Welk boek dat iedereen goed leek te vinden, vond jij verschrikkelijk?

‘Welk boek dat iedereen goed leek te vinden, vond jij verschrikkelijk (en waarom)?’ – Peter Zantingh

Peter Zantingh

De honderdjarige man die uit het raam klom en verdween. Dat boek staat voor mijn gevoel al anderhalf jaar in de bestsellerlijsten. Toen ik laatst in mijn favoriete boekhandel was, hoorde ik ook weer hoe het werd aangeraden aan een klant. Omdat het over de wereldgeschiedenis gaat en zo uniek en grappig geschreven zou zijn. Het wordt bovendien verfilmd.

Ik vond het juist erg vervelend geschreven. Het boek gaat over Allan Karlsson die op zijn honderdste verjaardag uit het raam van het bejaardentehuis ontsnapt en op een tocht gaat, waarbij hij steeds meer mensen ontmoet en steeds meer mensen naar hem op zoek gaan. Ondertussen wordt zijn levensverhaal verteld: hoe zijn omging met allerlei wereldleiders, van Mao tot Churchill, betrokken was bij bepalende momenten in de geschiedenis, zoals de uitvinding van de atoombom, en uitzonderlijke dingen deed, zoals ter voet de Himalaya oversteken.

Een soort Forrest Gump dus, maar dan nog veel gekker.

Karlsson is apolitiek en emotieloos: niets wat hem overkomt, kan hem echt overdonderen. Schrijver Jonas Jonasson doet ongeveer hetzelfde met de droogkomische stijl: het barst van de variaties op ‘dat kwam hem niet bijzonder goed uit’ wanneer er iets heel ergs met iemand gebeurt. Dat trucje ging bij mij erg snel vervelen.

Moet je het dan lezen voor de inhoud? Wat mij betreft niet. Dat het een belachelijk verhaal is hoeft nog niet te betekenen dat het slecht is, maar veel van de stukken modderen maar wat aan terwijl Jonasson zich lijkt uit te leven op de ene na de andere bizarre plotwending, waarvan de meeste het verhaal niet vooruit brengen en ook niet echt grappig zijn.

Want humor – daar wordt dit boek vaak om geprezen. Ik zou zeggen: wend je voor een droogkomisch boek met een unieke stijl tot Brusselmans of Van Kooten en laat De honderdjarige… links liggen.

Myrthe van der Meer

Bij de vraag welk boek of welke schrijver je vreselijk vindt, hoor je na je antwoord vaak dat je een Nederlandse schrijver moet noemen – en het liefst een levende, want dat is spannender dan een dode. Dus om me er niet te makkelijk vanaf te laten komen: welk boek van een Nederlandse schrijver viel mij tegen?

En dan merk je als schrijver meteen waarom praten over buitenlandse boeken zoveel gemakkelijker is. Ze zijn op een bepaalde manier neutraal, want de schrijver woont ver weg terwijl kritische opmerkingen over boeken uit eigen land al snel persoonlijk voelen. En over sommige boeken mag je misschien helemaal geen opmerkingen maken. Zoals Tonio, van A.F.Th. van der Heijden.

Toen Tonio uitkwam, was ik er erg benieuwd naar – hoe schrijf je over zoiets verschrikkelijks als de dood van je eigen zoon? – maar ik werd ook bang door alle recensies over een boek dat zo hartverscheurend compromisloos en indringend geschreven was dat de lezer er op geen enkele manier aan kon ontsnappen. Ik ging zelf net weer een sombere periode door en wist niet of ik dat wel aankon.

Dat bleek best mee te vallen. Tonio was een mooi geschreven boek en ik ging er niet aan onderdoor. Sterker nog: ik voelde er eigenlijk niet zoveel bij. Wel bij het eerste deel, de ontreddering rond het ongeluk en het uitzoeken van wat er precies gebeurd was. De directheid waarmee dat geschreven was greep me bij de keel. Maar daarna begon een zich steeds herhalende reeks van jeugdherinneringen, alcoholmisbruik en literaire vergelijkingen, alsof de auteur het verdriet via het schrijven op afstand probeerde te houden, het te rationaliseren door een verstandelijk relaas te schrijven dat zich overal af leek te spelen behalve in het hier en nu. Het raakte mij steeds minder, de ‘verhaallijn’ bleef honderden pagina’s lang op hetzelfde punt steken en ik voelde steeds vaker de neiging om stukken over te slaan. Die traagheid probeerde ik eerst nog te zien als een methode om aan te tonen dat de tijd als een eindeloze herhaling van zetten voelt voor iemand die in de rouw is – maar heeft de literatuur daar niet andere stijlmiddelen voor? Je hoeft toch ook niet een telefoonboek over te schrijven om duidelijk te maken dat je personage het telefoonboek uit zijn hoofd kent? Het voelde alsof hier uit ontzag voor het enorme leed dat achter het boek school de tekst zelf zoveel mogelijk door de redacteur ontzien was.

Zou ik dat alles erg hebben gevonden als de schrijver onbekend was en het boek nog nooit zo jubelend was gerecenseerd? Waarschijnlijk niet. Mijn mening zou hetzelfde zijn gebleven, maar de frustratie en teleurstelling minder groot dan nu, nu het boek overal de wolken werd geprezen als briljant, en het het zelfs presteerde om als autobiografie een van de grootste romanprijzen wist te winnen. Ik vond het knap dat het iemand gelukt was om een literair monument op te richten voor een overleden kind – maar sec als roman beschouwd schortte er behoorlijk wat aan.

Uiteindelijk ben ik tot de conclusie gekomen: waargebeurde boeken blijken altijd lastig te beoordelen. Het onderwerp gaat er al snel met de lezer vandoor en heeft de neiging redacteurs te verblinden. Zou je een waargebeurd verhaal nog steeds net zo’n goed boek vinden als het compleet verzonnen was? In de meeste gevallen is het antwoord denk ik: nee. Ook niet bij PAAZ. Voor een echt geslaagd (fictie)boek is het te lang, heeft het teveel herhaling en te weinig spanningsbogen. In feite lijdt het aan hetzelfde euvel als Tonio. Het is meer een mooie beschrijving van een boeiende status quo dan een goed opgebouwd, boeiend verhaal. En dat is niet erg, maar een heftig of ontroerend onderwerp en een goede schrijfstijl zijn iets anders dan een echt briljante roman. Daarvoor zit de werkelijkheid ons schrijvers en lezers blijkbaar toch teveel in de weg.

Deel dit bericht

Hoe ontstaan jullie personages, en zijn jullie wel eens verbaasd door de reacties van anderen?

‘Hoe ontstaan jullie personages, en zijn jullie wel eens verbaasd door de reacties van anderen op die personages?’ – Wytske Versteeg

Peter Zantingh

Ik zal beginnen met het tweede deel van Wytskes vraag: nee, ik geloof niet dat ik verbaasd ben geweest over hoe anderen op mijn personages hebben gereageerd. Of het moet zijn dat mensen mijn hoofdpersoon en mij door elkaar halen. Dat gebeurt, en dat is logisch, denk ik. Een uur en achttien minuten is geschreven in de ik-vorm en die ik, Johan, is een jongen die in West-Friesland opgroeide en naar Utrecht trok om daar te studeren.

Peter Zantingh deed dat ook.

Mijn personages voor dat boek zijn ontstaan tijdens het schrijven. Ik wilde Johan omringen met jongens die grotendeels hetzelfde zijn, omdat ze samen zijn opgegroeid, uit hetzelfde dorp komen, elkaar vaak zien, samen uitgaan, voetballen, elkaars stopwoordjes overnemen. Ze moesten de eerste tekenen vertonen van een meer eigen persoonlijkheid, omdat juist het ‘volwassen’ karakter ervoor zou zorgen dat ze langzaam uit elkaar groeien (en een van de vijf kan daar niet tegen, wil dat alles hetzelfde blijft).

Boek twee dan. Ik wilde het daarvoor anders doen. Toen ik voor boek één een ronde langs uitgeverijen maakte, zei een van de redacteuren die ik sprak dat het helpt om een paar duizend worden te schrijven over een personage. Woorden die niet in het boek hoeven terug te komen, maar bedoeld zijn om dat personage te leren kennen.

Dat deed ik voor Boris* en de andere personages uit Misschien op zolder**. Ik begon om zeven uur ‘s ochtends en tikte tot elf uur van alles op, alles wat ik vond passen bij het karakter van de mensen die ik verzonnen had – of eigenlijk op dat moment aan het verzinnen was. Waar groeide hij op, wie zijn zijn ouders, broers en zussen, waar ging hij naar school, waar heeft hij een hekel aan, wat doet hij het liefst? Wat doet hij op zijn brood, naar welke muziek luistert hij, kijkt hij naar sport?

Toen ik daarna aan het boek begon, merkte ik dat ik dat beeld hier en daar wilde aanpassen. Dat het net iets beter paste als hij niet in Amsterdam woonde, of iets ouder was, of niet jarig in maart. Dat sta ik mezelf toe. Soms pas ik het ook meteen aan in dat oorspronkelijke document, al vergeet ik dat regelmatig. Het belangrijkst is het beeld in mijn hoofd dat ik door het schrijven van die paar duizend woorden gekregen heb, zodat ik weet hoe hij op allerlei situaties zou reageren en wat hij in een dialoog zou zeggen.

* Dit is een werknaam.
** Dit is een werktitel.

Myrthe van der Meer

Wat mij het meest verraste bij PAAZ was hoe lezers op de hoofdpersoon reageerden. Om de een of andere reden kwamen onze interpretaties niet helemaal overeen. Dat is vooral gek, omdat ik zelf die hoofdpersoon was. Ik vond ‘Emma’ eerder een soort statief voor de wild rondzwiepende camera dan een volwaardig karakter dat zelfstandig het verhaal droeg, en waar ik de hoofdpersoon vooral een nogal muizig, onzichtbaar personage vond, bleek de lezer erg met haar mee te leven en haar onmisbaar te vinden als gids door de krochten van de psychiatrische roman.

Het verschil kan ik niet echt verklaren. Misschien zit het hem in het feit dat PAAZ autobiografisch is. Als je alles zelf al eens hebt meegemaakt, dan ben je tijdens het schrijven vooral bezig met hoe de anderen het beleefden. Ik ben voor mezelf oud nieuws, dus het blijft raar om dan van lezers te horen hoe zij niet alleen over mijn boek, maar ook over mijn eigen rol daarin denken.

Tegelijkertijd denk ik dat je als schrijver altijd wel verrast zult blijven door de reacties van de lezer. Zo heb ik PAAZ vooral geschreven om exact vast te leggen hoe zoiets voelt, een psychiatrische opname met alle levensvragen, stervenszaken en mensen die daarbij horen. Persoonlijk was ik heel blij met die opname (oké, vijf maanden was misschien een beetje aan de lange kant), maar ik krijg nog steeds e-mails van mensen over hoe geweldig het is dat er met PAAZ nu eindelijk een boek is over wat voor een mensonwaardig martelwerktuig de psychiatrie is voor patiënten.

Dus ja, dan ben ik wel even verbaasd.

Kalf, mijn volgende roman is in tegenstelling tot PAAZ fictie en dus wel verzonnen. De personages ontstonden daar eigenlijk heel logisch vanuit het verhaal zelf. Kalf begon heel simpel met de vraag: wat doe je als je exact weet hoe lang je nog te leven hebt? Namelijk kort?

Ik had geen idee, dus vroeg ik me af hoe een personage dat in een verhaal zou doen. Dat moest dan sowieso een ouder personage zijn, vond ik, want die heeft meer om op terug te kijken – oud zeer en vervlogen dromen doen het altijd goed in de moderne literatuur – en dan het liefst een personage dat alles bereikt heeft waar hij voor gewerkt heeft, om er dan achter te komen dat het enige wat hij echt wilde in de weg daarnaartoe verloren is. Zo ontstond Onno, en ik hield meteen hartstochtelijk veel van hem. Maar als hij dat hele verleden met zich meezeulde, dan moest hij dat ook tegen iemand kunnen vertellen – beter nog, voor iemand geheim kunnen houden: zo ontstond hoofdpersoon twee, zijn kleinzoon Jurgen. Ik vind ze geweldig – maar uiteindelijk besluit iedere lezer voor zich wat hij van een boek of de personages vindt.

Als alles goed gaat ligt Kalf deze herfst in de winkel. Met dus niet één hoofdpersoon, maar twee.

Double trouble dus. Ik ben benieuwd naar wat voor reacties dat deze keer oplevert…

Deniz Kuypers

De hoofdfiguren in mijn debuutroman, Dagen zonder Dulci, leerde ik al schrijvend kennen. Zo gaat dat bij mij: ik begin met een beeld of gevoel, en bouw de rest van de roman daar omheen. Personages en verhalen komen dus tegelijkertijd tot stand, wat soms problemen oplevert. Een personage mag aan het eind van het boek namelijk niet hetzelfde zijn als aan het begin, dus wat doe je als je aan het begin nog niet weet met wat voor personages je te maken hebt?

Mijn oplossing: schrijven tot je het wel weet. Voor mijn debuut heb ik in totaal 200,000 woorden geschreven, terwijl het uiteindelijke boek maar 50,000 woorden telde. Inmiddels ben ik met een nieuwe roman bezig. Eerst maakte ik een ‘beginnetje’ van 80,000 woorden, waarvan er inmiddels nog maar krap 20,000 zijn overgebleven. Dit is een tijdrovende manier van schrijven. (Zeg gerust: gekkenwerk.) Het liefst zou ik een verhaal in een keer op papier zetten, om er vervolgens aan te schaven. Maar hoe kun je een verhaal een logisch besluit geven zonder je personages helemaal te kennen?

Er wordt gezegd dat het begin en het eind van een verhaal het moeilijkst zijn. Het eind, dat ondervond ik vooral bij het schrijven van Dulci. Het begin, dat ondervind ik met mijn tweede boek. Nu ik mijn hoofdfiguur duidelijk voor ogen heb, moet ik een balans vinden tussen hem voor de lezer tot leven brengen en het verhaal in gang zetten, zonder dat het boek te vertellerig wordt (teveel karakteropbouw) of de hoofdfiguur te schetsmatig (teveel plot).

Ben ik weleens verbaasd door de reacties van anderen op mijn personages? De vader in Dulci (een bijfiguur) had ik me sympathieker voorgesteld dan wat veel lezers van hem vinden. Maar uiteindelijk past dat ook wel bij het boek. Dulci gaat deels over de verhalen die we elkaar en onszelf vertellen, en de manier waarop we ons presenteren aan de wereld om ons heen. Ik weet dingen over de vader die hij verkoos niet in het boek te laten zien, en dat heeft klaarblijkelijk gevolgen voor hem gehad.

Toen mijn debuut uitkwam, was ik vooral bang dat de hoofdfiguur – een zeventienjarig meisje – niet geloofwaardig genoeg zou zijn voor vrouwelijke lezers. Gelukkig is dat geen probleem gebleken. Mijn nieuwe boek heeft een man van mijn leeftijd in de hoofdrol, maar dat maakt me niet minder nerveus. Alleen maakt dat nu nog niet uit, we staan pas aan het begin van onze reis, en ik heb een goed idee waar we zullen belanden.

Dennis Rijnvis

Bij mijn laatste boek onstonden de personages vooral door het verhaal dat ik componeerde. Savelsbos was erg plotgedreven. Ik wist vanaf het begin dat vijf jongeren de hoofdrol zouden spelen, maar hun karakters veranderde aan de hand van de wendingen in het verhaal die ik bedacht.

Wel zijn de personages gebaseerd op een vriendengroep die ik ooit had. Veel mensen herkenden daardoor iets van zichzelf in het verhaal, maar dat kan ook te maken hebben met het feit dat hun namen leken op de namen van de jongens in het boek. De hoofdpersoon van het boek is in zekere zin op mezelf gebaseerd, al is het een erg in zichzelf gekeerde versie van mij. Grappig genoeg waren de reacties op dit personage inderdaad heel verschillend. Sommige mensen zeggen erg mee te leven met Daniël, het hoofdpersonage, anderen vinden hem laf en hypocriet. Dat mensen totaal tegengestelde meningen over eenzelfde personage of boek kunnen hebben, is iets dat ik sowieso heb geleerd van de publicatie van Savelsbos. In zekere zin is het geruststellend. Je kunt nooit dat een boek schrijven met personages en plotwendingen die iedereen bevallen. Je kunt dus maar beter gewoon naar jezelf luisteren.

Wytske Versteeg

Vroeger hadden wij een cassettebandje met daarop een Nederlandse musical over Tsjechov, waar we vaak naar luisterden in de auto. Op één van die liedjes sprak Tsjechov, bij monde van Robert Long, geloof ik: ‘ik heb mijn personages veel ontnomen. Maar ik heb ze altijd de hoop laten houden.’ (Dezelfde musical bevatte zelfs een liedje met schrijftips zodat ik mezelf nu, ruim twintig jaar later, nog zo af en toe kan afvragen: ‘wat deel ik mee, wat wil ik zeggen, waarom draait wat ik vertel in het bijzonder?’)

Ik denk vaak aan dat zinnetje over hoop, want meestal vinden anderen mijn personages killer en onaardiger dan ik. Misschien is mijn blik gewoon vertekend omdat ik die personages zelf bedacht heb, zoals ouders soms hoog opgeven over hun verwende kind, aan wie ieder ander een hekel heeft. Waar je een ouder in zo’n geval zelden corrigeert, althans niet als je een min of meer vriendschappelijke relatie wilt behouden, zijn de sociale regels met betrekking tot fictieve personages een stuk minder duidelijk, en dus ben ik geregeld verbaasd als er weer eens iemand opmerkt hoe hij of zij zich heeft geërgerd aan het gedrag van het een of andere karakter. Verbaasd en jawel, soms – net als zo’n vreselijke ouder- zelfs een klein beetje gekwetst.

Want al die personages komen toch uit mijn hoofd, en om ze te kunnen schrijven moet ik wel in hen geloven, en ze een plausibele reden geven om zich zo te gedragen als ze doen Misschien is het ook het bedenken van personages een soort opvoeden; je geeft ze woorden tot ze zich bijna uit zichzelf gaan bewegen, je brengt ze tot leven tot ze plotseling dingen gaan doen die je niet vooraf voor ze had bedacht.

Deel dit bericht

In hoeverre bedenken jullie het plot van een boek voordat jullie gaan schrijven?

‘In hoeverre bedenken jullie het plot van een boek voordat jullie gaan schrijven? En hoe gaat dit in zijn werk? Maak je schema’s, heb je alles in je hoofd zitten? Of komen alle plotwendingen pas op tijdens het schrijven?’ – Dennis Rijnvis

Murat Isik

Voordat ik aan mijn debuut Verloren grond begon, werd ik door mijn literair agent Willem Bisseling gevraagd een synopsis te schrijven. Dat was nodig voor het aanbieden van mijn manuscirpt (in wording) aan uitgeverijen. Ik werd daardoor in een vroeg stadium gedwongen heel goed na te denken over het verhaal en de personages. Eerst heb ik wekenlang op het verhaal gebroed, tot ik het plotseling had. Hoog boven de Atlantische Oceaan tijdens de vlucht van San Francisco naar Amsterdam viel alles op zijn plek. Ik had mijn verhaal te pakken! Als een bezetene werkte ik het verhaal uit op mijn krappe uitklaptafeltje terwijl vrijwel alle andere passagiers sliepen. Eenmaal thuis ging ik gretig aan de slag. En op momenten dat het even iets minder wilde vlotten, bleek de synopsis een handiger middel dan ik van tevoren had verwacht.

Hoewel ik het verhaal van begin tot eind in mijn hoofd had (wat ik overigens erg kan aanbevelen als werkwijze), heb ik de synopsis er tijdens het schrijven meerdere mailen bijgepakt, gewoon om wat bij te sturen of vooruit te blikken naar het volgende hoofdstuk. Ik werk dus niet met schema’s of grote vellen aan de muur, maar weet wel van tevoren welk verhaal ik wil vertellen. Ik ken mijn eindbestemming. En dat is belangrijk, althans, voor mij.

Er zijn ook schrijvers die gewoon van start gaan en onderweg wel zien waar hun eindbestemming ligt. Ik moet zeggen dat ik dat alleen doe bij korte verhalen. Voor het Cappuccino Schrijvershuis mocht ik een kort verhaal schrijven op de werkplek van Thomas Rosenboom. Hij heeft van zijn uitgeverij de zolderkamer in hun statige grachtenpand ter beschikking gekregen. Daar, op die plek, werkt hij aan zijn romans. Toen ik zijn werkkamer betrad, viel het me meteen op dat Rosenboom de schuine wand boven zijn bureau gebruikt voor schema’s en aantekeningen. Ieder hoofdstuk van zijn laatste roman had hij schematisch uitgewerkt. Benieuwd hoe dat eruit zag? De NCRV filmde mijn bezoek aan Rosenbooms werkplek voor de website van radio Cappuccino. Het filmpje is via deze link terug te kijken: http://www.youtube.com/watch?v=FN50Rt7MZWs.
Het korte verhaal dat ik er schreef, las ik voor op de radio. Dat fragment is hier te beluisteren:
http://m.radio1.nl/mobiel-radio2/gemist/fragment/99478

Voor mijn nieuwe roman, die zich afspeelt in de Bijlmer, heb ik vorig jaar een korte synopsis geschreven, vlak voordat ik er een contact voor tekende bij Anthos. In tegenstelling tot Verloren grond had ik het verhaal voor mijn tweede roman op dat moment minder helder voor ogen. Natuurlijk, ik zag de grote lijnen, wist wat de grote ontwikkelingen zouden worden, maar had toen nog niet helemaal grip op het verhaal. Pas een half jaar later begon ik te schrijven aan mijn tweede roman. In de tussentijd maakte ik aantekeningen op mijn iPhone. Ik legde zinnen vast die me te binnen schoten, of losse trefwoorden waar ik later nog iets mee moest. Maar het echte werk vond ondertussen plaats in mijn hoofd: tijdens de optredens en voordrachten voor Verloren grond door broedde ik op roman II. Toen ik daadwerkelijk begon met schrijven, begin dit jaar, merkte ik dat het verhaal zich had doorontwikkeld. Er waren nieuwe en belangrijke personages in beeld gekomen en er hadden zich wendingen in het verhaal aangediend die ik een half jaar eerder nog niet had voorzien en die dus niet in de synopsis staan. Inmiddels heb ik al ruim 40.000 woorden geschreven, maar toch ga ik binnenkort de originele synopsis aanpassen en de nieuwe personages en wendingen er een plaats in geven. Want ik weet nu al, als ik straks vastloop, kan die synopsis mij weer op de rails duwen.

Wytske Versteeg

Soms ben ik jaloers op schrijvers die een boek vooraf al helemaal hebben uitgedacht; het moet namelijk een hele hoop tijd en moeite schelen. Zelf weet ik vooraf alleen in grote lijnen waar mijn boek naar toe gaat, en dat kan wel eens problemen opleveren naarmate ik verder kom in mijn verhaal. Ik kan wel bedacht hebben dat iets op deze of die manier moet gebeuren, maar hoe pas ik dat nog in als het boek inmiddels van vorm is veranderd?
Dat wordt dus puzzelen en dat zorgt weer voor bizarre brainstorms. In mijn nieuwe boek Boy sterft één van de personages – maar hoe kreeg ik hem nu toch dood op een manier die zou kloppen met de rest van het boek? (Opgelost, inmiddels, maar de mensen aan tafeltjes naast je kijken toch wat vreemd op wanneer ze dat soort vragen horen).

Ondanks zulke onhandige momenten kan ik me niet voorstellen dat ik ooit met een schema zal werken. Het lijkt me namelijk vreselijk saai; waarom zou je een boek nog schrijven als je er zelf niets nieuws meer in ontdekken kunt? Hoewel uiteindelijk altijd de schrijver het laatste woord heeft, blijken personages vaak andere mensen te zijn dan ik vooraf zou kunnen bedenken – en soms weigeren ze iets te doen omdat het domweg helemaal niet bij hen past. Het lijkt me heel vervelend om dat soort onvoorspelbare zaken in een schema te moeten dwingen.
Het enige dat ik echt nodig heb om te beginnen is een personage dat me blijkbaar iets te vertellen heeft, al weet ik vooraf nog lang niet altijd wat dat precies zal zijn. Heb ik eenmaal zo’n sprekend personage, dan volgt de rest – nu ja, natuurlijk niet vanzelf – maar toch een stuk gemakkelijker dan als ik zelf een plot zou moeten uitdenken. Schrijven moet zo ongeveer het enige beroep zijn waarbij het horen van stemmen iets heel positiefs is.

Peter Zantingh

Wat ik in ieder geval moet hebben, is de gebeurtenis die aan het begin plaatsvindt en het verhaal op gang brengt. Ik weet dat ik op de eerste pagina’s het leven van mijn ik-persoon overhoop moet gooien, zodat hij gedurende de rest van het boek probeert de balans te herstellen.

Bij beide boeken had ik die begingebeurtenis (de Engelstaligen noemen dat een inciting incident) en wist ik hoe mijn protagonist erop zou reageren. Als ik dat heb, kan ik gaan schrijven. Als ik vervolgens de eerste paar duizend woorden op papier heb gezet, merk ik dat er vanzelf een logisch schema is dat zich opdringt.

Voor mijn debuut legde ik dat strak vast: alles moest zich binnen zes dagen (van dood tot begrafenis) afspelen, dus ik had zes hoofdstukken waarin alles wat ik wilde vertellen moest passen. Al erg snel wist ik dat ik het zo wilde doen. Ik schreef na het begin eerst het einde, daarna pas het tussenstuk. Dat hielp om te weten waar ik op uit wilde komen. De strakke afbakening zorgde ervoor dat de rest zich redelijk vanzelfsprekend in goede banen liet leiden.

(Daar moet bij gezegd dat mijn boeken niet op plot drijven – Een uur en achttien minuten is wel omschreven als ‘min of meer plotloos’. Ik hoop de lezer te raken met stijl en sfeer, met wat er juist niet in het zicht gebeurt, en ben daarom minder dan bijvoorbeeld een thrillerschrijver bezig met het plot.)

Bij mijn tweede roman – ik ben er nog druk mee bezig, maar je kunt hier al een heel klein stukje lezen – heb ik ook een schema verzonnen nadat ik het begin van het boek geschreven had, maar dat schema is later vaak weer omgegooid. Nog steeds ligt niet vast wat wanneer moet gebeuren, binnen welke tijdsspanne het verhaal zich moet afspelen of wat een logische indeling in hoofdstukken zou zijn. Ik maak wel schema’s, werk ze ook uit op papier of digitaal, maar meer dan eens heb ik ze later weer ingeruild voor een nieuw schema.

Eigenlijk is een schema uitdenken hetzelfde als het schrijven zelf: elke volgende versie ontstaat uit de vorige, maar is hopelijk beter omdat je geleerd hebt van de dingen die niet goed genoeg waren.

Myrthe van der Meer

Voor PAAZ heb ik nooit een schema gebruikt. Ik schreef alle hoofdstukken kriskras door elkaar om ze pas tegen het einde op de chronologische volgorde te zetten. Niet alleen omdat het een waargebeurd verhaal was en alles me nog levendig in het geheugen gegrift stond, maar ook omdat ik op die manier de vaart erin hield: elk hoofdstuk is in feite een soort column, een miniverhaaltje an sich met zijn eigen plot en spanningsboog. Door pas tegen het eind van het schrijfproces de hoofdstukken op de juiste volgorde te zetten en ze met bruggetjes onderling te verbinden, voorkwam ik dat die bruggetjes te veel tijd en ruimte op zouden slokken.

Het is misschien wel het bekendste schrijversprobleem: hoe krijg ik mijn personage van A naar B? En hoe geef je aan waar A en B zijn? In A gebeurt iets spannends, in B ook, maar als ik dat verhaal chronologisch zou beschrijven, dan zou ik persoonlijk al snel stranden in alle manieren om van A naar B te komen (bus? Trein? Fiets?) . Dus schrijf ik niet chronologisch, maar gewoon ‘stukjes’: bijvoorbeeld eerst situatie B, een ontmoeting in een bar, dan A, en dan blijkt dat je hoofdstuk B gewoon kunt beginnen met: ‘Toen hij de kroeg binnenstapte, schudde hij zijn jas uit. Het was de hele dag droog geweest maar toen hij uit de bus stapte brak er een hoosbui uit die hem doorweekt tot op het bot achterliet. De barman knikte nors naar de kapstok. Aan de bar, met de rug naar hem toe, zat de vrouw.’

Dan voegt het bruggetje nog zeker wat toe (sfeer), maar loop ik niet het risico te verdwalen in eindeloze lappen tekst over de OV-chipkaart, het openbaar vervoer in Nederland, de staat van het wegennet en alles wat maar tussen A en B kan liggen. Want in praktijk is dat – zelfs in Nederland – de hele wereld.

Met Kalf, mijn volgende boek, heb ik eigenlijk hetzelfde gedaan: het idee ontstond toen ik in een piepklein vliegtuigje zat en zeker wist dat we ieder moment neer konden storten. Ik wist dat ik mezelf op de een of andere manier af moest leiden (ik was op vakantie en het moest leuk zijn) en dus besloot ik een antwoord te zoeken op de vraag die me al een tijdje bezig hield: wat doe je als je precies weet hoe lang je nog te leven hebt? En wat als je dan helemaal niet zo’n menslievend karakter hebt, maar een arrogant stuk vreten bent en nog maar één familielid hebt om hiermee lastig te vallen?

Zo ontstond Onno, en met hem zijn veelgeplaagde kleinzoon Jurgen. En dat dynamische duo was meteen zo dynamisch dat welke situatie ik ook bedacht, ze daar meteen op hun eigen manier invulling aan gaven. De plot was er dus al, de personages reden al rond in mijn hoofd en dat leverde al snel een lange lijst op aan situaties op plus hun reacties daarop, en die ben ik weer kriskras door elkaar gaan uitwerken.

En de bruggetjes tussen A en B? Zoals mijn uitgeefster het afgelopen week het zei: ‘Weer te lang. ‘
Ach ja. Je kunt niet alles hebben.

Deniz Kuypers

Ik geloof dat er twee soorten schrijvers zijn: de een denkt een boek van tevoren helemaal uit, de ander begint met schrijven en ziet wel waar hij op uitkomt. Tot voor kort viel ik in die laatste categorie. Het oorspronkelijke idee voor mijn debuut, Dagen zonder Dulci, bestond uit een beeld van twee zussen die op bed lagen en op een vreemde manier langs elkaar heen praatten. Ik moest de rest van het boek schrijven om erachter te komen wat er precies met ze aan de hand was. Voor het boek waar ik nu aan werk heb ik voor het eerst in mijn leven een schema gemaakt, dat ik heel hoopvol aan de muur boven mijn bureau heb geplakt. Ik zeg ‘hoopvol’, omdat ik bij het ophangen het rare idee had dat een schema het schrijven makkelijker zou maken. Waarom niet? Ik weet immers wat er gaat gebeuren, het enige wat ik nog moet doen is het opschrijven.

Om heel eerlijk te zeggen begon ik twee jaar geleden al aan dit boek. Toen ik vorig jaar een contract tekende met Anthos, kreeg Dulci voorrang en zette ik dat andere boek tijdelijk opzij. Hierdoor kreeg ik genoeg tijd en afstand om goed na te denken over waar ik eigenlijk met mijn nieuwe boek naartoe wilde. Ik had 80,000 woorden en een handvol personages, maar er was geen samenhangend verhaal. Net als bij Dulci had ik de hoop dat de puzzelstukjes uiteindelijk op magische wijze wel in elkaar zouden vallen.

Inmiddels ben ik alweer zes weken lang dagelijks bezig met mijn nieuwe boek. Wat ik heb geleerd is dat het schema het schrijven totaal niet bevordert. Integendeel, ik moet mezelf echt dwingen de tijd te nemen om elke scène goed uit te werken en me niet alleen zorgen te maken over hoe ik zo snel mogelijk bij de volgende plotwending beland. Ik heb soms trouwens het idee dat ‘plot’ een beetje een vies woord is in de literatuur. Ik begrijp ook wel waarom. Je moet namelijk oppassen dat plot geen plaatsvervanger wordt voor geloofwaardige personages. Gelukkig heb ik eindelijk een goede balans gevonden met mijn nieuwe boek.

Het beste wat het schema voor mij doet, is dat het me een soort deadline geeft. Ik ken mijn personages en ik weet in welke situaties ze gaan belanden. Ik weet dus wanneer ik wel en niet ergens over moet uitweiden. Dat houdt de roman een beetje binnen de perken. Maar ik had dit niet kunnen doen zonder eerst twee jaar lang zorgeloos, richtingloos in het donker rond te tasten.

Deel dit bericht

Wat doe je als het schrijven niet meezit? Geef je op of heb je trucjes om toch door te zetten?

Myrthe van der Meer

Eigenlijk zit ik nooit vast doordat ik te weinig inspiratie heb – eerder andersom: ik raak in de knoop doordat ik halverwege het eerste hoofdstuk van boek A in gedachten alweer halverwege boek B zit. En hoe leuk schrijven ook is, een nieuw boek is altijd leuker omdat alle gedachtes daarover nog vers zijn.
Ik zit nu bijvoorbeeld in de afrondende fase van mijn tweede boek, Kalf. Het verhaal is nog steeds even leuk als toen ik begon en bij het schrijven van de laatste tien hoofdstukken typ ik nog steeds met tranen in mijn ogen – zowel van het huilen als het lachen – maar iedere dialoog, elke oplossing heb ik al honderd keer door mijn hoofd gegaan. Ik weet precies wat op het papier moet komen; ik hoef het alleen nog maar even te schrijven… En dat is soms best pittig.

De afgelopen weken heb ik dan ook vooral vechtend met mijn laptop doorgebracht omdat de laatste loodjes nou eenmaal het zwaarst zijn (de leukste scènes heb je al geschreven, over de rest heb je al te vaak nagedacht en hoe langer je aan iets schrijft, hoe intensiever je afvraagt of het eigenlijk wel goed genoeg is?). Ik ben dan intensief bezig met truckjes om mezelf aan het schrijven te houden. Je zou zelfs kunnen zeggen dat ik zo intensief bezig ben met mezelf met truckjes richting de computer te lokken dat ik nauwelijks meer aan schrijven toekom.

Een van de verraderlijkste vrienden is dan De Planning: ik ben vrij slecht in rekenen, maar ik weet helaas nog dat als je twee keer zoveel per dag schrijft dan je gepland had, je twee keer zo snel van je boek verlost bent. Dus staat de teller al snel op een onhaalbaar aantal woorden per dag, wordt de weerzin om te schrijven nog veel groter, ga ik nog meer afleiding zoeken, zit ik de hele dag op internet als ik zou moeten schrijven. Want dat is de tweede grote vijand: het voordeel van internet is dat je tegenwoordig alle research in huis kunt doen – het nadeel is dat je jezelf listig af kunt leiden door urenlang te onderzoeken of de krul op die stoelpoot in die periode nou linksom draaide of rechts.

Een week geleden zat ik er dan ook definitief doorheen: of het boek ging het raam, of ik. In plaats daarvan sprong mijn internet eruit. Weg draadloos contact; ineens kon ik alleen nog maar liggend op mijn buik met een te kort draadje naar de router in de meterkast mijn mail kon checken. Daar was na een kwartiertje de lol al snel vanaf (de echte verslaafde blijft proberen), en tot mijn stomme verbazing stond mijn laptop al snel een uur lang ongebruikt op de grond – toen twee uur, toen een halve dag terwijl de verslaving zijn greep op mij verloor en ik ineens een laptoploos leven leidde! Liberté!

En toen, een dag later, zomaar uit het niets, dacht ik ineens: ik wil schrijven. Even een hoofdstukje afmaken. Eén keer per dag schrijven, drie keer per dag mijn mail checken, daarna snel de computer weer uit. Tot het boek af is tenminste. Daarna begint het geblunder weer helemaal van voren af aan.

Dennis Rijnvis

Ik zit op dit moment een beetje vast met schrijven in een verhaal dat hopelijk ooit uitgroeit tot een boek. Misschien wordt het mijn volgende roman, misschien pas mijn derde, of vierde. Omdat ik pas één boek op mijn naam heb, bezit ik niet de autoriteit om hier een handleiding te geven: wat te doen als je vastzit in het schrijfproces?

In plaats daarvan zal ik analyseren waarom ik nu zelf ben vastgelopen. Ik werk aan een verhaal dat zich afspeelt in een circus. Het gaat om een jongen die gevangen zit in een vreemd, bovennatuurlijk geloof dat hem van jongs af aan is bijgebracht. Ik zit vast, omdat ik twijfel. Over de stijl, over de potentie van het verhaal, maar vooral vanwege het perspectief. Ik denk dat twijfels bijna altijd de oorzaak zijn van een writer’s block. Het is bij mij nu zo erg dat ik in twee verschillende bestanden werk, met twee verschillende perspectieven. Aangezien ik niet de illusie heb dat ik lezers van dit blog kan leren hoe ze dit schrijfblokkades kunnen ontmantelen, kunnen we het misschien omdraaien. Help mij! Hieronder lees je het begin van mijn verhaal in twee versies. Hoe moet ik verder schrijven, welk perspectief is het beste?

1.

De jongen zag de bliksem en een moment geloofde hij dat de tijd weer uit de knoop zou raken. Hij sprong op van het trapje bij de deur van de woonwagen, waarop hij zittend het zaagsel uit de piste onder zijn blote voeten vandaan had geklopt. De laatste houtschilfers die aan zijn huid kleefden vermengden zich met modder, even zwart als de lucht achter de boomtoppen waarboven hij de eerste lichtflits had gezien.

Hij rende zo hard dat zijn pak knarste bij de mouwen die bestonden uit ijzeren ringen, aan elkaar geregen met koperdraad en opgepoetst zodat het metaal zou fonkelen in het licht van de schijnwerpers in de grote tent.

Ze hadden hem ooit gevonden in pak, zeiden de ouderen altijd. Ze hadden de mouwen langer gemaakt omdat hij niets anders wilde dragen toen hij klein was. Maar hij wist niet of hij dat moest geloven. Het pak zat niet lekker. Het ijzer liet rode plekken achter op zijn buik en als hij honkbal speelde na zijn optreden voelde hij bij voorbaat al het leem in zijn nek van de bal waarmee hij altijd als eerste werd uitgetikt.

2.

Altijd als ik de bliksem zie, hoop ik dat de tijd uit de knoop zal raken en ben ik weer een jongen van 13, zittend op het roodwit gestreepte trapje bij de deur van onze woonwagen waarop ik elke middag het zaagsel uit de piste van mijn voeten klop na een voorstelling. Ik spring op. De laatste houtschilfers die aan mijn huid kleven vermengen zich met de modder, even zwart als de lucht achter de boomtoppen waarachter ik net de eerste flits zag. Ik ren, zo hard dat mijn pak knarst bij de mouwen die bestaan uit zilveren ringen, aan elkaar geregen met koperdraad en opgepoetst zodat het metaal blinkt in de schijnwerpers van de grote tent.

De ouderen hebben me gevonden in het pak, zeggen ze. Ze hebben de mouwen langer gemaakt omdat ik niets anders wilde dragen toen ik klein was.

Maar ik weet niet of ik dat geloof. Het pak zit niet lekker. Het ijzer laat rode plekken achter op mijn schouders en als ik naast de tent honkbal speel voel ik het leem van de bal al in mijn nek voordat de andere kinderen me hebben ingehaald.

Wytske Versteeg

Plotseling is de deadline voor mijn tweede roman al binnen een paar dagen en dat maakt het antwoord op deze vraag nog relevanter. Het is leuk als de inspiratie moeiteloos komt, maar wat doe je als schrijven niet lukt? Daarvan kan ik moeiteloos ontzettend gefrustreerd raken, maar inmiddels heb ik ook wat nuttiger reacties ontwikkeld.

Eén daarvan is het op te geven, mijn laptop dicht te slaan en een lang stuk met mijn hond te gaan lopen, notitieboek op zak. Cruciaal is wel dat ik mezelf er echt van overtuigd heb dat er nu even echt niets op papier hoeft te komen. Is dat eenmaal gelukt, dan komen de zinnen meestal vanzelf.

Iets minder drastisch is het opstarten van een nieuw document. Het is immers veel gemakkelijker om ‘zomaar’ een stukje te schrijven dan de lijn en de spanningsboog van een boek te moeten doorzetten en dus kan ook de virtuele variant van een onbeschreven blad al heel wat nieuwe ruimte bieden. Op de één of andere manier vinden al die losse fragmentjes later hoe dan ook hun weg wel naar het boek. De derde en belangrijkste truc haalde ik hier al eens eerder aan, vrij naar de fotograaf Robert Capa: als je foto, of in dit geval verhaal, niet goed genoeg is, ben je domweg niet dichtbij genoeg. Dus als het schrijven niet lukt, kun je jezelf altijd de vraag stellen wat er nodig is om dichter in de buurt te kunnen komen. Wat ontbreekt er in de scene die maar niet verder wil; geluid, kleur, gevoel, geur misschien? Is er misschien eerder iets misgegaan en dwing je nu een personage tot iets dat helemaal niet bij hem of haar past?

Helpen al die trucs niet, dan is er altijd nog de optie om iets te gaan doen dat geen schrijven is, maar daar nauw mee samenhangt. Een stukje schrijven voor het debutantenblog, bijvoorbeeld.

Peter Zantingh

Je moet je als schrijver kunnen optrekken aan twee dingen: hoeveel je schrijft, of wat je schrijft. Kwantiteit of kwaliteit. Want op de meeste dagen zal een van de twee achterblijven bij je verwachtingen en ambities.

1) Je schrijft niet genoeg, blijft naar een knipperende cursor kijken, raakt afgeleid, verdwaalt in huishoudelijke klusjes of sociale media. Resultaat: driehonderd woorden in vier uur. 2) Je schrijft wel tweeduizend woorden in een paar uur, maar je bent er totaal niet tevreden mee. Het is geneuzel, je wil het meteen weer weggooien.

Beide keren niet goed, zou je kunnen zeggen.

Maar je kunt het ook anders zien:

1) Je hebt weliswaar maar driehonderd woorden geschreven, maar er zit een prachtige metafoor tussen, of een zin die misschien wel de openingszin van je roman zou kunnen zijn. Daar moet je ook tevreden mee kunnen zijn. 2) “The first draft of everything is shit”, schreef Hemingway. Wen er maar aan. Je hebt wel mooi tweeduizend woorden geschreven, waar je aan kunt schaven. Gooi het niet meteen weer weg, wacht af wat je er morgen van vindt. Waarschijnlijk zit er wel degelijk iets tussen waarmee je verder kunt.

Ik wil graag aan het eind van de dag tevreden zijn met wat ik gedaan heb. Opgeven na een uurtje doe ik niet snel, omdat ik weet dat ik mezelf dan een slappeling vind en dat heb ik liever niet. Dus ga ik door, en probeer ik tevreden te zijn met één van de twee: wat ik geschreven heb, of hoeveel ik geschreven heb.

Er zijn uiteraard dagen waarop het écht niet gaat. Die zitten ertussen. Sta jezelf dan toe om het op te geven. Ga winkelen, naar de film, op een terras zitten, een boek lezen. En begin de volgende dag weer met frisse moed aan slechte zinnen.

Murat Isik

Er zijn een paar dingen die ik tijdens het schrijven aan mijn debuut Verloren grond deed om te voorkomen dat ik vast kwam te zitten. Zo wist ik voordat ik achter mijn laptop plaatsnam precies wat ik ging schrijven, iedere schrijfdag had ik de scene waar ik aan ging werken helder voor ogen. De dag ervoor dacht ik er vaak uitgebreid over na. Sowieso zag ik het hele verhaal als een film voor me. Aan het einde van een schrijfdag drukte ik als het ware op de ‘pauze-knop’ in mijn brein om de volgende dag weer verder te gaan op het punt waar ik gestopt was.

Daarnaast kwam ik er al snel achter dat het nogal uitmaakt of je aan elke zin uren sleutelt of juist vrijuit schrijft. Niets is zo frustrerend om aan iedere zin eindeloos te schaven, om een blokkade te voelen om verder te gaan. Er zijn schrijvers die bekend staan als ‘bleeders.’ Het kost hen uren om een zin op papier te krijgen waar ze tevreden over zijn en ze lijden daarbij zozeer dat het bijna op bloeden lijkt.

Jeroen Brouwers is zo’n schrijver. Ik meen me te herinneren dat hij ooit in een interview verklaarde dat hij niet meer dan zeven zinnen per dag op papier krijgt. In hetzelfde interview verklaarde Brouwers overigens ook dat hij helemaal niet van schrijven houdt en dat hij het alleen maar doet omdat hij niets anders kan, en geld nodig heeft om diep verscholen in de bossen te kunnen blijven leven.

Probeer niet te ‘bleeden’ tijdens het schrijven en neem jezelf voor om een eerste versie te schrijven zonder al te veel op kleine details en stijl te letten, want dat komt later wel. Vertel eerst het verhaal, laat het vloeien, daarna ga je het, bij het reviseren, laag voor laag verfijnen. Pas dan wordt het ‘literair’.

Wat verder helpt: stel jezelf een (haalbaar) doel stel per schrijfdag, bijvoorbeeld 500 woorden. Je zult dan niet te makkelijk opgeven en hebt een gericht eindpunt om naartoe te werken.

Wat zeker niet helpt is je op Facebook of Twitter begeven, want voor je het weet ben je zo anderhalf uur kwijt, wat de frustratie alleen maar doet groeien.

Een leespauze inlassen echter kan je het goede gevoel teruggeven. Pak je lievelingsboek uit de kast, lees een paar bladzijden en voel hoe de radertjes weer gaan draaien. Het is alsof je je vulpen in magische inkt doopt.

Deniz Kuypers

De Amerikaanse schrijver Neil Gaiman wond er geen doekjes om toen hem werd gevraagd naar de voornaamste regel die hij toepast: schrijf! Simplistisch misschien, maar zo gaat het in de praktijk vaak wel. Je moet schrijven vooral wíllen doen. Dat is niet makkelijk. Helemaal niet. Maar de voornaamste truc om woorden op papier te krijgen, is gewoon doorzetten.

Ik heb zelden een gebrek aan ideeën. Maar ideeën klinken in je hoofd vaak beter dan op een computerscherm. Dat komt omdat je, in de context van je boek, opeens rekening moet houden met zaken als: is dit geloofwaardig, praten mijn personages wel zo, past dit bij hun karakter? Het is heel makkelijk om jezelf in dit soort details te verliezen, details die er eigenlijk niet toe doen in het vroege stadium van een manuscript. In het begin gaat het erom dat je door blijft schrijven, dat je alles op papier zet. Je moet bloeden, huilen, zweten. Pas als de laatste zin is geschreven, mag je je druk maken om details.

Herschrijven vind ik in het algemeen leuker dan schrijven. Het is heerlijk om een tekst van mezelf door te nemen en fijn te slijpen. Vandaar dat ik vaak geneigd ben de eerste hoofdstukken van mijn huidige manuscript terug te lezen in plaats van aan een nieuw hoofdstuk te werken. Maar eigenlijk is dat een manier van afleiding zoeken. Was het niet David Foster Wallace die zei dat een té perfectionistische schrijver zijn boek nooit af krijgt?

Ik heb twee trucjes om mezelf te verlossen uit de houdgreep van twijfel en perfectionisme. Allereerst omring ik mezelf met boeken. Niet om van andere schrijvers af te kijken hoe zij het doen, maar om mijn eigen denkpatronen om te gooien, om even frisse lucht te krijgen in mijn hoofd. Door geconfronteerd te worden met de stem van een ander, hoor ik mijn eigen stem soms beter.

Ten tweede schrijf ik veel met de hand. Ik heb overal notitieboekjes liggen, en wat ik daarin zet herschrijf ik natuurlijk niet. Die boekjes zijn voor rauwe ideeën. Als ik mezelf erop betrap dat ik achter de computer teveel zit te redigeren, ga ik in een café schrijven. Ik hou van drukte om me heen, op de een of andere manier kan ik me zo beter concentreren. Daarom heb ik thuis ook altijd muziek aan. Maar ik heb ook vier gitaren in mijn kantoor, en internet en veel te veel andere mogelijkheden tot afleiding. In een café heb ik niets dan een leeg vel papier, een pen en een goed glas whisky.

Deel dit bericht

Wat vinden jullie van recensies? Lezen jullie ze en waar moeten ze aan voldoen?

Deniz Kuypers

Dagen zonder Dulci is net twee weken uit, en er zijn (nog?) geen recensies van verschenen. Ik heb wel veel positieve reacties van lezers gekregen op Goodreads, Facebook en Twitter. Ga ik de recensies in de dagbladen lezen als die er komen? Jazeker! Ik vind het altijd vreemd als schrijvers zeggen dat ze geen recensies van hun eigen werk lezen. Ik begrijp wel dat je je als schrijver niet moeten laten beïnvloeden door de mening van critici, maar tegelijkertijd kun je ook niet in het luchtledige schrijven. Literatuur is entertainment, en entertainment moet een dialoog creëren, waarbij het boek de lezer vermaakt en de lezer op zijn of haar beurt actief nadenkt over de plot, de personages en de eventuele diepere laag. Schrijvers die het niet interesseert wat de rest van de wereld van hun werk vindt, zijn in mijn ogen een tikkeltje hypocriet. Want waarom geven zij überhaupt iets uit? Kunnen ze hun boeken niet net zo goed ongelezen in een la laten liggen?

Ik lees veel recensies. Van boeken, films en muziek. (Ik ben zelf een paar jaar muziekjournalist geweest.) Ik heb een paar vaste kranten die ik wekelijks online lees, met name The New York Times, The Guardian en de Volkskrant. Maar het gebeurt niet vaak dat ik, op basis van een positieve recensie, naar de winkel hol om het desbetreffende boek te kopen. Dat komt omdat veel recensies weinig meer zijn dan een samenvatting. Vaak lees ik daarom alleen de eerste en laatste alinea van een recensie. Daar staat doorgaans iets over de schrijver of het uiteindelijke oordeel van de criticus.

Echte literatuurkritiek is zeldzaam. Of ben ik, als vroegere literatuurstudent, te veeleisend? Gelukkig zijn er een paar bladen die wel echte kritiek plaatsen, zoals de LA Review of Books en de New York Review of Books. Dat laatste blad publiceerde vorig jaar een inmiddels beruchte recensie van Joseph Anton, de autobiografie van Salman Rushdie. Het mooie aan dat artikel was da de criticus de thema’s en schrijfstijl van het boek ontleedde, het werk in de context van Rushdie’s hele oeuvre plaatste, en zo ze tot een waarde-oordeel kwam dat gebaseerd was op meer dan alleen een samenvatting van de plot.

Hoe kom ik dan boekentips? Ten eerste zijn er veel schrijvers wiens nieuwste boeken ik koop zonder de recensies af te wachten. Daarnaast is social media onschatbaar, vooral Goodreads, de online boeken community die ik eerder al noemde. Ook krijg ik graag aanraders van vrienden (zoals laatst nog The Lighthouse van Alison Moore). Maar de fijnste manier om nieuwe boeken te ontdekken is en blijft het rondneuzen in boekhandels. Zo kocht ik afgelopen week nog drie boeken die ik niet eerder op het oog had gehad, maar die me zomaar aanspraken. Nu moet ik alleen nog de tijd vinden om ze daadwerkelijk te lezen.

Dennis Rijnvis

Tot nu toe heb ik geen heel slechte recensies gelezen over Savelsbos. Maar dat is tegelijkertijd ook mijn ergernis als ik boekbesprekingen in kranten, maar vooral op internet lees. Ze zijn bijna allemaal (gematigd) positief en ze lijken enorm op elkaar. Tot nu toe heb ik dan ook niet heel veel gevoeld bij recensies. Vaak hangen ze aan elkaar van algemeenheden, zoals ‘goed geschreven’, ‘spannend plot’, of ‘komt wat traag op gang’. Natuurlijk vind ik het geweldig om de eerste twee oordelen te lezen over mijn boek en ben ik blij als iemand de moeite neemt om het te recenseren.

Maar ik zou graag eens een wat preciezere beoordeling willen. Niet alleen qua inhoud, maar ook qua vorm. Waarom gebruiken bijvoorbeeld alle kranten het sterrensysteem om boeken te recenseren? En waarom zie je zelden of nooit een boek dat maar één ster krijgt? Dat betekent dat de gemiddelde bandbreedte maar vier schalen is, vergelijkbaar met een leraar die je vroeger op school beoordeelde met slecht, voldoende, goed of heel goed. Ik wil dan weten hoe goed, of hoe slecht precies.

Misschien draaf ik door en misschien is mijn blik vertekend, omdat Savelsbos geen paginagrote recensies heeft gehad in het NRC of De Volkskrant. Er zijn natuurlijk maar een beperkt aantal boeken die heel nauwkeurig door journalisten worden beoordeeld, ergens wel logisch. Maar ik pleit toch voor een ander beoordelingssysteem: ouderwetse cijfers. Ik wil weten of mijn boek een 6, een 7 of een 7.5 krijgt.

Myrthe van der Meer

Ik denk dat iedere auteur diep van binnen eigenlijk wel de zwakke plekken van zijn eigen werk kent. Dan is het onvermijdelijk dat een ander die ook ziet. Zo is PAAZ als je het als een echte roman in plaats van een waargebeurd verhaal zou zien, veel te lang, ontbreekt het aan een duidelijke spanningsboog, komen er teveel personages in voor en zitten er een hoop hoofdstukken in die niet per se iets te maken hebben met de ontwikkeling van de hoofdpersoon. Als een recensent daar op wijst, dan ben ik het daar ook gewoon mee eens.

Dat betekent echter niet dat ik niet ook nog wel eens verrast wordt van wat ik over mijn boek lees. Zo vond een recenserende arts in Medisch Contact PAAZ op sommige punten ongeloofwaardig, wat ik dan wel weer bijzonder vond omdat het juist waargebeurd is.

Volgens mij is een recensie echter het pijnlijkst als ze het boek beticht van iets wat je als schrijver juist zoveel mogelijk probeerde te voorkomen. Een van de dingen die ik met PAAZ wilde bereiken was te laten zien dat patiënten in psychiatrische inrichtingen geen ‘gekken’ zijn die ook nooit iets anders zijn geweest en nooit iets anders zullen worden. In werkelijkheid zijn psychiatrisch patiënten namelijk net zo normaal als ieder ander, maar terwijl die ander op zijn dertigste diabeet wordt, krijgen zij op hun veertigste een depressie of een psychotische stoornis. Zo beleefde ik dat zelf tijdens mijn opname, zo beleefden mijn medepatiënten het, en de meest voorkomende reactie van hulpverleners, patiënten en ‘gewone’ lezers op PAAZ is ook dat ze hiermee eindelijk een boek hebben waarmee ze aan anderen konden laten zien dat psychische problemen in feite heel normaal zijn en ieder ‘normaal mens’ kunnen overkomen.

En dan lees je in een recensie dat PAAZ psychiatrisch patiënten helaas reduceert tot een stel ‘gekkies’.

Blijkbaar leest iedereen er toch het zijne in, en zijn recensenten uiteindelijk toch ook maar gewoon mensen. Toch hoeft een negatief oordeel geen probleem te zijn, als maar wordt uitgelegd hoe de recensent tot die conclusie is gekomen. Dan kun je als lezer namelijk zelf bepalen of je daarin meegaat of niet. Een goed geschreven recensie vind ik dan geweldig leuk om te lezen. Zo’n recensie geeft namelijk niet alleen een oordeel over het boek, maar legt ook verbanden met andere boeken, verbanden die je als schrijver zelf misschien niet eens zag.

Daarom heb ik ook niet zoveel problemen met sterren boven recensies: het dwingt de recensent om zijn oordeel te verklaren aan de hand van de plus- en minpunten van het boek in plaats van gewoon maar wat in het wilde weg te schrijven. Maar ook dat is weer een kwestie van smaak, want terwijl ik die sterren altijd wel grappig vind, blijf ik de kriebels krijgen van recensies met een cijfer van 1 tot 10 – met decimalen achter de komma! Want wat is dan in praktijk nog het verschil tussen een 6,5 en een 7- voor een roman van 300 pagina’s? En bovendien: een oordeel van een onbekende recensent vind ik prima, maar om meteen dat back-to-school-gevoel weer tot leven te wekken met proefwerken, cijferlijsten en docenten die hijgend meekijken over je schouder…

Nee, dan nog liever een boek over die gekkies in het gesticht.

Wytske Versteeg

Voor het verschijnen van De Wezenlozen nam ik me voor geen enkele recensie te lezen; ik wilde niet in het vervolg tijdens het schrijven steeds de stem van een recensent in mijn oor hebben.

Maar zoals de meeste voornemens bleek ook dit plan in de praktijk lastig vol te houden. De Wezenlozen kreeg een grote, mooie recensie in NRC Handelsblad en tsja, dan wordt het toch verleidelijk om te spieken. De rest van mijn recensies las ik diagonaal, min of meer terreinverkennend. Ze gaven me bepaald geen reden tot klagen; ik was blij met de complimenten, en kon me ook vinden in de kritiekpunten.

Dat neemt niet weg dat je recensies anders leest wanneer je zelf schrijft. Iemand heeft, als het goed is, zijn ziel op papier gezet en daarna dagen, weken, maanden aan zijn tekst geschaafd. Dat alles kan een criticus in een paar zinnetjes afbreken, en die zinnetjes zijn soms behoorlijk vilein. Kunnen omgaan met kritiek is voor een schrijver een noodzakelijke eigenschap, maar dat maakt het nog niet prettig om publiekelijk te worden beoordeeld. Een goede recensie is geschreven uit liefde voor boeken; een goede recensent speelt niet op de man. Zelfs wie scherpe kritiek geeft – en uiteindelijk is ook dat de taak van recensenten – kan dat doen zonder de ander te vertrappen. Maar natuurlijk spitst de lezer dikwijls juist voor die afrekening de oren; zelf lees ik positieve recensies ook alleen maar hardop voor als ze over mezelf gaan.

Het schijnt dat, volgens literatuurcritici, een recensie niet teveel citaten moet bevatten: dat zou ofwel een teken zijn van luiheid van de recensent, ofwel beduiden dat er over het boek niet veel te zeggen valt. Zelf vind ik het altijd wel fijn als een recensent zijn oordeel met citaten ondersteunt. Zo kan ik tenminste zien of ik het eigenlijk wel eens ben met dat oordeel, of dat smaak hier toch een rol speelt. Uiteindelijk blijft het een kwestie van hopen dat Chateaubriand gelijk had, toen hij zei dat kritiek nog nooit gedood heeft wat moest leven – maar als mijn tweede roman verschijnt zal ik opnieuw de recensies vermijden.

Peter Zantingh

Toen ik een tijdje over deze vraag nadacht, merkte ik dat ‘de recensie’ verschillende gedachten bij me oproept, zowel als schrijver als lezer, die niet per se tot één betoog zijn samen te smelten. Dus hieronder vijf deelantwoorden.

1. Ja, ik lees regelmatig recensies. Soms omdat ik toevallig op die pagina van de krant terechtgekomen ben, soms omdat ik er speciaal naar op zoek ga. Dan ben ik benieuwd wat er over een boek geschreven is, omdat dat me helpt bij de keuze of ik het boek ook wil lezen. Het komt ook voor dat ik juist recensies wil lezen nadat ik het boek gelezen heb. Ik weet nog dat ik mijn fiets eens langs de kant van de weg zette omdat ik zo benieuwd was naar wat anderen vonden van De Bewaker van Peter Terrin, een boek dat ik toen net voordat ik thuis was weggegaan had dichtgeslagen.

2. Als schrijver bevind je je aan de andere kant, die van de gerecenseerde. Toen mijn debuut uitkwam, was het elke keer een moment van zeldzame kwetsbaarheid, dat moment vlak voordat je een recensie over je eigen boek aanklikt of openslaat. Wat volgt is namelijk een oordeel over iets wat jij met ziel en zaligheid gemaakt hebt en waar je niets meer aan kunt veranderen. Het is af, het is de buitenwereld ingestuurd. Nu is het eigendom van anderen, die er een mening over hebben. Een recensent kan het afbranden (wat ook gebeurde) of de hemel in prijzen (wat óók gebeurde). Over het algemeen is m’n debuut ‘goed besproken’, zoals dat heet. Maar die paar stukjes waarin het boek hard aangepakt werd – daar zat ik dan de rest van de dag wel mee.

3. Naarmate je vaker besproken wordt, goed of slecht, ga je het relativeren. Ik denk dat elke recensent een boek positief of negatief kan bespreken, zoals een goede debater zich overtuigend voor of tegen een stelling kan opstellen. Dat betekent uiteraard niet dat ze maar wat doen: recensenten zijn van waarde omdat ze geoefende lezers zijn, met liefde voor boeken, die herkennen en kunnen uitleggen waarom een boek in hun ogen wel of niet gelezen moet worden. (Dat is dus waar een recensie aan moet voldoen.)

4. De rol van de recensie verandert. Als ik tegenwoordig meer wil weten over een boek, ga ik als eerst naar Goodreads. Op die website vind ik honderden, soms duizenden meningen over een boek, met die van mijn vrienden (mits ze het gelezen hebben) bovenaan. Ik ben nagegaan hoe ik ben gestuit op de laatste vier boeken die ik Heel Erg Goed vond: The Fault In Our Stars (John Green) kreeg vijf sterren van een kennis op Goodreads, Tonio (A. F. Th. van der Heijden) won een belangrijke literatuurprijs en The Art Of Fielding (Chad Harbach) en HhhH (Laurent Binet) nam ik uit nieuwsgierigheid in handen tijdens het neuzen in de boekwinkel. Ik kan dus niet zeggen dat ik mijn leesgedrag laat bepalen door wat de boekenkaternen schrijven.

5. Als je een boek schrijft, doe je dat niet voor die ene vrouw van De Volkskrant of die ene man van NRC Handelsblad.

Murat Isik

Toen Verloren grond net uit was, las ik de boekenbijlagen van de kranten met grote spanning. Iedere week kon mijn debuut besproken worden. De eerste recensies waren heel lovend. Daarna volgde er een mindere recensie waar ik een paar dagen flink van baalde. Het was fijn om vlak daarna op vakantie te gaan. Op de derde dag van mijn vakantie, in Tokyo, kreeg ik per mail te horen dat de Volkskrant Verloren grond zou bespreken. De recensie zou waarschijnlijk meteen na mijn terugkeer geplaatst worden. Die hele vakantie zat ik in spanning.

Met een jetlag nog in de benen holde ik bij thuiskomst naar de kiosk en kocht een Volkskrant. Thuis bladerde ik snel naar de boekenbijlage. Ik zag allereerst de sterren: vier in totaal! En één zin uit de recensie bleef me meteen bij: ‘Een bedwelmend mooi familieverhaal.’

Ik glom van trots.

Tot mijn opluchting werd in de Volkskrant weinig van het verhaal van Verloren grond weggegeven (de recensie maakte juist nieuwsgierig naar het boek). Dat is iets wat me in het algemeen, los van de besprekingen van mijn debuut, al heel lang intrigeert: waarom wordt er in recensies zoveel van het verhaal weggegeven?

Ik lees regelmatig recensies die complete samenvattingen van het verhaal zijn. Grote emotionele gebeurtenissen in het boek worden zonder schroom onthuld en niet zelden wordt zelfs de laatste zin verklapt. Er worden simpelweg te veel details en verhaalwendingen weggeven, aangevuld met inzichten die de protagonist opdoet tijdens het verhaal. In sommige recensies regent het spoilers. Vaak denk ik dan: waarom zou ik het boek nog lezen?

Ik wil juist door een verhaal verrast worden. Ik wil niet weten dat de hoofdpersoon op de helft van het verhaal zijn gezin verlaat of zijn baas vermoordt. Als ik een boek lees of een film kijk wil ik eigenlijk zo min mogelijk van het verhaal afweten. Ik wil dus verrast worden, me verwonderen, me afvragen waar het heen gaat, hoe het verder moet, hoe de hoofdpersoon dit ooit te boven komt.

Pas als ik een boek uit heb, lees ik er recensies over. Dan wil ik graag horen wat recensenten ervan vonden. Ik heb dat ook met films.

Naar mijn mening verklapt een goede recensie weinig van de inhoud van het boek. Er moet nog heel wat te raden overblijven. Een (opbouwende) recensie moet nieuwsgierig maken naar het boek. En bij voorkeur worden er ook een paar zinnen uit het boek geciteerd om een beeld te krijgen van de stijl van de schrijver en de sfeer van het boek.

Gelukkig zijn er ook veel recensenten die zich niet schuldig maken aan spoilers en heel terughoudend zijn met het prijsgeven van belangrijke informatie. Vaak benoemen ze het ook: ‘Het zou geen pas geven om hier prijs te geven wat voor schokkends daarna gebeurt’ of ‘ik wil het leesplezier niet bederven en zal niet vertellen welk groot drama zich daarna voltrekt.’ Kijk, dan is mijn nieuwsgierigheid gewekt! Dan wil ik weten wat gaat er gaat gebeuren. Hier met dat boek!

Deel dit bericht