Hoe zijn jullie boeken aan hun omslag gekomen?

‘”Never judge a book by its cover”‘ wordt vaak over boek omslagen gezegd. Maar toch zit dat ding eromheen. Hoe zijn jullie boeken aan hun omslag gekomen?’ – Myrthe van der Meer

Dennis Rijnvis

Een paar weken geleden kreeg ik een vreemd bericht over de omslag van mijn boek Savelsbos. Een meisje uit Spanje dat ik tijdens een studieverblijf in Edinburgh had ontmoet, benaderde me op Facebook. Ze schreef: ‘Je boek is gekopieerd. Hier in Spanje ligt een boek met precies dezelfde omslag als Savelsbos in de winkel. Het heet El guardian Invisible.’

Eén zoekopdracht leerde me dat ze gelijk had. De thriller van schrijfster Dolores Redondo ziet er aan de buitenkant precies hetzelfde uit als Savelsbos. Het verhaal is gelukkig totaal niet vergelijkbaar met mijn boek, het gaat over een serie rituele moorden die wordt gepleegd in een bos.

Uiteraard is het niet zo dat de omslagontwerper in Spanje puur toevallig op hetzelfde idee kwam als mijn ontwerper. Veel bedrijven die boekomslagen ontwerpen verkopen deze beelden wereldwijd. Soms gebeurt het dat één omslag voor verschillende boeken wordt gebruikt. Zo lang die boeken niet in hetzelfde land verschijnen, is er geen probleem. Maar als El Guardian Invisible wordt vertaald naar het Nederlands, zal het in Nederland uiteraard een andere omslag krijgen.

Ik heb er persoonlijk geen probleem mee dat Savelsbos in Spanje een ‘zusterboek’ heeft. De uitgever wist het ook van te voren. Allebei vonden we de hand die zich probeert vast te klampen aan een met mos begroeide ondergrond een te toepasselijk beeld om te laten schieten. Iets in die compositie doet namelijk denken aan een belangrijke scene in Savelsbos.

Overigens hadden we eerst een andere optie voor de omslag, deze. Maar die werd uiteindelijk toch als ‘te jong’ afgeschreven.

Wytske Versteeg

Er bestaat een bedrijf in neuro-economics (dat soort dingen klinken altijd beter in het Engels), dat samen met De Arbeiderspers en A.W.Bruna per genre heeft bekeken welke omslag de consument aanzet tot kopen. Dat onderzoek vond plaats door middel van MRI-scans, en het bedrijf voorspelt triomfantelijk dat voor het eerst in de geschiedenis van de drukkunst, uitgevers, auteurs en ontwerpers samen kunnen werken om een omslag te ontwerpen die direct leidt tot hogere verkoopresultaten.

Ik heb geen idee van de wetenschappelijke of praktische waarde van die studie, maar zeker is wel dat de omslag een belangrijke rol speelt in het succes van je boek. Want als het omslagontwerp niet aantrekkelijk, inspirerend of anderszins uitnodigend is, wordt je boek – letterlijk – niet opgepakt. Maar waar die X-factor in zit, weet niemand precies (nu ja, ik ken de uitkomst van die hersenscans natuurlijk niet). Dat betekent dat de keuze voor een omslag een precaire zaak is, waar niet alleen de schrijver, maar ook de uitgeverij, in het bijzonder de afdeling verkoop en soms ook de grote boekenketens het één en ander over te zeggen hebben.

Toen ik het eerste omslagontwerp zag voor De Wezenlozen, schrok ik me dood. De ontwerpers hadden het manuscript niet kunnen lezen en het resultaat was een ontwerp dat ver af stond van de sfeer van mijn boek. Sterker nog, als het boek zo’n omslag zou krijgen, zou ik genoodzaakt zijn om mijn eigen exemplaar te kaften.

In de tweede ronde volgde het huidige ontwerp, een meisje in een wolvenpak dat dromerig naar de lezer staart. Om eerlijk te zijn had ook deze foto niet mijn eerste voorkeur. Maar mijn smaak is niet representatief, en dus schik ik me blijmoedig – goed, binnen bepaalde grenzen – naar de mensen die het beter weten, met of zonder hersenscan. En terecht, want ik krijg heel veel complimenten over het omslag. Een kwestie van loslaten dus, zo’n omslagontwerp. En met de cover van mijn tweede roman ben ik daadwerkelijk gelukkig.

p.s. Een verzameling prachtige omslagen vind je hier.

Peter Zantingh

Toen ik mijn boek aan het schrijven was, had ik steeds al een beeld in mijn hoofd van hoe het omslag eruit zou gaan zien. Dat was een rustig, verstild beeld, zoals dat van Boven is het stil van Gerbrand Bakker. De dood, zwijgen, West-Friesland; ja, het moest zoiets worden.

Af en toe zag ik een omslag dat ik mooi vond, en dan maakte ik er een foto van. Ik heb ze er weer even bij gezocht: dit omslag van Alejandro Zambra vond ik mooi, dit van Jens Christian Grøndahl en dit van Edgar Hilsenrath. Allemaal omslagen waarop een mooie foto veel ruimte laat voor de auteursnaam en de titel, omdat er niet veel op gebeurt, maar wel een sterk beeld is.

De uitgeverij zette de opdracht voor een omslag vervolgens uit bij een van de ontwerpers waar ze mee samenwerken. Toen die met een eerste voorstel kwam, was dat anders dan ik me al die tijd voorgesteld had. Maar ik vond het wel erg mooi. Het was vlot, aantrekkelijk.

Dat eerste voorstel zag er zo uit.

Mijn redacteur legde uit wat de gedachte erachter was:

“Het idee is het Noordhollandse landschap te laten weerspiegelen door een pilotenbril. Je vat daarmee een aantal belangrijke aspecten van de roman in een iconisch, memorabel en poëtisch beeld: jeugd, de droom van Joey om piloot te worden en tegelijkertijd de omgeving waarvan hij niet kan loskomen. Een zonnebril staat ook voor buitenkant, een coole facade waarachter leegte of verdriet schuil kan gaan.”

Het beviel me meteen. Hoewel – niet helemaal. Een paar dingen vond ik nog niet zo mooi: de groene achtergrondkleur en de kleur en het lettertype van mijn naam. Ik mailde het door naar een paar vrienden die veel ontwerpen en die kwamen met ongeveer dezelfde opmerkingen.

Ik mailde de opmerkingen terug naar de uitgeverij. Twee dagen later kwam het tweede voorstel al, en daarmee was het rond. Het was het omslag dat uiteindelijk in de winkel kwam te liggen.

Murat Isik

Ik heb vaak gelezen dat schrijvers niets te zeggen hebben over het omslag van hun boek. Volgens mij is dat zelfs formeel vastgelegd in het standaardcontract dat auteurs in Nederland ondertekenen. Dat heeft mij altijd verbaasd, omdat het omslag het gezicht is van het geesteskind van een schrijver. Maar ik vermoedde al dat de waarheid genuanceerder lag.

 Na de zomer van 2011 kreeg ik een mail van mijn redacteur met de vraag wat mijn ideeën waren voor het omslag van Verloren grond. Ik had die vraag verwacht en had daarom al langer nagedacht over mogelijke omslagen.

Jarenlang heb ik niet alleen de – overigens prachtige – aanbiedingsfolders van Ambo|Anthos nauwkeurig bestudeerd, maar heb ik ook de omslagen op de leestafels goed in me opgenomen en bijgehouden wie de vormgevers waren.

Al vrij snel wist ik dat een kleine jongen de cover van mijn roman moest sieren. De hoofdpersoon in Verloren grond is een jongen van dertien jaar (in het begin is hij iets jonger). Daarnaast wilde ik een beeld waarop land/gras en de lucht te zien is. Als vormgever had ik Marry van Baar in gedachten. Zij is heel goed in het vinden van passend beeldmateriaal bij het verhaal en werkt vaak voor Anthos.

Ik mailde mijn ideeën naar mijn redacteur en zei dat ik Van Baar in gedachten had als vormgeefster. Mijn redacteur ging akkoord en mailde Van Baar mijn ideeën door. Een paar weken later nodigde mijn redacteur me uit bij de uitgeverij om de ontwerpen door te nemen. Op haar tafel lagen vier ontwerpen voor het omslag van mijn roman. In een enkele opslag wist ik welk omslag ik wilde hebben. Hij lichtte als het ware op. Zo’n beeld had ik in gedachten: een kleine jongen lopend door het hoge gras met de opkomende zon achter hem. ‘Dit ontwerp vind ik prachtig,’ zei ik meteen tegen mijn redacteur.

De volgende dag belde mijn redacteur dat de uitgeverij toch de voorkeur gaf aan een ander ontwerp, een waarbij een andere jongen op de rug wordt gezien terwijl hij naar een tarweveld staart. Boven hem hangen donkere wolken. Ik schrok, want ik was verliefd op het omslag met de kleine jongen en de opkomende zon en kon me niet meer voorstellen dat mijn boek een ander omslag zou krijgen. Ik noemde allemaal argumenten waarom we toch voor ‘mijn ontwerp’ moesten kiezen en zei dat ik geen somber maar juist sprankelend omslag wilde hebben omdat het verhaal al best heftig is.

Nu moet ik zeggen dat ik begrijp dat een uitgeverij een doorslaggevende stem heeft bij het kiezen van het omslag. Zij steekt er immers veel geld in en wil die investering terugverdienen. Dan kun je natuurlijk niet kiezen voor een ‘duister’ of afstotelijk omslag alleen omdat de auteur dat wil. Bovendien lopen er bij de uitgeverij veel mensen rond met verstand van omslagen. Het is hun vak.

Tot mijn opluchting had mijn uitgeverij oor voor mijn argumenten en kreeg mijn roman toch het omslag waar ik meteen verliefd op was geworden.

Deniz Kuypers

Vorig jaar, nadat ik het contract voor Dagen zonder Dulci had getekend, zat ik met Murat Isik in een kroeg in Amsterdam. Hij vroeg of ik ideeën had voor het omslag. Die had ik niet, alleen half-gevormde beelden die met de thema’s van het boek te maken hadden. Ik wilde iets wat Amerikaans aandeed (het boek speelt zich af in Noord-Californië), iets met leegte (tsja, hoe zet je dat op een cover?) en kraaien (wie het boek leest, zal begrijpen waarom).

Thuis zocht ik voorbeelden op van omslagen die ik mooi vond. De mysterieuze sfeer die de covers van Shadow Tag van Louise Erdrich of Drood van Dan Simmons opriepen, pasten goed bij mijn verhaal over een spoorloos verdwenen zus. De voorkant van Housekeeping van Marilynne Robinson had iets mysterieus en eenzaams. Pulphead vond ik juist weer dromerig, en ook dat was een steekwoord voor mijn roman.

Enthousiast e-mailde ik deze ideeën en voorbeelden naar mijn redacteur en wachtte vol spanning op antwoord. Een paar weken later kreeg ik het omslag toegemaild. Het was nog vroeg in de ochtend, ik zag dat ik een bericht had op mijn telefoon, klikte het aan – en mijn hart zonk in mijn schoenen. Dit leek totaal niet op wat ik wilde. Goed, het omslag was wel degelijk mysterieus, maar het was jeugdig en uitnodigend in plaats van koud en leeg. Gelijk stuurde ik Anthos mijn kritiek.

De hele ochtend bleef ik naar het piepkleine beeld op mijn iPhone staren. Eigenlijk vond ik de kleuren wel mooi. En de manier waarop het meisje op het omslag half opging in een soort mist was treffend. Haar ogen waren nog net zichtbaar achter de titel; oftewel, woorden brachten haar terug uit de mist. Ook dat was mooi gedaan.

Toen ik het omslag eindelijk op mijn computerscherm tevoorschijn toverde, was ik verkocht. Waarom had ik in eerste instantie iets kouds en leegs gewild? De cover is toch het visitekaartje van een boek? Dít omslag was iets wat mensen op zouden willen pakken in de boekhandel. Ik mailde Anthos dat ik er toch wel blij mee was. Mijn redacteur liet me drie andere opties zien, die een stuk minder waren. Nee, dit was hem. Dulci had een gezicht gekregen.

Myrthe van der Meer

Het omslag van PAAZ ontstond toen ik zelf nog op de paaz rondliep. Als psychiatrisch patiënt.

Op een dag zag ik daar hoe iemand in overall op alle toiletten nieuwe stickers met toiletpoppetjes plakte: levensgroot en zoals de traditie voorschrijft met zwevende hoofdjes boven de gestileerde schoudertjes.

Dat vond ik nou een goed voorbeeld van een slecht idee: waarom al die depressieve en psychotische patiënten verwarren met zwevende hoofden, als de helft van de populatie ze toch al zag vliegen en de andere helft stiekeme plannen smeedde om hun hoofd zo snel mogelijk kwijt te raken? Plak het er dan naast, dacht ik nog, want dan blijf je tenminste nog een beetje bij de context. En meteen wist ik: dit wordt een omslag.

Toch duurde het even voordat we hier definitief voor durfden te kiezen. Het is namelijk niet het standaard roman-omslag (met in het psychiatrische spectrum over het algemeen een huilend meisje weggekropen in een hoek, een emo-tiener die donker de camera in staart, een duister meer diep in het bos of een spoorlijn die zich mysterieus in de verte uitstrekt). Plus dat het door de (toegegeven, zwartgallige) humor ervan ook meer als een pocket-omslag voelde dan als dat van een echte, originele hardcover of paperback.

Gelukkig had ik nog acht andere, veel roman-waardiger omslagen ontworpen. De redactrice koos een serieuzere tekening uit en gaf die aan een vormgever om ermee te stoeien. Het stoeien werd worstelen en het worstelen werd een marteling, want met iedere stap die we verder kwamen, leken we twee stappen verder van het juiste gevoel vandaan te komen. Uiteindelijk schoof de uitgeefster zelf aan, nam nog eens al mijn schetsen door, hield stil bij het kleine, blauwe rechthoekje in de marge en vroeg: ‘waarom doen we niet deze?’

Ik protesteerde dat het misschien te apart was, dat het ook niet per sé mooi was en dat de inkopers van de boekhandels het misschien niet zouden begrijpen, helemaal omdat ze ook nog eens over de idiote titel (‘wat betekent PAAZ nou weer?’) moesten stappen en een niet bestaand genre (‘psychiatrische roman’) . Haar reactie: ‘Dan moeten wij maar wat beter onze best doen om ze te overtuigen, want dit is het omslag van dit boek. Kun jij het maken?’

Wist ik veel!? Ik had niet eens Photoshop! Dus ging ik maar een de slag met dat wat ik wel had: een blauw potlood, zwarte markeerstift, een liniaal en een geo-driehoek, en dat was dat. Happy end.

Het omslag kwam in de catalogus, iedereen blij, en toen ging de telefoon: een vertegenwoordiger van de uitgeverij meldde dat een inkoper van een grote boekhandelketen één blik op PAAZ had geworpen, het van zich afgeschoven had en had gezegd: ‘Ik vind het lelijk. Wat is dit een lelijk omslag. Lelijke boeken verkopen niet, dus koop ik geen boeken in die ik lelijk vind. Of er komt een nieuw omslag omheen, of het komt niet in onze winkels.’

Ik zag het hele omslagtrauma zich alweer herhalen, maar mijn uitgeefster was onverbiddelijk: dat boek kwam in die boekhandel met dit omslag en hoe de vertegenwoordigers het voor elkaar kregen was hun zaak, maar zo zou het gaan en niet anders.

Inmiddels verkoopt PAAZ… Best aardig. Ook in die boekhandel. En het doet mij goed om te weten dat dat lelijke boek met dat lelijke omslag toch in zekere mate bijdraagt aan het salaris van die inkoper. En dat alles met een idee dat ooit op een toilet begon.

Beauty is in the eye of the beholder.

Deel dit bericht

Maak een foto van je schrijfplek en vertel wat er allemaal op te zien is en waarom

Murat Isik

Ik schrijf in de keuken, de meest stille ruimte in huis. Alleen daar blijf ik verstoken van de geluiden die van de straat en de buren in mijn gehorige Amsterdamse appartement dringen. In de keuken hoor ik het geblaf van de honden van mijn buurvrouw niet, erger ik me niet aan het gestommel in het trappenhuis en word ik niet door opgevoerde brommers uit mijn concentratie gehaald. In de keuken heerst de rust. Godzijdank.

Het duurde een tijdje voor ik daar achter kwam, want in het begin schreef ik aan het bureau in de eetkamer. Dat bureau moest op een gegeven moment echter plaatsmaken voor een enorme boekenkast. Ik moest op zoek naar een nieuwe plek. Ik schreef een tijdje op de bank en daarna bracht ik vele dagen schrijvend door in bed, met mijn laptop op schoot, maar al snel werd ik door de blaffende honden van de buurvrouw en het gekraak van haar Pilates-toestellen naar de keuken verjaagd.

Daar schrijf ik nog steeds. Ik kijk daar uit op de binnentuin, het territorium van de buurtkatten. En op werkdagen zie ik de tandarts aan de overkant in het gebit van haar patiënten wroeten.

Mijn bureau probeer ik zoveel mogelijk leeg te houden, al komt het er niet altijd van. Vaak liggen er oude boekenbijlagen en tijdschriften. En natuurlijk schrijfblokken. Op de hoek van mijn bureau staat een broodbakmachine, want een ander nadeel van een appartement in Amsterdam is ruimtegebrek.

Begin dit jaar maakte de Amsterdamse stadzender AT5 een kort portret over mij. Ze filmden bij mij thuis en ik liet mijn werkkamer zien en vertelde waarom ik daar schreef (de foto bij dit stuk, komt uit dat portret). Ook brachten we nog een bezoek aan mijn ouders. Ze vertelden hoe het was om door mij geïnterviewd te worden als research voor mijn roman en om mijn boek te lezen. (Zie deze link om het filmpje te bekijken.)

Als ik schrijf, luister ik vaak naar muziek. Op mijn playlist staan nummers van o.a. Bruce Springsteen, Coldplay en U2. Maar de muziek die het meest overheerst, is die van de Australische band The Temper Trap. Hun debuutalbum vormt eigenlijk de soundtrack van mijn debuutroman. Nummers als Sweet Disposition en Love Lost heb ik eindeloos vaak beluisterd tijdens het werken aan Verloren grond.

Tijdens het schrijven aan mijn tweede roman, luister ik vooral naar het tweede album van The Temper Trap. Ja, wat dat betreft lopen we synchroon.

Het nummer dat er op dat album voor mij met kop en schouders bovenuit steekt, is Everbody Leaves In The End, een bonustrack (voor de liefhebbers: het nummer is hier te beluisteren). 
De eerste keer dat ik dat schitterende nummer beluisterde, zat ik in de trein van Melbourne naar Sydney. En terwijl het uitgestrekte Australische landschap aan me voorbij trok en de zon langzaam richting de horizon daalde, hoorde ik de tekst:

Do you remember when we were young 

Chasing clouds down the rivers 

Catching birds in the sun.

Deniz Kuypers

Drie weken geleden heb ik een huis gekocht in San Francisco. Daarmee heb ik, na elf jaar hier te hebben gewoond, een droom waargemaakt: ik bezit nu een piepklein stukje van een van de mooiste steden ter wereld. Ik woon niet meer in een krap appartement met drie katten, veel teveel boeken, een slapeloze buurman die de hele nacht aan de telefoon hangt en een nare huisbaas. Die katten en boeken zijn er natuurlijk nog wel, ik heb nu alleen vier slaapkamers voor ze in plaats van één. Maar wat ik misschien nog wel het mooist vind, is dat ik eindelijk een eigen kantoor heb.

Het is geen groot kantoor. Ik heb het dan ook voornamelijk gekozen vanwege het uitzicht op de heuvelachtige stad, de glinsterende lichtjes van de Bay Bridge en de mist die ‘s ochtends op de baai hangt. Mijn bureau beslaat een hele muur, en ik zit in het uiterste hoekje, waar ik elk moment dat het schrijven even niet lukt naar buiten staar. Als San Francisco me niet inspireert, dan de tuin wel, waar het gras nodig moet worden gemaaid, of de boom waar ik lichtjes in wil hangen. Die projecten komen namelijk pas aan de beurt als ik klaar ben met schrijven, en dus keer ik me schuldbewust weer tot mijn computerscherm.

De boekenkast die je ziet, heb ik persoonlijk in elkaar gezet – een klus waar ik me dan weer wél graag over boog. Er staan zo’n 300 boeken in, geordend bij schrijver, maar verder zonder enig systeem. De rest van mijn boeken staat in twee boekenkasten in de woonkamer, of zit in dozen te wachten tot ik mijn verloofde ervan weet te overtuigen dat we écht nog een boekenkast nodig hebben.

Aan de muren hangen een foto van Amsterdam, een honderd jaar oude foto van een trein (beide kun je hier niet zien), een Frankenstein-poster en drie tekeningen van Jeannie Lynne Paske. Schrijven is beelden creeëren: eerst in mijn hoofd, daarna in het hoofd van de lezer. Kunst verschaft daarbij de visuele prikkel die ik soms nodig heb als ik vast kom te zitten.

Een andere techniek voor het schrijven is dat ik een denkbeeldig gesprek aanga met mijn personages. Ik nodig ze uit om op een stoel tegenover me te gaan zitten, bied ze iets te drinken aan en begin een dialoog. Tijdens dit dialoog let ik goed op hoe ze eruit zien, hun gebaren, hun woordkeus. De fles die naast de computer staat helpt daarbij: er zit whisky in (Laphroaig). Op de fles heeft mijn verloofde het motto van mijn debuutroman, Dagen zonder Dulci, laten graveren: ‘I dream of lost vocabularies that may express some of what we no longer can.’

Vroeger schreef ik op een laptop – in de keuken, in bed, waar ik ook maar een plekje kon vinden. Nu heb ik een iMac. Maar het liefst schrijf ik met de hand, in een druk café. Dat is onveranderd gebleven.

Mijn kantoor doet ook dienst als muziekstudio. Vandaar de grote speakers naast de computer, en alle gitaren die ook niet op de foto staan. Ik heb er in totaal vier, en een heleboel microfoons en kabels. Muziek maken is mijn grote passie naast het schrijven, vooral instrumentale rock/drone muziek. Maar aangezien ik geen platencontract heb en wel een boekencontract, is er van muziek maken weinig gekomen de laatste drie weken. Ik moet namelijk eerst de garagedeur repareren, en de scharnieren van de voordeur vervangen, en parket leggen in de serre, en…

Myrthe van der Meer

Eigenlijk is het niet zo moeilijk: als je ergens kunt denken, dan kun je er ook schrijven. Als je het aan mij vraagt, speelt schrijven zich namelijk vooral af in je hoofd en maar voor een heel klein deel op papier. Maar aangezien je uitgever die gedachten aan het einde van de rit toch graag op papier gematerialiseerd wil zien, is een tafel voor die laptop best handig.

Mijn belangrijkste schrijfplekken zijn een theehuis in de buurt en natuurlijk mijn huis. Het meest schrijf ik ’s nachts op een krukje aan de grote eettafel vooraan. Dat is echter niet alleen mijn schrijftafel, maar ook werktafel in het algemeen. Als je hem van dichtbij ziet, zie je dat hij vol zit met krassen, verf, lijm en gaatjes van passers en stanleymessen omdat ik hem ook gebruik voor tekenen, schilderen, het ontwerpen van omslagen en natuurlijk mijn grote hobby: vogels maken. Rechts van de computer zie je een spreeuw en een liggend roodborstje in wording, ergens ook nog een ijsvogeltje en naast de televisie de uil.

De glazen tafel naast de blauwe stoel is mijn tweede bureau. Voordeel daarvan is dat het voor het raam staat. Dat gebruik ik echter vooral in de zomer en als ik iets moet overtrekken (onder het glas hangt een lamp). Wat je niet meteen doorhebt als je in de Ikea staat is dat zo’n strak glazen tafel met metalen rand weliswaar erg mooi is, maar ook ijskoud als hij in de winter voor een slecht geïsoleerd raam staat.

Gelukkig is hout dan net wat vorstvrijer – alleen heeft de grote tafel ook een groot risico in zich: de rechterhelft is weliswaar semi-maagdelijk schoon, de linkerhelft ligt vol met stiften, potloden en verschillende soorten papier die allemaal schreeuwen om ideeën. Nu zie je bijvoorbeeld dat de letters voor het volgende boek al richting de computer zijn gekropen, en op de lage kast bij de uil liggen alweer verschillende varianten van het omslag klaar.

Op de achtergrond de televisie die ik naar me toe kan draaien als ik afleiding/achtergrondruis wil, de kat van mijn ouders die me als screensaver gemeen aanstaart als ik weer eens schrijfontwijkend gedrag vertoon, een palmboom omdat naar groen kijken gelukkiger zouden maken, daarachter twee kasten vol paardenboeken als fort van inspiratie en op de schoorsteenmantel de Playmobilridders te paard omdat Playmobil nou eenmaal geweldig is. Eigenlijk is mijn werkplek dan ook heel ordelijk; alles heeft een functie, alles heeft zijn plek.

Waarom het er op de foto dan uitziet als zo’n enorme chaos, is mij dan ook een raadsel…

Dennis Rijnvis

Ik zit thuis middenin een verbouwing, dus mijn schrijfplek is een weekje verhuisd naar mijn ouders. Maar eerlijk gezegd verschilt de plek die ik tijdelijk heb ingericht niet zo van de schrijfomgeving in mijn huis: een goede computer en een goede bureaustoel, dat is alles wat ik nodig heb.

Van collega-schrijvers hoor ik wel eens dat ze in de weer zijn met geprinte velletjes die ze op de vloer leggen om de structuur van een boek beter in hun hoofd te krijgen. Ik begrijp zelfs dat er auteurs zijn die liever met pen en papier schrijven omdat ze dan meer gevoel in hun werk kunnen leggen.

Zelf geloof ik niet zo in die schrijfromantiek. Ik werk digitaal, heb zelfs niet eens een printer. Als ik iets rustig wil teruglezen ‘print’ ik het op mijn e-reader. Mijn bestanden bewaar ik op Dropbox zodat ik in principe overal kan werken aan mijn boek.

Ik werk thuis, net als hier bij mijn ouders, op een Herman Miller-bureaustoel omdat het ontwerp mijn wat afwijkende ruggenwervels ontlast. Misschien is dat een placebo-effect, maar dat interesseert me niet, zo lang ik me maar beter op mijn schrijfwerk kan concentreren.

Eten doe ik bijna nooit achter mijn bureau. Als ik een boterham of zak chips binnen handbereik heb, focus ik me daarop in plaats van op mijn werk. Ik heb een dwangmatige neiging om afleiding te zoeken, ook op internet. Soms is het zo erg dat ik mijn schrijfplek verlaat en in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag ga zitten met een oude laptop waarop ik geen draadloos internet heb (dan download ik mijn Dropbox-bestanden vooraf).

Eerlijk gezegd ben ik ook niet zo gehecht aan een bepaalde plek. Ik kan overal schrijven. Wel vind ik het belangrijk om op een goede computer te werken met een groot beeldscherm waarop de letters mooi worden weergegeven. Als ik mijn werk met een nieuwe blik wil lezen, verander ik vaak het lettertype en de lettergrootte een paar keer. Waarschijnlijk vinden andere mensen die strategie net zo onzinnig als ik het schrijven met pen en papier.

Wytske Versteeg

Ik had hier ook een foto kunnen plaatsen van de opklaptafeltjes in de trein, van mijn bed, of mijn bad, want een vaste schrijfplek heb ik niet. Ik ben vaak onderweg en daarmee zijn meteen mijn belangrijkste schrijfattributen benoemd; laptop en notitieboek.

Maar mijn oude houten bureautje is de plek waarnaar ik vroeg of laat weer terug keer, al gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat het oppervlak ervan nogal snel volstroomt -deze foto was een goede aanleiding om op te ruimen. Als ik hier schrijf staat naast mijn Mac een kop Turkse koffie en om mij heen klinkt het geluid van de onvolprezen verhalenpodcast van de New Yorker. Achter me maakt de hond tevreden geluiden; haar kan het niets schelen wat ik op papier krijg. En mocht ik vergeten wat belangrijk is, dan hangt op de muur vlak voor me een ansichtkaart waarop een Japanse schilder zichzelf heeft afgebeeld. Hij was toen al in de tachtig en deze schildering was een brief aan een vriend, waarin hij schrijft dat hij veel geprobeerd heeft, maar dat het meeste mislukt is – in zijn hele oeuvre ‘zitten misschien een paar aardige schetsen’. Niet op de foto, maar hoger op de muur hangt nog een meesterlijk gedicht van Paul Ostaijen, dat onmiddellijk duidelijk maakt waar schrijven voor mij over gaat:

Ik kan geen postzegels verzamelen
ik kan geen vrouwefoto’s verzamelen
ik kan geen amourettes kollektioneren
en geen wijsheid
ik kan niets meer

ik kan niets meer

Waarom doof ik de lamp niet
en ga ik niet te bed

(…)

Is zo niet het gans beginnende begin
Ik wil niets weten
ik wil niet vragen
waarom
ik niet werd een postzegelkollektioneur

Ik zal beginnen mijn débâcle te geven
ik zal beginnen mijn faljiet te geven
ik zal mij geven een stuk gereten arme grond
een vertrapte grond
een heidegrond
een bezette stad

Ik wil bloot zijn
en beginnen

(Vers 6 uit De feesten van angst en pijn

Peter Zantingh

Ik schrijf thuis aan een klein bureau. Ik sluit een monitor, toetsenbord, muis en speakers aan op m’n laptop. Op het grote scherm heb ik Scrivener openstaan, een geweldig goed programma voor schrijvers. Op het kleine scherm, rechts ernaast, Spotify.

Wat je verder op de foto ziet, min of meer van links naar rechts:

Een koptelefoon die ik vaak op zet als ik volop geconcentreerd wil zijn. De muziek waar ik tijdens het schrijven naar luister heeft zelden tekst, en al helemaal geen Nederlandse. Olafur Arnalds vind ik prettig, maar ook Ludovico Einaudi, Helios, Explosions In The Sky, Sigur Rós, Múm.

Een lamp, die ik uitkoos omdat hij op die van Pixar lijkt.

Een deel van de boekenkast, met rechts bovenaan veel Martin Bril en daaronder een plank met schrijfboeken. Ik heb ze nog niet allemaal gelezen, maar de witte, een serie van De Schrijfbibliotheek, zijn vooral erg handig. Ook leuk, daarbovenop: The Writer’s Block, een vierkant boekje met 786 schrijfideeën. Weer een vakje lager ligt een deel van m’n tweede boek uitgeprint. Als ik bezig ben met herschrijven, print ik wat ik heb uit en ga ik er met de pen langs.

Een klein schrijfblokje met pen. Ik noteer daarop even een idee voor een andere volgorde van hoofdstukken, of bijvoorbeeld een to-do-lijstje van de dag.

Niet op de foto, vaak wel op m’n bureau wanneer ik aan het schrijven ben: de kat.

Deel dit bericht

Wat hebben we eigenlijk nog aan literatuur, of aan lezen in het algemeen?

‘Uitgevers hebben het moeilijk, bibliotheken verdwijnen en er wordt volop gespeculeerd over de toekomst van het boek (of beter, het gebrek daaraan). Wat hebben we eigenlijk nog aan literatuur, of aan lezen in het algemeen?’ – Wytske Versteeg

Peter Zantingh

Mij viel het woordje ‘nog’ op in de vraag hierboven. Wat hebben we er nog aan. Alsof er in de tussentijd, tussen niet helemaal definieerbare ‘toen’ en ‘nu’, iets veranderd is. Toen ja, toen hadden we er iets aan. Wat hebben we er nu nog aan?

Dat zal zijn omdat we nu minder boeken lezen. Is dat gemakkelijk aan te tonen? We kopen er in elk geval minder, dus waarschijnlijk lezen we ook minder. Minder dan toen.

Ik merk bij mezelf en om me heen dat een van de redenen daarvoor is dat we de verveling nagenoeg uitgeroeid hebben. We raken steeds meer gewend aan korte momentjes van bevrediging – een tweet of Facebook-update kost je drie seconden, misschien minder. En je kunt weer door naar de volgende. Ken je dat gevoel, dat je denkt: eigenlijk heb ik wel genoeg van die berichtjes gelezen, ik moet iets anders gaan doen, maar dat je toch door blijft scrollen?

Of dat je je telefoon uit je broekzak haalt, ontgrendelt, even langs de icoontjes bladert, vergeet wat je precies wilde doen (of dat nooit geweten hebt) en hem weer wegstopt?

Terug naar de vraag. Wat hebben we aan literatuur? Als het aan mij ligt, nu niets meer of minder dan toen. Het verschil is dat we snelle bevrediging nodig hebben, lijden aan updasitas. (Dat woord verzin ik net. Ik heb het gegoogled en vond geen resultaten. Je dient het eerste deel, upda, op z’n Engels uit te spreken en het tweede, sitas, op z’n Nederlands.) Het kost veel mensen dus meer moeite om een boek te lezen, daar veel tijd in te stoppen zonder dat het direct iets oplevert, direct eindigt, zonder dat je direct door kunt naar het volgende. Als boekenliefhebber zeg ik: lees, want het loont. Het maakt je slimmer, completer, het geeft voldoening. Misschien niet direct, misschien zelfs niet na twintig bladzijden, als ondertussen je telefoon alweer vier keer getrild heeft. Maar uiteindelijk wel. Veel meer dan de vakantiefoto’s van een voormalig klasgenoot

Murat Isik

Ik weet één ding zeker: als ik in mijn kinderjaren niet zoveel had gelezen en zoveel tijd in de bibliotheek had doorgebracht, was ik nooit schrijver geworden.

Ik kwam op vijfjarige leeftijd naar Nederland en had in het begin een taalachterstand. Op advies van mijn juffrouw van groep 3 ging ik naar de bibliotheek en las ik in korte tijd zoveel boeken dat ik al snel uitblonk in (voor)lezen.

Als jongetje van negen, tien jaar, vond ik niets leuker dan met een zak snoep urenlang door de boekenkasten van de grote bieb op het Bijlmerplein snuffelen. Jeugdboeken, stripboeken, sportboeken, geschiedenisboeken, fotoboeken, ik bladerde ze met een onstuimige gretigheid door. Meestal stempelde ik er aan het einde van de middag zes af om een paar dagen later weer terug te keren.

Het is een periode uit mijn leven waar ik met warme gevoelens aan terugdenk.

Het doet me daarom pijn om te zien dat er in Nederland de afgelopen jaren tientallen bibliotheken zijn gesloten als gevolg van de draconische bezuinigingen waar we aan ten prooi zijn gevallen. Het was iets wat ik niet voor mogelijk had gehouden in ons land, want Nederland was een beschaafd land waarin kunst en cultuur werden gekoesterd en kinderen te midden van boeken opgroeiden.

Onlangs was ik voor een radio-interview op bezoek bij de prachtige OBA vlakbij het Centraal station in Amsterdam. Toen ik het gebouw betrad, zag ik ineens weer de bibliothecaresse bij wie ik in mijn jeugd vele boeken had afgestempeld. Ze had nog steeds lang rood haar en leek nauwelijks verouderd. Ze stond in de aankomsthal en deelde het mooiste Nederlandse boek aller tijden uit: De donkere kamer van Damokles van Willem Frederik Hermans. Het was een speciale editie voor de actie Nederland Leest. Ik keek naar het rek met de groene en rode exemplaren van Hermans’ magnum opus. De bibliothecaresse herkende me niet en vroeg, zoals ze dat aan alle bezoekers vroeg, of ik lid van de bieb was. Ik moest tot mijn schaamte bekennen van niet. ‘Maar mijn vriendin wel,’ probeerde ik nog.

Ze schudde vriendelijk haar hoofd. ‘Het spijt me, dan kan ik u geen exemplaar van De donkere kamer meegeven.’

‘Ik begrijp het,’ zei ik berustend. ‘Mag ik u misschien wat vragen?’

Ze knikte.

‘U heeft toch in de bibliotheek op het Bijlmerplein gewerkt?’

Ze keek me verbaasd aan. ‘Ja, dat klopt.’

‘Daar kwam ik als kind altijd.’

Ze glimlachte.

‘U werkt nu hier?’

Haar glimlach verdween. ‘Ja, sinds de bibliotheek op het Bijlmerplein is gesloten.’

Nu was het mijn beurt om verbaasd te kijken.

‘De bezuinigingen,’ zei ze hoofdschuddend.

Ik vroeg me af of ik haar moest troosten. Of misschien zij mij. We spraken nog wat over de Bijlmer. Ze vertelde dat ze daar nog steeds woonde.

Het werd steeds drukker in de aankomsthal.

‘Ik zal u niet langer ophouden,’ zei ik en maakte aanstalten om te vertrekken.

‘Wacht,’ zei ze haastig. ‘Hier, neem toch maar een boek mee.’

En even was het weer als op het Bijlmerplein.

Deniz Kuypers

Op basis van de ontluisterende feiten die Wytske aanhaalt in haar vraag, zou je denken dat steeds minder mensen lezen. Maar is dat wel zo? Zou het niet kunnen dat mensen evenveel lezen als vroeger, maar op een andere manier? Lezers gaan niet meer naar de bibliotheek of de boekhandel – ze kopen boeken online. En mensen lezen geen dikke boeken meer, maar Facebook updates, tweets en blogs.

Laat ik duidelijk zijn: ik ben een groot liefhebber van boekhandels en vind dat we alles moeten doen om ze in leven te houden. Twee jaar geleden ging Borders, een van de grootste boekhandels in Amerika, failliet. Inmiddels staat diens concurrent, Barnes & Noble, op het randje van de afgrond. Maar een paar kleine zaken in San Francisco houden moedig stand: Phoenix Books, Dog Eared Books, City Lights en meer. Ze doen hun best een publiek te trekken – ze hebben verse koffie en luie stoelen om in te zitten lezen – maar de grootste attractie zijn natuurlijk de boeken. Je kunt er lekker rondneuzen, aan boeken zitten en ruiken. Dat is een ervaring die Bol.com of Amazon voor mij nooit zullen weten te evenaren. Daarnaast zijn boekhandels essentieel voor debutanten: zij kunnen je boek onder de aandacht van een groter publiek brengen.

Een misschien nog wel grotere bedreiging voor het voortbestaan van lezen als waardevol tijdsverdrijf – en dus ook voor het voortbestaan van boekhandels, boeken en schrijvers – lijkt me de smaak van het publiek en hoe die de laatste jaren veranderd is. Ik bedoel niet alleen (maar wel een beetje) het feit dat lectuur over het algemeen populairder is dan literatuur, maar ook dat het concentratievermogen van lezers lijkt te zijn verminderd. Alles moet vanaf de eerste pagina, de eerste regel zelfs, spannend zijn. Het omslag moet je bij de lurven grijpen. We zijn zo gewend geraakt aan de manier waarop we online en op onze iPhones en iPads lezen – je bekijkt de kop, neemt even vlug de tekst door op zoek naar een woord of zin die eruit springt – dat we hetzelfde verwachten van boeken. We maken steeds minder de tijd om echt lekker voor een boek te gaan zitten. Ik merk het bij mezelf ook: als ik na mijn werk en mijn schrijven en sociale verplichtingen aan lezen toekom, staren alle ongelezen boeken op mijn plank me zo beschuldigend aan, dat ik het liefst een dun boek lees dat ik snel uit heb, om zo mijn leesachterstand een beetje in te halen. Vorige maand ging het mis: ik begon aan Cloudsplitter van Russell Banks, een boek dat bijna 800 pagina’s telt. Nu zit ik op pagina 400 en denk: ik had inmiddels ook de nieuwste Coetzee én Stoner kunnen lezen, dat boek waar iedereen het over heeft.

Ik denk niet dat het boek ooit zal verdwijnen. Mensen vertellen elkaar al duizenden jaren verhalen. Dat is iets wat de ziel nodig heeft. Alleen de manier waarop we dat zullen blijven doen, valt nog te bezien.

Dennis Rijnvis

Zelf beschouw ik literatuur als iets dat tussen ons in zweeft, een soort uitstoot van onze gedachten die wordt opgeschreven of voorgedragen. Vaak levert dat niets op, maar sommige mensen slagen er in om hun denkbeelden zo fraai, origineel of spannend te verwoorden dat anderen het graag willen lezen.

Maar hebben we literatuur nodig? Ik denk eerlijk gezegd dat die vraag niet echt relevant is. Literatuur is in mijn ogen niet te vergelijken met onmisbare gebruiksvoorwerpen zoals winterjassen of bedden. Het is iets wat bij mensen hoort, net als de CO2 die we uitademen en de tranen die we verliezen gedurende ons leven. We zullen ons altijd blijven uiten, of dat nou met een pen is, met een computer, een smartphone of met een bril van Google.

Ik vind het mooi als mensen vertellen dat ze de geur van boeken zo fijn vinden, dat ze het knisperende papier tussen hun vingers zo waarderen. Natuurlijk heb ik ook prachtige herinneringen aan de boeken die ik las in mijn jeugd. Ik kan me herinneren dat ik altijd zenuwachtig werd in bibliotheken, bij de aanblik van zo veel ongelezen avonturen. Als ik over de drempel stapte moest ik altijd eerst naar de wc van de zenuwen.

Maar misschien spreken de kinderen van nu over vijftig jaar nostalgisch over de dagen waarin ze met hun vingers langs glanzende schermen van mobiele telefoons streken en vervloeken ze nieuwe technieken waarbij de gedachtenwerelden van verschillende mensen zonder tussenkomst van apparaten rechtstreeks op elkaar wordt aangesloten.

Zo lang we denken, zal er literatuur zijn, in welke vorm dan ook, daar ben ik van overtuigd. Niet omdat we het nodig hebben, maar omdat het bij ons hoort. Literatuur zit niet in boeken, kleitabletten of computers, het zit in ons hoofd.

Wytske Versteeg

Natuurlijk is er geen reden nodig om een boek te pakken, geen nut noodzakelijk voor literatuur. Want zodra lezen een doel krijgt is het plezier al snel verdwenen, wat de leeslijst voor Nederlands een dubieuze zaak maakt.

Maar afgezien daarvan is lezen heel efficiënt. De schrijver stopt soms jaren in het maken van een verhaal dat je als lezer binnen een tijdsbestek van uren tot je neemt. Zo krijg je als lezer vanuit je veilige leunstoel een inkijkje in talloze levens die mijlenver van je af staan. Naast gewoon leuk is dat ook een oefening in empathie; soms verontrustend, soms juist geruststellend.

Op de meeste plaatsen wordt ons verteld hoe we moeten zijn (mooier, slimmer, rijker), wat we moeten doen (beter ons best). Op school, op het werk, maar ook in films en reclames wordt ons één beeld voorgespiegeld: hoe het beter kan. Wie we zouden moeten zijn. Hoe gelukkig alle anderen zijn.

Literatuur doet iets anders.

Literatuur is de plaats waar we zien hoe het erger kan. Het is het domein van personages die al gebroken zijn of op het punt van breken staan, mislukkelingen en tragische (anti-)helden. Ze zijn verlegen en het heet geen sociale stoornis, ze zijn preuts maar hunkeren, ze willen het allerbeste maar kunnen niet voorkomen dat hun leven een puinhoop wordt. Ze zijn, kortom, menselijk, al te menselijk. En speelbal van de omstandigheden – in dit geval het malicieuze brein van de schrijver, want ja: schrijven over geluk is nu eenmaal veel lastiger. Soms komen die karakters er in de loop van het verhaal nog bovenop – vaker gaan ze te gronde.

En wij kunnen het boek dichtslaan en weten dat we niet alleen zijn.

Deel dit bericht

Wat verdient een schrijver eigenlijk in deze tijd?

‘Wat verdient een schrijver eigenlijk in deze tijd? Kortom: wat hebben jullie overgehouden aan de publicatie van jullie boek en de nevenactiviteiten, zoals lezingen of andere optredens? Is het in jullie visie nog mogelijk om van schrijven te leven, of moeten we vooral voor de eer en glorie achter onze tekstverwerker kruipen?’ – Dennis Rijnvis

Wytske Versteeg

Op de één of andere manier wil de laatste tijd iedereen weten hoeveel ik met schrijven verdien (en dan heb ik mijn belastingaanslag nog niet eens ingevuld). Nu, om eerlijk te zijn weet ik dat zelf nog niet precies. Eén reden daarvoor is dat ik die belastingaanslag nog moet invullen; een andere dat de bedragen behoorlijk fluctueren en weer een andere dat dit soort getallen heel anders klinken als je ze zo hoort dan dan wanneer je ze op uurbasis gaat berekenen. Dus om toch min of meer antwoord te geven op de vraag; als het je doel is om op uurbasis goed te verdienen, zijn er betere beroepen te bedenken dan schrijver. Tegelijkertijd kunnen de bedragen bij elkaar toch aardig oplopen, waarbij nevenactiviteiten voortvloeiend uit het boek relatief gezien meer opleveren dan het boek zelf. Dus ja, ik denk dat het zeker mogelijk is om van schrijven (in ruime zin) te leven.

Desondanks heb ik op dit moment naast het schrijven een fulltime baan. Dat is niet in alle opzichten ideaal, maar het heeft voordelen: mijn deadlines worden nooit door financiële druk bepaald. Bovendien schrijf ik het beste ‘s avonds en vind ik het leuk om op andere plekken te komen en om na te denken over andere onderwerpen, die ik niet zelf verzin – alleen maar schrijven kan namelijk een behoorlijk eenzaam beroep zijn.

Gratis tip: wil je schrijven financieel de moeite waard maken, dan is het een erg goed idee om eerst een agent te zoeken, in plaats van meteen naar een uitgever te stappen. Het is hun vak om jou te verkopen en dat is handig voor iemand als ik, die daar zelf niet al te best in is (en zoals iemand opmerkte: het is ook gewoon leuk om te kunnen zeggen dat je een agent hebt).

Zo. Heb ik mezelf voldoende onder de vraag uit gepraat?

Peter Zantingh

Ik begin met de laatste vraag. Het is niet mijn visie om van mijn boeken te leven, dat kunnen (las ik eens ergens) ongeveer twintig mensen in Nederland. Maar wacht even, dat is de vraag van Dennis eigenlijk niet, hij vraagt of ik van het schrijven wil leven. Dat wel, grotendeels.

Drie dagen in de week ben ik webjournalist voor NRC. Dat is mijn belangrijkste inkomensbron. In de brede zin van het woord is dat ook schrijven. Daarmee leef ik dus inderdaad van het zo goed mogelijk het ene woord achter het andere plaatsen. Mijn boeken schrijf ik op de dagen die ik overhoud. Wat ik ermee verdien, zie ik als extra.

Dan ben ik daarmee aangekomen bij het nog openstaande eerste deel van de vraag. Deze week dacht ik erover na of ik daar antwoord op wilde geven, en ik besloot dat maar niet te doen. Liever deel ik dat niet op internet met iedereen. Maar er waren twaalf uitgeverijen die mijn debuut graag wilden uitgeven, en het agentschap van Paul Sebes zet dan een soort veiling op. Nee, geld is niet alles, maar het speelt wel een rol. En met de uitkomst van die veiling was ik erg tevreden.

Dan de nevenactiviteiten. Interviews, optredens, lezingen, etcetera. Het meeste doe ik vrijwillig. Voor een bos bloemen, een paar biertjes, een boekenbon of een fles wijn. Ja, ik heb wel eens 350 euro gekregen voor een interview van een half uur, maar ik ben ook wel eens voor een vrijwillig optreden de hele dag onderweg geweest, terwijl ze daar bleken te zijn vergeten dat ik onderdeel van het programma was.

Kortom: kruip vooral voor de eer en glorie achter je tekstverwerker (trouwens, schrijvers, zet Word opzij en koop Scrivener!), dat is veel leuker en volgens mij levert het betere boeken op.

Murat Isik

Ik lees al jaren in de media dat er in Nederland maar zo’n dertig schrijvers van hun boeken kunnen leven. Aan de ene kant stemt dat misschien somber afgezet tegen het grote aantal schrijvers dat ons land telt. Maar aan de andere kant betekent het ook dat het in Nederland mogelijk is om je brood met je boeken te verdienen, als je de kwaliteit of het geluk (of beide) hebt om door te stoten naar die selecte groep.

Het zal niemand verrassen dat debutanten over het algemeen niet kunnen leven van hun royalty’s alleen. Hoewel het gelukkig heel goed gaat met mijn debuut Verloren grond en ik inmiddels op de achtste druk zit, ben ik geen uitzondering op die regel. Zoals ik in een vorige bijdrage al schreef, werk ik naast het schrijven als jurist. Ik beschik dus over een vast inkomen en dat geeft mij rust in deze barre tijden.

De eerste inkomsten voor mijn roman Verloren grond dateren uit 2009. Toen tekende ik mijn contract bij Anthos en kreeg ik een voorschot uitgekeerd. De hoogte van dat voorschot werd opgedreven door de veiling die door mijn agent was opgezet voor de geïnteresseerde uitgeverijen. In meerdere rondes werd er op de rechten van mijn roman in wording geboden. Nu vragen jullie je natuurlijk af hoe hoog dat voorschot was, maar dat ga ik hier, of ergens anders, niet verklappen omdat ik dat niet chique vind richting alle betrokkenen. Wat ik er wel over kan zeggen is dat het een mooi bedrag was, maar geen jaarinkomen. Een bedrag waar ik als jurist een tijdje voor zou moeten werken.

Na het verschijnen van Verloren grond in april 2012 heb ik regelmatig opgetreden op festivals en heb ik lezingen gegeven en voordrachten gehouden in het land. In de meeste gevallen stond daar een vergoeding tegenover. Bij een festival moet je al snel denken aan een vergoeding van een paar honderd euro, plus reiskosten met in het beste geval een hotelovernachting, zoals bij Crossing Border in Enschede. Erg fijn als je pas om twaalf uur het festivalterrein verlaat. Verder heb ik een paar mooie schrijfopdrachten in de wacht gesleept, zoals een kort verhaal van vier pagina’s in HP/De Tijd en in Art Holland Magazine.

Daarnaast heb ik vorig jaar twee contracten voor twee nieuwe romans bij Anthos getekend. Voor de contracten heeft mijn agent opnieuw onderhandeld over een voorschot. We kwamen er snel uit.

Maar de echte uitbetaling moet nog komen, namelijk die in april: het moment waarop de uitgeverijen de royalty’s overmaken. Natuurlijk ben ik benieuwd hoe hoog mijn eerste royalty’s zullen zijn, maar omdat ik (nog) niet afhankelijk ben van mijn schrijfinkomsten, ben ik met mijn gedachten vooral bij het schrijfproces van mijn tweede roman. En dat is wel zo fijn.

Om te kunnen leven van het schrijven, moet je als schrijver beschikken over veel doorzettingsvermogen. Herman Koch kon ook niet leven van zijn debuut, maar staat nu wel in de bestsellerlijst van de New York Times.

Moedig voorwaarts dus!

Deniz Kuypers

Of ik van mijn debuut, Dagen zonder Dulci, zal kunnen leven, valt nog te bezien; het komt pas op 4 april uit. Toen ik vorig jaar een contract tekende bij Anthos, kreeg ik wel een voorschot. Inmiddels zijn we een jaar verder, en ik had tegen die tijd al vijf jaar met tussenpozen aan Dulci gewerkt, dus hoe aardig het voorschot ook was, ik zou er geen zes jaar op geteerd kunnen hebben. Dat is overigens geen klacht. Hier in Amerika schijnen uitgevers steeds meer geld aan steeds minder schrijvers te geven; oftewel, ze betalen een fors bedrag voor gevestigde schrijvers (King, Grisham, Brown, etc.) en nemen minder risico’s met debutanten. Ik zag het voorschot van Anthos daarom meer als een aanmoediging en bevestiging dat mijn uitgever in me geloofde.

De media staan vol met gruwelverhalen over hoe slecht het eraan toe gaat in het boekenvak. Zelfs mijn held Philip Roth zei een tijd geleden dat jonge schrijvers maar beter de hoop op kunnen geven en iets anders kunnen gaan doen. Maar was het vroeger dan beter? Toevallig las ik een paar weken terug A Moveable Feast van Ernest Hemingway, waarin hij zegt hoe moeilijk het is om geld te verdienen met schrijven. Dat boek speelt zich af in de jaren twintig. Jim Harrison, een andere literaire held van me, verkondigt al meer dan 30 jaar dat je van schrijven niet kunt leven. Volgens hem is er maar één beroep dat minder verdient dan schrijven, en dat is schilderen.

Moet je als beginnende schrijver dan maar de moed opgeven? Wat als Hemingway en Roth en Harrison dat indertijd gedaan hadden?

Ik denk dat elke schrijver zich moet afvragen of de opbrengsten van het vak – geld, roem of wat je er dan ook van verwacht – de vele opofferingen die je ervoor maakt waard zijn. Ik weet dat het heel moeilijk is om naast het schrijven een full-time baan te hebben en een relatie en vriendschappen te onderhouden. Daarnaast woon ik in San Francisco, de duurste stad in de VS samen met New York. Dat is mooi qua inspiratie (veel van wat ik schrijf speelt zich af in Californië), maar niet om van schrijven te kunnen leven. Ik zou natuurlijk bewust kunnen proberen een bestseller te schrijven. Of helemaal niet te schrijven, maar dat is geen optie. Dus ik heb met Dulci een boek geschreven dat van diep van binnen komt, in de hoop dat dat genoeg is.

En nu maar wachten of Spielberg me gaat bellen voor de filmrechten.

Myrthe van der Meer

Wat je als voorschot zult krijgen voor je boek, weet je als schrijver nooit van tevoren. Niet in een tijd waarin het boekenvak het zwaar heeft, en al helemaal niet als je het geluk hebt dat er meerdere uitgeverijen tegen elkaar op willen bieden.

Als redacteur had ik echter wel een idee over hoe het met PAAZ zou kunnen gaan, gewoon gebaseerd op ervaring: het feit dat je als debutant nog geen naam gemaakt hebt kost punten en het manuscript was misschien ook geen hoogstaande literatuur, maar het was wel soepel geschreven, ging over een onderwerp dat erg actueel is – psychiatrie – en wat dus ook makkelijk publiciteit vindt, en speelde zich af in een spannende omgeving, een gesloten psychiatrische afdeling, en was bovendien waargebeurd. Tel die dingen bij elkaar op en ik kwam tot de conclusie dat in een two-book-deal voor PAAZ en een nieuw boek het voorschot uiteindelijk – als alles meezat – tegen de tienduizend euro zou kunnen zitten.

Toen Willem, mijn literair agent, me op de dag waarop de uitgevers zouden bieden me sms’te dat er tienduizend euro was geboden, schrok ik me echter door. Niet door het bedrag, maar door het feit dat dat het openingsbod was. Met elk sms’je dat ik vervolgens kreeg voelde ik me ellendiger worden, want het besef drukte steeds zwaarder dat dit geen cadeautje was, maar een voorschot. En met elk hoger bod zou PAAZ meer moeten presteren om dat terug te verdienen voor de uitgever. Dat zoiets voor druk zorgt, is een understatement…

Zoiets is echter niet aan een literair agent uit te leggen, dus toen ik ’s avonds ietwat ontdaan mijn vriend belde, was dat met de absurde boodschap dat ik in één dag tijd een jaarsalaris had verdiend. ‘Misschien wel in één dag,’ zei mijn vriend, ‘maar wel voor drie jaar werk, plus daarbij de tijd die het je kost om je volgende boek te schrijven, en je daar moet je nog aan beginnen!’

Je zou dus kunnen zeggen: een schrijver is iemand die niet van een jaarsalaris kan leven. Dan moet je dus of goed kunnen schnabbelen om je inkomen op korte termijn aan te vullen, of je boek (laten) bewerken voor film of tv of gewoon snel kunnen schrijven. Het eerste vind ik een crime, met het tweede zijn we bezig en het derde kan ik gelukkig wel aardig.

PAAZ heeft zijn deel van het voorschot inmiddels terugverdiend. Nu is het afwachten of komend najaar het volgende boek het net zo goed gaat doen. En het zou heel goed kunnen van niet, want waar PAAZ marketingtechnisch alle voordelen had, is het volgende boek gewoon een ontzettend leuk verhaal over een enorm fascinerend onderwerp – en daar ligt de boekhandel al vol mee…

Dus kun je van het schrijverschap leven? Als zoals in het geval van PAAZ echt alles meezit: ja. Dan levert je dat misschien zelfs nog wel een jaarsalaris op. Maar daar moet je dan soms wel verdomd lang mee doen.

Dennis Rijnvis

Ik kan nog moeilijk bepalen hoe veel ik aan mijn boek overhoud. Veel verder dan een ruwe schatting kom ik niet, omdat Savelsbos pas volgende maand verschijnt. Maar ik heb een serieuze poging gedaan om mijn uurtarief vast te stellen.

De boekenbranche werkt met voorschotten. Zelf vind ik dat een vreemde manier van betaling. Toen ik mijn boek na een bieding tussen drie uitgeverijen verkocht aan uitgeverij Cargo, kreeg ik een bedrag op mijn rekening bijgeschreven voor Savelsbos en een tweede boek dat ik nog moet schrijven. Kortom als ik getroffen wordt door een writer’s block moet ik de helft weer terugbetalen.

Aangezien in het in Nederland eigenlijk ‘not done’ is om bedragen te noemen, maar ik mijn eigen vraag wel goed wil beantwoorden, permitteer ik mezelf enige omslachtigheid. Iedereen die het precieze voorschot wil weten, kan het met de onderstaande gegevens simpel uitrekenen.

Als ik het bedrag dat ik op mijn rekening kreeg bijgeschreven deel door het aantal uren dat ik naar schatting aan Savelsbos heb gewerkt (10 uur per week, twee jaar lang), kom ik op een uurtarief van ongeveer 18 euro per uur.

Aangezien de helft van dit geld een voorschot is voor een nog niet bestaand, tweede boek, ligt het werkelijke uurtarief rond de 9 euro per uur. Dat klinkt schraal. Mijn bijbaantje als postbezorger bij de PTT tijdens mijn studie was lucratiever. Maar nogmaals, het is een voorschot, het is best mogelijk dat ik uiteindelijk meer verdien als schrijver.

Het bedrag van het voorschot is gebaseerd op een aantal boeken dat de uitgeverij minimaal denkt te verkopen. Ik gok (ik heb het er nooit met ze over gehad) dat dit verwachte aantal op ongeveer 3.500 exemplaren ligt. Een auteur krijgt namelijk ongeveer twee euro per verkocht exemplaar.

Stel dat mijn boek aanslaat en er 7.000 exemplaren van Savelsbos over de toonbank gaan. In dat geval verdubbelt mijn uurtarief. En laat ik nog even verder dromen: als mijn debuut meteen een bestseller wordt en ik 15.000 boeken verkoop, is mijn uurtarief daarmee ongeveer verviervoudigd.

Aan de andere kant is een begrote oplage van 3.500 exemplaren niet kinderachtig. Het gemiddelde verkoopaantal van boeken in Nederland schijnt rond de 1.500 exemplaren te liggen. Als Savelsbos niet bijzonder of zelfs slecht verkoopt, maakt de uitgever dus verlies. En dan mag ik mijn handen dichtknijpen met 9 euro per uur. Een bijzondere regeling bij voorschotten in de boekenbranche is namelijk dat je ze in het geval van tegenvallende verkoopcijfers niet hoeft terug te betalen.

Uiteraard ga ik nu afsluiten met een cliché: ik doe het niet voor het geld. Ik vind het al geweldig dat een grote uitgeverij iets in mijn boek zag, dat het straks in de meeste boekenwinkels komt te liggen en dat er over twee weken een officiële presentatie plaatsvindt, georganiseerd door de uitgeverij. Helemaal waar, zoals alle clichés. Maar zelf vind ik een bedrag van 36 euro per uur eigenlijk best reëel voor het schrijven van een boek.

Deel dit bericht

Hoe weet je of dat wat je schrijft literatuur is?

‘Hoe weet je of dat wat je schrijft literatuur is? Wie bepaalt of een boek literatuur is? Is dat iets wat door de buitenwereld bepaald wordt of bepaal je dat als schrijver zelf – en is het dan iets waar je tijdens het schrijven bewust mee bezig bent?’ – Myrthe van der Meer

Dennis Rijnvis

Laat ik eerlijk zijn: ik weet niet wat literatuur is. Ik begrijp de term niet goed. Een boek betitelen als een literair werk, staat voor mij gelijk aan zeggen dat het goed is. Daar is niets mis mee. Maar als mensen over literatuur praten, wekken ze vaak de indruk dat het een objectieve term is, een soort stempel vergeven door een hogere god die heeft bepaald dat een bepaald werk is verheven boven de schrijfsels van het klootjesvolk.

Volgens mij bestaat zo’n god niet en literatuur in die zin dus ook niet.

Natuurlijk zijn er wel boeken die door relatief veel mensen worden beschouwd als goed, of zelfs verheffend. Neem De aanslag van Harry Mulisch, of De donkere kamer van Damocles van W.F. Hermans. Maar aan de andere kant: mijn broertje koos zijn beroep, vliegtuigpiloot, onder invloed van een boek: Catch Me If You Can van Frank Abagnale. Dat is geen boek dat veel mensen als literatuur beschouwen, maar in het geval van mijn broertje zou de term toch best op zijn plaats zijn, omdat het verhaal hem inspireerde tot een keuze die bepalend was in zijn werkende leven.

Voor mij is mijn boek Savelsbos geslaagd als straks zo veel mogelijk mensen het boek waarderen en aanraden aan vrienden en kennissen. Ik hoop dat lezers worden meegesleept door het verhaal en de wrok zullen voelen van de personages die afdalen in de mergelgroeves van een Limburgs bos om een nooit opgehelderde verdwijning van een jeugdvriendin op te lossen.

Of mensen het literatuur zullen noemen (dat verwacht ik niet) of gewoon een goed, of spannend boek; het maakt me eigenlijk niet uit. Ik hoop zelfs dat de mensen die Savelsbos niet mooi vinden, het boek snel opzij zullen leggen om te zoeken naar een roman die wel op hun persoonlijke literatuurlijst past. Want misschien vinden ze in dat andere boek dan wel de inspiratie voor de baan van hun dromen.

Wytske Versteeg

Wat doet het ertoe of wat je schrijft literatuur is? Niets. Tegelijk: alles.

Onder de categorie ‘literatuur’ vallen, volgens Van Dale, alle teksten “van een bepaald niveau”. Wat dat niveau is wordt door de buitenwereld bepaald: de uitgever, de critici, docenten Nederlands. Zij zijn de mensen die van oudsher het recht hebben om het gebied van de literatuur af te bakenen, en vaak betekent dat dat er een hek omheen gezet wordt, bordjes geplant met ‘verboden toegang’ erop. Dat idee van literatuur in hokjes interesseert me niet zo erg.

Maar ik ben ook geen fan van E.L. James.

Vergelijk je het met muziek, dan is de kwestie of iets nu wel of geen literatuur is misschien wel een kwestie van zuiverheid, en van resonantie. Begint er bij mij iets mee te trillen door het stemgeluid van deze auteur? (Toegegeven, dit is een riskante vraag, gegeven het effect dat E.L. James op velen schijnt te hebben). Raken de woorden van de schrijver iets in mijn ziel, verandert er iets binnenin mij door het lezen van het boek? Oftewel, om Kafka losjes aan te halen, werkt het boek als bijl op mijn bevroren binnenzeeën – schept het een ruimte die er eerder nog niet was? Als een tekst daarin slaagt is het wat mij betreft literatuur. Dat heeft te maken met techniek, maar niet alleen daarmee – evenveel of zelfs nog meer met het vangen van iets wat ik niet zomaar een naam kan geven, anders dan menselijkheid misschien.

Wanneer ik zelf schrijf vraag ik me niet voortdurend af of mijn tekst dat niveau haalt – ik zou geen letter meer op papier krijgen. Toch zweeft ergens op de achtergrond, meer of minder vaag, altijd dat land van de literatuur in mijn gedachten, maar dan als uitzicht, fata morgana misschien, schoonheid om na te streven. Zonder hek natuurlijk.

Peter Zantingh

Afgelopen vrijdag gaf ik een lezing aan VMBO-leerlingen, die mijn debuut op hun boekenlijst hebben staan. Ze moeten in een schooljaar tien punten verzamelen met het lezen van boeken. Aan het eind volgt een mondeling. Een uur en achttien minuten is twee punten, De ontdekking van de hemel vijf punten. (Bij dat verschil kon ik me snel neerleggen.)

Het waren vanzelfsprekend niet uitsluitend boekenwurmen die van lezen een uiterste prioriteit maakten. Dus toen de lerares aan het eind vroeg of ik nog iets kwijt wilde, zei ik dat het natuurlijk niet zo leuk is dat je als middelbareschoolleerling moet lezen. Omdat het moet, wordt het minder aantrekkelijk. En ik zei dat ‘literatuur’ niet per se betekent dat het moeilijke taal is waarbij altijd het ene gezegd wordt, terwijl het andere, een diepere betekenis, bedoeld wordt. Als je geraakt wordt, is dat genoeg. Hopelijk bracht dat het plezier van het lezen van boeken wat dichterbij.

Dat is ook waar ik mee bezig ben tijdens het schrijven. Het moet mooi zijn, ik moet het mooi vinden, een ander moet het mooi vinden. De lezer moet zich na de laatste zin anders voelen dan vóór de eerste – dan heb ik het goed gedaan. Ik zou niet weten welke andere definitie ik voor mezelf aan ‘literatuur’ moet geven en ik moet er niet aan denken dat ik een of ander verheven beeld van wat het volgens anderen zou moeten zijn, probeer na te jagen.

Murat Isik

Om met de laatste vraag te beginnen: ik was tijdens het schrijven van Verloren grond niet bezig met de vraag of dat wat ik schreef literatuur was. Ik was bezig met het zo goed mogelijk op papier krijgen van het verhaal dat ik in gedachten had.

Ik vroeg me wel af of mijn personages voldoende tot leven waren gekomen, of ik de omgeving van het dorp voldoende beeldend had beschreven, of er genoeg conflict in het verhaal zat (niet alleen extern maar vooral ook intern conflict) en of de personages zich voldoende ontwikkelden.

Wie bepaalt wat literatuur is? Ik denk uiteindelijk de critici en vakjury’s, hoewel er volgens mij wel een algemene consensus is over wat, in grote lijnen, als literatuur kan worden aangemerkt. Zo is het niet bepaald een gewaagde uitspraak om te zeggen dat The Da Vinci Code van Dan Brown geen literatuur is. Brown schrijft op zo’n directe manier, dat hij alle regels van de literatuur aan zijn laars lapt. Zo hanteert Brown de regel ‘don’t tell but show’ in het geheel niet. Hij laat niet zien dat zijn personages boos zijn door het te beschrijven, maar door simpelweg te zeggen dat Robert Langdon, zijn bekende protagonist, ‘boos is.’ Hij legt de hele tijd uit en geeft zo de lezer niet de kans om zelf het verhaal te interpreteren of dingen te ontdekken. Brown zegt wat je moet zien en begrijpen. Het verhaal bestaat voornamelijk uit actie, als in het scenario van een Hollywood blockbuster, en veel historische feitjes die worden opgedreund als in een college over (kunst)geschiedenis. Jan Brokken zegt het treffend in zijn schrijfboek De wil en de weg: ‘Tijdens de eerste honderd pagina’s van The Da Vince Code zie je Dan Brown tandenknarsend achter de computer zitten. Een lezer uit Arizona zal immers niet weten hoe het Louvre eruitziet, noch dat het museum ooit een paleis is geweest. Je moet hem daarom, denkt Brown, bij de hand nemen en in de zalen rondleiden. Voor wie het Louvre kent is het een bijna hilarische exercitie: je hoort de toon van de gids, je leest het soort proza dat in toeristenfolders staat afgedrukt. Jammer, jammer (…). Doodzonde dus dat Brown in de situering van zijn verhaal in het folderproza is blijven steken.’

Als ik een roman lees, wil ik in het hoofd van een personage kruipen, door zijn gedachten bladeren, zijn innerlijke stem horen en zijn angsten voelen. Nu zal het Brown natuurlijk volledig koud laten wat ik hier over zijn magnum opus schrijf, en terecht, want van The Da Vinci Code zijn wereldwijd tachtig miljoen exemplaren verkocht, en dat is razend knap. Brown zal nooit de Man Booker Prize winnen. Toch verdient hij alle lof voor het wereldwijd aan het lezen krijgen van zoveel mensen. Zijn werk is niet literair, maar dat streeft hij ook helemaal niet na, want anders had hij dat wel gedaan of in ieder geval geprobeerd als oud-student Engelse literatuur. Maar of hij dan ook tientallen miljoenen boeken had verkocht?

Deniz Kuypers

Twee weken geleden werd mijn favoriete leraar Engels 70 jaar. Als antwoord op mijn verjaardagswens stuurde hij een quote van Willa Cather over leven en ouder worden. Zo gaat het al jaren: we delen gedichten, boekentips en overpeinzingen met elkaar.

Onze vriendschap begon al toen ik nog aan de UvA studeerde. We dronken vaak koffie in zijn kleine kantoor op de bovenste verdieping van het Bungehuis en praatten over boeken, van Philip Roths American Pastoral tot klassiekers. Hij vond vooral oudere boeken belangrijk, omdat die minder toegankelijk waren en het de taak was van een leraar om de leeservaring van een student te bevorderen. Zo leerde hij mij Heart of Darkness en The Turn of the Screw waarderen.

Op een dag liet hij me een opgevouwen lap stof zien. Hij zei dat een marktkoopman bij het uitspreiden van zijn waren er altijd voor zorgt dat de mooiste kant van de stof boven komt te liggen. Een slimme koper zal de lap dus moeten openvouwen om hem in zijn geheel te kunnen bestuderen – om de context te kunnen zien. ‘Context’, ‘tekst’ en ‘textiel’ zijn alle drie verwant aan het Latijnse woord voor ‘weven’. Oftewel, om een tekst te doorgronden, moet je hem ook openvouwen.

Of ik me daar bij het schrijven mee bezig hou? Een boek moet de lezer vooral entertainen, dus het gaat mij er allereerst om dat ik een goed verhaal op papier zet. Maar ik vraag me wel af: wat zou de lezer ontdekken als hij of zij mijn verhaal openvouwt?

Myrthe van der Meer

Sinds de roman PAAZ uit is, volg ik met verwondering zijn omzwervingen door de boekhandels. Soms op een tafel, soms in een toren, soms op een plank, maar één ding blijft hetzelfde: de plek wisselt steeds weer. In één en dezelfde boekhandel heeft PAAZ op de tafel met ‘Non-fictie’, ‘Literatuur’ en ‘Actueel’ gelegen. In die volgorde. Gelukkig lag ik daardoor niet wakker over de vraag wat hoe literair PAAZ dan was. Dat had ik namelijk in de twee jaar daarvoor al gedaan.

Ik denk dat elke schrijver zich wel ergens tijdens het schrijven bezig gaat houden (lees: zichzelf onzeker gaat maken) met de vraag wat hij eigenlijk aan het produceren is: wordt het ‘gewoon’ een leuk boek, of wordt het Literatuur, en wat is eigenlijk het verschil?

Na een studie tot redacteur, een baan bij een uitgeverij en het schrijven van PAAZ kan ik daarop antwoorden dat ik het nog steeds niet weet. Natuurlijk ken ik de antwoorden zoals ze in de boeken staan (gebruik stijlfiguren, vermijd clichés, schrijf iets waar mensen over een eeuw nog een moord voor doen en doe iets leuks met laagjes), maar steeds vaker kwam ik tot de conclusie dat ik niet wist waar theorie overging in praktijk. Ja, de meeste manuscripten die je als redacteur leest zullen nooit literatuur worden, simpelweg omdat ze gewoon slecht geschreven zijn. Maar hoe zit dan met de rest?

Is ‘literatuur’ net als bij de manuscripten ook gewoon het oordeel van een ander over een boek dat jij geschreven hebt, of is het een genre an sich, net als kookboeken en thrillers? Dat is een interessant idee, want dan zouden er net als bij andere boekensoorten dus ook slechte en middelmatige literatuur moeten bestaan. Gek genoeg hoor je daar nooit iemand over.

Dan lijkt het er dus toch op de literatuur ontstaat in het hoofd van de lezer: kranten strooien elke week hun sterren over de gerecenseerde boeken uit en bepalen daarmee wat literair is en wat niet. Maar lang niet elk boek wordt besproken, wat betekent dat er ook een selectie aan de poort plaatsvindt. De vraag is alleen: welke? Is het zo dat bij kwaliteitskranten alleen literatuur erdoor komt? Dat zorgt dan voor een boeiende paradox, want dan zou boek met een vernietigende recensie met slechts één ster in praktijk beter zijn dan het deel dat de poort niet haalde? Is de één dan de nieuwe zeven?

Van literatuur wordt vaak gezegd dat ze ingewikkeld is. Daar ben ik het wel mee eens. De laatste keer dat ik een boekhandel binnenliep stond PAAZ trouwens weer gewoon bij non-fictie. Ook daar kun je over discussiëren, maar dat is dan een discussie gebaseerd op feiten, niet op gevoel. Wel zo makkelijk.

Deel dit bericht