst richting bar. Al maanden, nee jaren, werkte ik in de weekenden en avonduren aan een project waar ik me ooit vol overgave op had gestort, maar wat gaandeweg steeds meer was gaan lijken op een zwarte dag in het casino: je weet dat je moet stoppen, maar wilt het niet en gaat door, door, door.

Stel me die vraag vandaag en je ziet de glinstering in mijn ogen. Op dat moment kun je maar beter een drankje in je hand hebben, want voor de aankomende tien minuten zit je aan mij en mijn verhaal vast.

Ik ga debuteren.

Op 19 maart tekende ik mijn contract, op mijn eigen kantoor omdat agent Paul Sebes en mijn uitgever Sander Ruys van Maven Publishing daar benieuwd naar waren. We lunchten en dronken champagne met mijn collega’s: agenten Sebes & Bisseling, uitgeefduo Ruys en Punt van Maven en ikzelf. Het was echt.

Pas een dag later besefte ik hoe snel het ineens gegaan was. In januari besloot ik in overleg met Paul Sebes mijn worstelproject voorlopig op de plank te leggen. Het levensverhaal van een fabrieksarbeider uit de DDR die vluchtte en in Nederland verzeild raakte. Een beetje uit deugd maar vooral ook uit nood was dat steeds meer verworden tot fictie, waardoor het zo tussen twee genres in dreef dat het treffend te omschrijven was als ‘onverkoopbare parel’.

Om in de metafoor van het Casino te blijven: ik haalde mijn fiches van het bord, wisselde ze in en zette ze in op een ander spel. Een spel waar ik veel meer in thuis ben, beter mee uit de voeten kan en waar ik, enigszins, een reputatie in heb opgebouwd: populaire wetenschap. Al een paar maanden was ik bezig een onderwerp intensief te volgen: de micro-organismen in en op ons lichaam, in microbiologenjargon de ‘humane microbiota’ genoemd.

Dankzij nieuwe technieken is dit vakgebied de laatste jaren in een stroomversnelling gekomen. Eindelijk krijgt de wetenschap zicht op de wezens die lange tijd grotendeel onzichtbaar waren, zelfs met de microscoop. De golf aan publicaties die de wetenschapsbladen sindsdien overspoelt leverde fascinerende ontdekkingen op: we dragen anderhalve kilo bacteriën met ons mee, in aantal tien keer meer dan onze lichaamscellen. Ze verteren niet alleen een deel van ons voedsel maar assisteren ook bij onze afweer en hebben zelfs invloed op ons gedrag.

Voor mij voelen die weetjes inmiddels als belegen kaarttrucs die bij een nieuw publiek nog steeds wonderwel blijken te werken. De kranten en bladen hebben er al vol mee gestaan. Er is inmiddels veel meer te vertellen dan die paar feiten en verbanden. Het is tijd voor een boek.

In dit boek ga ik op zoek naar de grotere, achterliggende vragen. Wat doen die beestjes eigenlijk precies? Wat is hun invloed op ons? Wat betekent het voor ons zelfbeeld dat zij er zijn, altijd al zijn geweest, letterlijk sinds mensenheugenis? Wat kunnen en moeten we met deze kennis in onze eigen dagelijks leven?

Hoe pak je zoiets eigenlijk aan, een populairwetenschappelijk debuut? Waar een romanschrijver in zijn debuut zijn stijl, zijn technische capaciteiten en zijn stem toont, laat een populairwetenschappelijke schrijver misschien nog wel meer van zichzelf zien: naast de stem en schrijfcapaciteiten, die ook in dit genre erg belangrijk zijn geworden, zijn er kennis, inzicht en het vermogen om een grote groep mensen aan te spreken die over een bepaald onderwerp uit zichzelf nog helemaal niet had nagedacht.

Dat vergt meer dan alleen een eenvoudige samenvatting van de literatuur. Het vraagt om onderdompeling in het onderzoeksveld, druipend bovenkomen en op het droge je verhaal doen aan verwonderd toegestroomde toehoorders. Een concreet, tastbaar verhaal, waarvoor je alles wat je in huis hebt in de strijd moet gooien.

Letterlijk, in dit geval. Ik spreek niet alleen met experts en ervaringsdeskundigen. Het boek wordt een zoektocht naar mijn eigen microben, naar wie zij zijn, wat zij zeggen over mij. Naar hoe hen in de armen te sluiten (figuurlijk natuurlijk, maar dat begrijp je). Aan de hand daarvan wil ik het inzicht gaan overbrengen dat we samenleven met en afhankelijk zijn van triljoenen onzichtbare vrienden en vijanden. Een hernieuwde kennismaking met onszelf.

Mijn debuut dus, ook al voelt het een klein beetje als nummer twee. Op cynische dagen omschrijf ik mijn eerste als een doodgeboren kind. Eén avond rouwde ik erom, de dag voor ik mijn contract tekende. Ik nipte whiskey, tikte een afscheidsblog, liet alle zondagmiddagen in gedachten passeren waarop ik urenlang mijn hoofdpersoon interviewde of vanuit mijn zitzak alinea’s op mijn scherm perste.

Toch klopt die beschrijving niet. Dat verhaal is niet dood, hooguit in coma. Het is niet weggegooid, maar opzij geschoven. Ook als het uiteindelijk in het najaar van 2014, 25 jaar na de val van de Muur, niet verschijnt, is het niet voor niets geweest. Iedere kilometer die een schrijver aflegt, of ie nu recht op zijn doel af gaat of niet, brengt ervaringen en lessen. Het doet je jezelf leren kennen, je mogelijkheden en grenzen te zien, dichter te komen bij wat je kunt en wie je bent. Wie zichzelf weet te vinden als schrijver, zal slagen. Daar ben ik van overtuigd.

Deel dit bericht

Hoe ontstaan jullie personages, en zijn jullie wel eens verbaasd door de reacties van anderen?

‘Hoe ontstaan jullie personages, en zijn jullie wel eens verbaasd door de reacties van anderen op die personages?’ – Wytske Versteeg

Peter Zantingh

Ik zal beginnen met het tweede deel van Wytskes vraag: nee, ik geloof niet dat ik verbaasd ben geweest over hoe anderen op mijn personages hebben gereageerd. Of het moet zijn dat mensen mijn hoofdpersoon en mij door elkaar halen. Dat gebeurt, en dat is logisch, denk ik. Een uur en achttien minuten is geschreven in de ik-vorm en die ik, Johan, is een jongen die in West-Friesland opgroeide en naar Utrecht trok om daar te studeren.

Peter Zantingh deed dat ook.

Mijn personages voor dat boek zijn ontstaan tijdens het schrijven. Ik wilde Johan omringen met jongens die grotendeels hetzelfde zijn, omdat ze samen zijn opgegroeid, uit hetzelfde dorp komen, elkaar vaak zien, samen uitgaan, voetballen, elkaars stopwoordjes overnemen. Ze moesten de eerste tekenen vertonen van een meer eigen persoonlijkheid, omdat juist het ‘volwassen’ karakter ervoor zou zorgen dat ze langzaam uit elkaar groeien (en een van de vijf kan daar niet tegen, wil dat alles hetzelfde blijft).

Boek twee dan. Ik wilde het daarvoor anders doen. Toen ik voor boek één een ronde langs uitgeverijen maakte, zei een van de redacteuren die ik sprak dat het helpt om een paar duizend worden te schrijven over een personage. Woorden die niet in het boek hoeven terug te komen, maar bedoeld zijn om dat personage te leren kennen.

Dat deed ik voor Boris* en de andere personages uit Misschien op zolder**. Ik begon om zeven uur ‘s ochtends en tikte tot elf uur van alles op, alles wat ik vond passen bij het karakter van de mensen die ik verzonnen had – of eigenlijk op dat moment aan het verzinnen was. Waar groeide hij op, wie zijn zijn ouders, broers en zussen, waar ging hij naar school, waar heeft hij een hekel aan, wat doet hij het liefst? Wat doet hij op zijn brood, naar welke muziek luistert hij, kijkt hij naar sport?

Toen ik daarna aan het boek begon, merkte ik dat ik dat beeld hier en daar wilde aanpassen. Dat het net iets beter paste als hij niet in Amsterdam woonde, of iets ouder was, of niet jarig in maart. Dat sta ik mezelf toe. Soms pas ik het ook meteen aan in dat oorspronkelijke document, al vergeet ik dat regelmatig. Het belangrijkst is het beeld in mijn hoofd dat ik door het schrijven van die paar duizend woorden gekregen heb, zodat ik weet hoe hij op allerlei situaties zou reageren en wat hij in een dialoog zou zeggen.

* Dit is een werknaam.
** Dit is een werktitel.

Myrthe van der Meer

Wat mij het meest verraste bij PAAZ was hoe lezers op de hoofdpersoon reageerden. Om de een of andere reden kwamen onze interpretaties niet helemaal overeen. Dat is vooral gek, omdat ik zelf die hoofdpersoon was. Ik vond ‘Emma’ eerder een soort statief voor de wild rondzwiepende camera dan een volwaardig karakter dat zelfstandig het verhaal droeg, en waar ik de hoofdpersoon vooral een nogal muizig, onzichtbaar personage vond, bleek de lezer erg met haar mee te leven en haar onmisbaar te vinden als gids door de krochten van de psychiatrische roman.

Het verschil kan ik niet echt verklaren. Misschien zit het hem in het feit dat PAAZ autobiografisch is. Als je alles zelf al eens hebt meegemaakt, dan ben je tijdens het schrijven vooral bezig met hoe de anderen het beleefden. Ik ben voor mezelf oud nieuws, dus het blijft raar om dan van lezers te horen hoe zij niet alleen over mijn boek, maar ook over mijn eigen rol daarin denken.

Tegelijkertijd denk ik dat je als schrijver altijd wel verrast zult blijven door de reacties van de lezer. Zo heb ik PAAZ vooral geschreven om exact vast te leggen hoe zoiets voelt, een psychiatrische opname met alle levensvragen, stervenszaken en mensen die daarbij horen. Persoonlijk was ik heel blij met die opname (oké, vijf maanden was misschien een beetje aan de lange kant), maar ik krijg nog steeds e-mails van mensen over hoe geweldig het is dat er met PAAZ nu eindelijk een boek is over wat voor een mensonwaardig martelwerktuig de psychiatrie is voor patiënten.

Dus ja, dan ben ik wel even verbaasd.

Kalf, mijn volgende roman is in tegenstelling tot PAAZ fictie en dus wel verzonnen. De personages ontstonden daar eigenlijk heel logisch vanuit het verhaal zelf. Kalf begon heel simpel met de vraag: wat doe je als je exact weet hoe lang je nog te leven hebt? Namelijk kort?

Ik had geen idee, dus vroeg ik me af hoe een personage dat in een verhaal zou doen. Dat moest dan sowieso een ouder personage zijn, vond ik, want die heeft meer om op terug te kijken – oud zeer en vervlogen dromen doen het altijd goed in de moderne literatuur – en dan het liefst een personage dat alles bereikt heeft waar hij voor gewerkt heeft, om er dan achter te komen dat het enige wat hij echt wilde in de weg daarnaartoe verloren is. Zo ontstond Onno, en ik hield meteen hartstochtelijk veel van hem. Maar als hij dat hele verleden met zich meezeulde, dan moest hij dat ook tegen iemand kunnen vertellen – beter nog, voor iemand geheim kunnen houden: zo ontstond hoofdpersoon twee, zijn kleinzoon Jurgen. Ik vind ze geweldig – maar uiteindelijk besluit iedere lezer voor zich wat hij van een boek of de personages vindt.

Als alles goed gaat ligt Kalf deze herfst in de winkel. Met dus niet één hoofdpersoon, maar twee.

Double trouble dus. Ik ben benieuwd naar wat voor reacties dat deze keer oplevert…

Deniz Kuypers

De hoofdfiguren in mijn debuutroman, Dagen zonder Dulci, leerde ik al schrijvend kennen. Zo gaat dat bij mij: ik begin met een beeld of gevoel, en bouw de rest van de roman daar omheen. Personages en verhalen komen dus tegelijkertijd tot stand, wat soms problemen oplevert. Een personage mag aan het eind van het boek namelijk niet hetzelfde zijn als aan het begin, dus wat doe je als je aan het begin nog niet weet met wat voor personages je te maken hebt?

Mijn oplossing: schrijven tot je het wel weet. Voor mijn debuut heb ik in totaal 200,000 woorden geschreven, terwijl het uiteindelijke boek maar 50,000 woorden telde. Inmiddels ben ik met een nieuwe roman bezig. Eerst maakte ik een ‘beginnetje’ van 80,000 woorden, waarvan er inmiddels nog maar krap 20,000 zijn overgebleven. Dit is een tijdrovende manier van schrijven. (Zeg gerust: gekkenwerk.) Het liefst zou ik een verhaal in een keer op papier zetten, om er vervolgens aan te schaven. Maar hoe kun je een verhaal een logisch besluit geven zonder je personages helemaal te kennen?

Er wordt gezegd dat het begin en het eind van een verhaal het moeilijkst zijn. Het eind, dat ondervond ik vooral bij het schrijven van Dulci. Het begin, dat ondervind ik met mijn tweede boek. Nu ik mijn hoofdfiguur duidelijk voor ogen heb, moet ik een balans vinden tussen hem voor de lezer tot leven brengen en het verhaal in gang zetten, zonder dat het boek te vertellerig wordt (teveel karakteropbouw) of de hoofdfiguur te schetsmatig (teveel plot).

Ben ik weleens verbaasd door de reacties van anderen op mijn personages? De vader in Dulci (een bijfiguur) had ik me sympathieker voorgesteld dan wat veel lezers van hem vinden. Maar uiteindelijk past dat ook wel bij het boek. Dulci gaat deels over de verhalen die we elkaar en onszelf vertellen, en de manier waarop we ons presenteren aan de wereld om ons heen. Ik weet dingen over de vader die hij verkoos niet in het boek te laten zien, en dat heeft klaarblijkelijk gevolgen voor hem gehad.

Toen mijn debuut uitkwam, was ik vooral bang dat de hoofdfiguur – een zeventienjarig meisje – niet geloofwaardig genoeg zou zijn voor vrouwelijke lezers. Gelukkig is dat geen probleem gebleken. Mijn nieuwe boek heeft een man van mijn leeftijd in de hoofdrol, maar dat maakt me niet minder nerveus. Alleen maakt dat nu nog niet uit, we staan pas aan het begin van onze reis, en ik heb een goed idee waar we zullen belanden.

Dennis Rijnvis

Bij mijn laatste boek onstonden de personages vooral door het verhaal dat ik componeerde. Savelsbos was erg plotgedreven. Ik wist vanaf het begin dat vijf jongeren de hoofdrol zouden spelen, maar hun karakters veranderde aan de hand van de wendingen in het verhaal die ik bedacht.

Wel zijn de personages gebaseerd op een vriendengroep die ik ooit had. Veel mensen herkenden daardoor iets van zichzelf in het verhaal, maar dat kan ook te maken hebben met het feit dat hun namen leken op de namen van de jongens in het boek. De hoofdpersoon van het boek is in zekere zin op mezelf gebaseerd, al is het een erg in zichzelf gekeerde versie van mij. Grappig genoeg waren de reacties op dit personage inderdaad heel verschillend. Sommige mensen zeggen erg mee te leven met Daniël, het hoofdpersonage, anderen vinden hem laf en hypocriet. Dat mensen totaal tegengestelde meningen over eenzelfde personage of boek kunnen hebben, is iets dat ik sowieso heb geleerd van de publicatie van Savelsbos. In zekere zin is het geruststellend. Je kunt nooit dat een boek schrijven met personages en plotwendingen die iedereen bevallen. Je kunt dus maar beter gewoon naar jezelf luisteren.

Wytske Versteeg

Vroeger hadden wij een cassettebandje met daarop een Nederlandse musical over Tsjechov, waar we vaak naar luisterden in de auto. Op één van die liedjes sprak Tsjechov, bij monde van Robert Long, geloof ik: ‘ik heb mijn personages veel ontnomen. Maar ik heb ze altijd de hoop laten houden.’ (Dezelfde musical bevatte zelfs een liedje met schrijftips zodat ik mezelf nu, ruim twintig jaar later, nog zo af en toe kan afvragen: ‘wat deel ik mee, wat wil ik zeggen, waarom draait wat ik vertel in het bijzonder?’)

Ik denk vaak aan dat zinnetje over hoop, want meestal vinden anderen mijn personages killer en onaardiger dan ik. Misschien is mijn blik gewoon vertekend omdat ik die personages zelf bedacht heb, zoals ouders soms hoog opgeven over hun verwende kind, aan wie ieder ander een hekel heeft. Waar je een ouder in zo’n geval zelden corrigeert, althans niet als je een min of meer vriendschappelijke relatie wilt behouden, zijn de sociale regels met betrekking tot fictieve personages een stuk minder duidelijk, en dus ben ik geregeld verbaasd als er weer eens iemand opmerkt hoe hij of zij zich heeft geërgerd aan het gedrag van het een of andere karakter. Verbaasd en jawel, soms – net als zo’n vreselijke ouder- zelfs een klein beetje gekwetst.

Want al die personages komen toch uit mijn hoofd, en om ze te kunnen schrijven moet ik wel in hen geloven, en ze een plausibele reden geven om zich zo te gedragen als ze doen Misschien is het ook het bedenken van personages een soort opvoeden; je geeft ze woorden tot ze zich bijna uit zichzelf gaan bewegen, je brengt ze tot leven tot ze plotseling dingen gaan doen die je niet vooraf voor ze had bedacht.

Deel dit bericht

In hoeverre bedenken jullie het plot van een boek voordat jullie gaan schrijven?

‘In hoeverre bedenken jullie het plot van een boek voordat jullie gaan schrijven? En hoe gaat dit in zijn werk? Maak je schema’s, heb je alles in je hoofd zitten? Of komen alle plotwendingen pas op tijdens het schrijven?’ – Dennis Rijnvis

Murat Isik

Voordat ik aan mijn debuut Verloren grond begon, werd ik door mijn literair agent Willem Bisseling gevraagd een synopsis te schrijven. Dat was nodig voor het aanbieden van mijn manuscirpt (in wording) aan uitgeverijen. Ik werd daardoor in een vroeg stadium gedwongen heel goed na te denken over het verhaal en de personages. Eerst heb ik wekenlang op het verhaal gebroed, tot ik het plotseling had. Hoog boven de Atlantische Oceaan tijdens de vlucht van San Francisco naar Amsterdam viel alles op zijn plek. Ik had mijn verhaal te pakken! Als een bezetene werkte ik het verhaal uit op mijn krappe uitklaptafeltje terwijl vrijwel alle andere passagiers sliepen. Eenmaal thuis ging ik gretig aan de slag. En op momenten dat het even iets minder wilde vlotten, bleek de synopsis een handiger middel dan ik van tevoren had verwacht.

Hoewel ik het verhaal van begin tot eind in mijn hoofd had (wat ik overigens erg kan aanbevelen als werkwijze), heb ik de synopsis er tijdens het schrijven meerdere mailen bijgepakt, gewoon om wat bij te sturen of vooruit te blikken naar het volgende hoofdstuk. Ik werk dus niet met schema’s of grote vellen aan de muur, maar weet wel van tevoren welk verhaal ik wil vertellen. Ik ken mijn eindbestemming. En dat is belangrijk, althans, voor mij.

Er zijn ook schrijvers die gewoon van start gaan en onderweg wel zien waar hun eindbestemming ligt. Ik moet zeggen dat ik dat alleen doe bij korte verhalen. Voor het Cappuccino Schrijvershuis mocht ik een kort verhaal schrijven op de werkplek van Thomas Rosenboom. Hij heeft van zijn uitgeverij de zolderkamer in hun statige grachtenpand ter beschikking gekregen. Daar, op die plek, werkt hij aan zijn romans. Toen ik zijn werkkamer betrad, viel het me meteen op dat Rosenboom de schuine wand boven zijn bureau gebruikt voor schema’s en aantekeningen. Ieder hoofdstuk van zijn laatste roman had hij schematisch uitgewerkt. Benieuwd hoe dat eruit zag? De NCRV filmde mijn bezoek aan Rosenbooms werkplek voor de website van radio Cappuccino. Het filmpje is via deze link terug te kijken: http://www.youtube.com/watch?v=FN50Rt7MZWs.
Het korte verhaal dat ik er schreef, las ik voor op de radio. Dat fragment is hier te beluisteren:
http://m.radio1.nl/mobiel-radio2/gemist/fragment/99478

Voor mijn nieuwe roman, die zich afspeelt in de Bijlmer, heb ik vorig jaar een korte synopsis geschreven, vlak voordat ik er een contact voor tekende bij Anthos. In tegenstelling tot Verloren grond had ik het verhaal voor mijn tweede roman op dat moment minder helder voor ogen. Natuurlijk, ik zag de grote lijnen, wist wat de grote ontwikkelingen zouden worden, maar had toen nog niet helemaal grip op het verhaal. Pas een half jaar later begon ik te schrijven aan mijn tweede roman. In de tussentijd maakte ik aantekeningen op mijn iPhone. Ik legde zinnen vast die me te binnen schoten, of losse trefwoorden waar ik later nog iets mee moest. Maar het echte werk vond ondertussen plaats in mijn hoofd: tijdens de optredens en voordrachten voor Verloren grond door broedde ik op roman II. Toen ik daadwerkelijk begon met schrijven, begin dit jaar, merkte ik dat het verhaal zich had doorontwikkeld. Er waren nieuwe en belangrijke personages in beeld gekomen en er hadden zich wendingen in het verhaal aangediend die ik een half jaar eerder nog niet had voorzien en die dus niet in de synopsis staan. Inmiddels heb ik al ruim 40.000 woorden geschreven, maar toch ga ik binnenkort de originele synopsis aanpassen en de nieuwe personages en wendingen er een plaats in geven. Want ik weet nu al, als ik straks vastloop, kan die synopsis mij weer op de rails duwen.

Wytske Versteeg

Soms ben ik jaloers op schrijvers die een boek vooraf al helemaal hebben uitgedacht; het moet namelijk een hele hoop tijd en moeite schelen. Zelf weet ik vooraf alleen in grote lijnen waar mijn boek naar toe gaat, en dat kan wel eens problemen opleveren naarmate ik verder kom in mijn verhaal. Ik kan wel bedacht hebben dat iets op deze of die manier moet gebeuren, maar hoe pas ik dat nog in als het boek inmiddels van vorm is veranderd?
Dat wordt dus puzzelen en dat zorgt weer voor bizarre brainstorms. In mijn nieuwe boek Boy sterft één van de personages – maar hoe kreeg ik hem nu toch dood op een manier die zou kloppen met de rest van het boek? (Opgelost, inmiddels, maar de mensen aan tafeltjes naast je kijken toch wat vreemd op wanneer ze dat soort vragen horen).

Ondanks zulke onhandige momenten kan ik me niet voorstellen dat ik ooit met een schema zal werken. Het lijkt me namelijk vreselijk saai; waarom zou je een boek nog schrijven als je er zelf niets nieuws meer in ontdekken kunt? Hoewel uiteindelijk altijd de schrijver het laatste woord heeft, blijken personages vaak andere mensen te zijn dan ik vooraf zou kunnen bedenken – en soms weigeren ze iets te doen omdat het domweg helemaal niet bij hen past. Het lijkt me heel vervelend om dat soort onvoorspelbare zaken in een schema te moeten dwingen.
Het enige dat ik echt nodig heb om te beginnen is een personage dat me blijkbaar iets te vertellen heeft, al weet ik vooraf nog lang niet altijd wat dat precies zal zijn. Heb ik eenmaal zo’n sprekend personage, dan volgt de rest – nu ja, natuurlijk niet vanzelf – maar toch een stuk gemakkelijker dan als ik zelf een plot zou moeten uitdenken. Schrijven moet zo ongeveer het enige beroep zijn waarbij het horen van stemmen iets heel positiefs is.

Peter Zantingh

Wat ik in ieder geval moet hebben, is de gebeurtenis die aan het begin plaatsvindt en het verhaal op gang brengt. Ik weet dat ik op de eerste pagina’s het leven van mijn ik-persoon overhoop moet gooien, zodat hij gedurende de rest van het boek probeert de balans te herstellen.

Bij beide boeken had ik die begingebeurtenis (de Engelstaligen noemen dat een inciting incident) en wist ik hoe mijn protagonist erop zou reageren. Als ik dat heb, kan ik gaan schrijven. Als ik vervolgens de eerste paar duizend woorden op papier heb gezet, merk ik dat er vanzelf een logisch schema is dat zich opdringt.

Voor mijn debuut legde ik dat strak vast: alles moest zich binnen zes dagen (van dood tot begrafenis) afspelen, dus ik had zes hoofdstukken waarin alles wat ik wilde vertellen moest passen. Al erg snel wist ik dat ik het zo wilde doen. Ik schreef na het begin eerst het einde, daarna pas het tussenstuk. Dat hielp om te weten waar ik op uit wilde komen. De strakke afbakening zorgde ervoor dat de rest zich redelijk vanzelfsprekend in goede banen liet leiden.

(Daar moet bij gezegd dat mijn boeken niet op plot drijven – Een uur en achttien minuten is wel omschreven als ‘min of meer plotloos’. Ik hoop de lezer te raken met stijl en sfeer, met wat er juist niet in het zicht gebeurt, en ben daarom minder dan bijvoorbeeld een thrillerschrijver bezig met het plot.)

Bij mijn tweede roman – ik ben er nog druk mee bezig, maar je kunt hier al een heel klein stukje lezen – heb ik ook een schema verzonnen nadat ik het begin van het boek geschreven had, maar dat schema is later vaak weer omgegooid. Nog steeds ligt niet vast wat wanneer moet gebeuren, binnen welke tijdsspanne het verhaal zich moet afspelen of wat een logische indeling in hoofdstukken zou zijn. Ik maak wel schema’s, werk ze ook uit op papier of digitaal, maar meer dan eens heb ik ze later weer ingeruild voor een nieuw schema.

Eigenlijk is een schema uitdenken hetzelfde als het schrijven zelf: elke volgende versie ontstaat uit de vorige, maar is hopelijk beter omdat je geleerd hebt van de dingen die niet goed genoeg waren.

Myrthe van der Meer

Voor PAAZ heb ik nooit een schema gebruikt. Ik schreef alle hoofdstukken kriskras door elkaar om ze pas tegen het einde op de chronologische volgorde te zetten. Niet alleen omdat het een waargebeurd verhaal was en alles me nog levendig in het geheugen gegrift stond, maar ook omdat ik op die manier de vaart erin hield: elk hoofdstuk is in feite een soort column, een miniverhaaltje an sich met zijn eigen plot en spanningsboog. Door pas tegen het eind van het schrijfproces de hoofdstukken op de juiste volgorde te zetten en ze met bruggetjes onderling te verbinden, voorkwam ik dat die bruggetjes te veel tijd en ruimte op zouden slokken.

Het is misschien wel het bekendste schrijversprobleem: hoe krijg ik mijn personage van A naar B? En hoe geef je aan waar A en B zijn? In A gebeurt iets spannends, in B ook, maar als ik dat verhaal chronologisch zou beschrijven, dan zou ik persoonlijk al snel stranden in alle manieren om van A naar B te komen (bus? Trein? Fiets?) . Dus schrijf ik niet chronologisch, maar gewoon ‘stukjes’: bijvoorbeeld eerst situatie B, een ontmoeting in een bar, dan A, en dan blijkt dat je hoofdstuk B gewoon kunt beginnen met: ‘Toen hij de kroeg binnenstapte, schudde hij zijn jas uit. Het was de hele dag droog geweest maar toen hij uit de bus stapte brak er een hoosbui uit die hem doorweekt tot op het bot achterliet. De barman knikte nors naar de kapstok. Aan de bar, met de rug naar hem toe, zat de vrouw.’

Dan voegt het bruggetje nog zeker wat toe (sfeer), maar loop ik niet het risico te verdwalen in eindeloze lappen tekst over de OV-chipkaart, het openbaar vervoer in Nederland, de staat van het wegennet en alles wat maar tussen A en B kan liggen. Want in praktijk is dat – zelfs in Nederland – de hele wereld.

Met Kalf, mijn volgende boek, heb ik eigenlijk hetzelfde gedaan: het idee ontstond toen ik in een piepklein vliegtuigje zat en zeker wist dat we ieder moment neer konden storten. Ik wist dat ik mezelf op de een of andere manier af moest leiden (ik was op vakantie en het moest leuk zijn) en dus besloot ik een antwoord te zoeken op de vraag die me al een tijdje bezig hield: wat doe je als je precies weet hoe lang je nog te leven hebt? En wat als je dan helemaal niet zo’n menslievend karakter hebt, maar een arrogant stuk vreten bent en nog maar één familielid hebt om hiermee lastig te vallen?

Zo ontstond Onno, en met hem zijn veelgeplaagde kleinzoon Jurgen. En dat dynamische duo was meteen zo dynamisch dat welke situatie ik ook bedacht, ze daar meteen op hun eigen manier invulling aan gaven. De plot was er dus al, de personages reden al rond in mijn hoofd en dat leverde al snel een lange lijst op aan situaties op plus hun reacties daarop, en die ben ik weer kriskras door elkaar gaan uitwerken.

En de bruggetjes tussen A en B? Zoals mijn uitgeefster het afgelopen week het zei: ‘Weer te lang. ‘
Ach ja. Je kunt niet alles hebben.

Deniz Kuypers

Ik geloof dat er twee soorten schrijvers zijn: de een denkt een boek van tevoren helemaal uit, de ander begint met schrijven en ziet wel waar hij op uitkomt. Tot voor kort viel ik in die laatste categorie. Het oorspronkelijke idee voor mijn debuut, Dagen zonder Dulci, bestond uit een beeld van twee zussen die op bed lagen en op een vreemde manier langs elkaar heen praatten. Ik moest de rest van het boek schrijven om erachter te komen wat er precies met ze aan de hand was. Voor het boek waar ik nu aan werk heb ik voor het eerst in mijn leven een schema gemaakt, dat ik heel hoopvol aan de muur boven mijn bureau heb geplakt. Ik zeg ‘hoopvol’, omdat ik bij het ophangen het rare idee had dat een schema het schrijven makkelijker zou maken. Waarom niet? Ik weet immers wat er gaat gebeuren, het enige wat ik nog moet doen is het opschrijven.

Om heel eerlijk te zeggen begon ik twee jaar geleden al aan dit boek. Toen ik vorig jaar een contract tekende met Anthos, kreeg Dulci voorrang en zette ik dat andere boek tijdelijk opzij. Hierdoor kreeg ik genoeg tijd en afstand om goed na te denken over waar ik eigenlijk met mijn nieuwe boek naartoe wilde. Ik had 80,000 woorden en een handvol personages, maar er was geen samenhangend verhaal. Net als bij Dulci had ik de hoop dat de puzzelstukjes uiteindelijk op magische wijze wel in elkaar zouden vallen.

Inmiddels ben ik alweer zes weken lang dagelijks bezig met mijn nieuwe boek. Wat ik heb geleerd is dat het schema het schrijven totaal niet bevordert. Integendeel, ik moet mezelf echt dwingen de tijd te nemen om elke scène goed uit te werken en me niet alleen zorgen te maken over hoe ik zo snel mogelijk bij de volgende plotwending beland. Ik heb soms trouwens het idee dat ‘plot’ een beetje een vies woord is in de literatuur. Ik begrijp ook wel waarom. Je moet namelijk oppassen dat plot geen plaatsvervanger wordt voor geloofwaardige personages. Gelukkig heb ik eindelijk een goede balans gevonden met mijn nieuwe boek.

Het beste wat het schema voor mij doet, is dat het me een soort deadline geeft. Ik ken mijn personages en ik weet in welke situaties ze gaan belanden. Ik weet dus wanneer ik wel en niet ergens over moet uitweiden. Dat houdt de roman een beetje binnen de perken. Maar ik had dit niet kunnen doen zonder eerst twee jaar lang zorgeloos, richtingloos in het donker rond te tasten.

Deel dit bericht

Gastblog: Shira Keller

Ik had net een opleiding van vier jaar aan de toneelschool afgerond, toen ik ontdekte dat ik er geen zin meer in had – niet zozeer niet in theater, maar in mensen. Ik was amper vierentwintig en het enige waar ik naar verlangde was rust, iets wat ik tot dan toe alleen met te oud geworden bejaarden geassocieerd had. Toen mij een zoveelste keer werd gevraagd waar ik mee bezig was (een vraag waaraan ik panisch probeerde onderuit te komen, omdat het antwoord, ‘even niks’, me woest maakte), kwam het voor het eerst over mijn lippen: ‘Ik schrijf een boek.’

Ik pakte mijn spullen en vertrok naar een bergdorp in de Zwitserse Alpen, waar ik niemand kende, waar niemand me zou vragen waar ik mee bezig was, en waar niets of niemand me zou afleiden van mijn nieuwe doel: ik zou een boek schrijven. Wisten die bergbewoners veel, dat ik geen uitgever had, geen idee of ik überhaupt het talent bezat, en dat ik – maar dat probeerde ik te verdringen – de kans dat er werkelijk een boek zou komen nihil achtte.

Omdat er weleens Nederlandse skitoeristen in het dorpje kwamen, was men blij met een Nederlands meisje achter de kassa van de skilift. Al gauw was ik zo bedreven in het uitdraaien van dagkaarten, halve dagkaarten en weekkaarten dat ik het mijn gedachten er niet bij nodig had en tussen de verkopen door in een notitieboekje op mijn schoot aan mijn geheime missie werkte. Dat ging een tijdje goed. Er ontstonden personages, er ontstond een zweem van een verhaal, en er ontstond zelfs een klein glimpje hoop dat de krabbels in mijn boekje wellicht ooit werkelijk een boek zouden kunnen worden. En toen sloeg het weer om.

Het was min twintig, er hing een dikke mist over het dorp, het toeristenseizoen was voorbij en de hoop zonk me in de schoenen. Op een middag, de zoveelste waarop nog geen enkele verdwaalde klant mijn kassahokje had opgezocht, schreef ik in een van mijn talrijke melodramatische buien, het volgende in mijn notitieboekje:

“Hoe de liftjes zwalkend langs me heen glijden met een stoïcijnse onverschilligheid, hoe de witte bergvloer als een stijf bevroren oceaan me koppig onbeweeglijk toegrijnst, hoe miljoenen babyvlokjes voor het venster hun speelkwartier vieren – het is exact vijf uren en vierendertig minuten geleden dat ik begonnen ben het gade te slaan. Was er ook maar een minieme, haast onmerkbare verandering opgetreden, dan was ik van mijn stoel opgesprongen, had een vreugdedans gemaakt, was met een onverzadigbaar gevoel van dankbaarheid weer gaan zitten en had de rest van de dag een gelukzalige glimlach op mijn gezicht gehad. Daar dat niet het geval is geweest ben ik thans strontchagrijnig. Wat betreft dat boek: dat komt er nooit.”

En toen, het kan ook een paar dagen later geweest zijn, kwam er vanuit de mist een verschijning mijn kant op gegleden. Het was net zo ongeloofwaardig als het klinkt. Het was een vrouw. Ze stapte met haar ski’s het tapijt voor mijn hokje op en vroeg om een halve dagkaart. Ik hoorde aan haar uitspraak dat ze Nederlands was.

‘Dat is dan tweeëndertig frank.’

Het gezicht van de vrouw brak open. ‘Ben jij Nederlands?’

Dat vroegen ze allemaal, al leek het me evident. Ik glimlachte, knikte, gaf haar het kaartje en bereidde me voor op weer een paar uren stilte. Maar de vrouw bleef staan.

‘Wat doe je hier?’ vroeg ze.

Ze nam geen genoegen met mijn standaard antwoord, en leek haar interesse in het kaartje vergeten te zijn. Voor het eerst sinds een half jaar sprak ik met iemand over mijn opleiding, mijn verlangen naar rust, mijn belachelijke inval een boek te schrijven en het diepe gevoel van mislukking dat mij de afgelopen weken in het kassahokje was aangevlogen. Ze luisterde, ze vroeg door, en toen ik voelde dat ik elk moment in huilen uit kon barsten, zei ze: ‘Schrijf dat boek. Ik weet dat je het kan. Echt. Ik zie dat.’

En toen pakte ze haar kaartje op, knikte me toe, stapte van het tapijt af, ging door het draaideurtje, en zag ik haar in het liftje in de mist verdwijnen. De volgende dag bracht ze me een stapel Hollandse tijdschriften, die ik in mijn hokje verslond als een ondervoede een stuk brood.

P.S. In de zomer was mijn manuscript af. Ik stuurde het naar tien uitgeverijen. Een week nadat ik het opgestuurd had ontving ik een email waarin een redacteur me liet weten interesse te hebben. Nog een week later werd ik twee keer opgebeld door de redacteurs van twee andere uitgeverijen die me uitnodigden voor een gesprek. Een maand later nam ik het vliegtuig naar Nederland en tekende ik een contract.

Deel dit bericht