Gastblog: Jop de Vrieze

‘Hoe gaat het met je boek?’

Had je me die vraag een half jaar geleden gesteld dan was de kans groot geweest dat ik me zuchtend van je had afgewend, liefst richting bar. Al maanden, nee jaren, werkte ik in de weekenden en avonduren aan een project waar ik me ooit vol overgave op had gestort, maar wat gaandeweg steeds meer was gaan lijken op een zwarte dag in het casino: je weet dat je moet stoppen, maar wilt het niet en gaat door, door, door.

Stel me die vraag vandaag en je ziet de glinstering in mijn ogen. Op dat moment kun je maar beter een drankje in je hand hebben, want voor de aankomende tien minuten zit je aan mij en mijn verhaal vast.

Ik ga debuteren.

Op 19 maart tekende ik mijn contract, op mijn eigen kantoor omdat agent Paul Sebes en mijn uitgever Sander Ruys van Maven Publishing daar benieuwd naar waren. We lunchten en dronken champagne met mijn collega’s: agenten Sebes & Bisseling, uitgeefduo Ruys en Punt van Maven en ikzelf. Het was echt.

Pas een dag later besefte ik hoe snel het ineens gegaan was. In januari besloot ik in overleg met Paul Sebes mijn worstelproject voorlopig op de plank te leggen. Het levensverhaal van een fabrieksarbeider uit de DDR die vluchtte en in Nederland verzeild raakte. Een beetje uit deugd maar vooral ook uit nood was dat steeds meer verworden tot fictie, waardoor het zo tussen twee genres in dreef dat het treffend te omschrijven was als ‘onverkoopbare parel’.

Om in de metafoor van het Casino te blijven: ik haalde mijn fiches van het bord, wisselde ze in en zette ze in op een ander spel. Een spel waar ik veel meer in thuis ben, beter mee uit de voeten kan en waar ik, enigszins, een reputatie in heb opgebouwd: populaire wetenschap. Al een paar maanden was ik bezig een onderwerp intensief te volgen: de micro-organismen in en op ons lichaam, in microbiologenjargon de ‘humane microbiota’ genoemd.

Dankzij nieuwe technieken is dit vakgebied de laatste jaren in een stroomversnelling gekomen. Eindelijk krijgt de wetenschap zicht op de wezens die lange tijd grotendeel onzichtbaar waren, zelfs met de microscoop. De golf aan publicaties die de wetenschapsbladen sindsdien overspoelt leverde fascinerende ontdekkingen op: we dragen anderhalve kilo bacteriën met ons mee, in aantal tien keer meer dan onze lichaamscellen. Ze verteren niet alleen een deel van ons voedsel maar assisteren ook bij onze afweer en hebben zelfs invloed op ons gedrag.

Voor mij voelen die weetjes inmiddels als belegen kaarttrucs die bij een nieuw publiek nog steeds wonderwel blijken te werken. De kranten en bladen hebben er al vol mee gestaan. Er is inmiddels veel meer te vertellen dan die paar feiten en verbanden. Het is tijd voor een boek.

In dit boek ga ik op zoek naar de grotere, achterliggende vragen. Wat doen die beestjes eigenlijk precies? Wat is hun invloed op ons? Wat betekent het voor ons zelfbeeld dat zij er zijn, altijd al zijn geweest, letterlijk sinds mensenheugenis? Wat kunnen en moeten we met deze kennis in onze eigen dagelijks leven?

Hoe pak je zoiets eigenlijk aan, een populairwetenschappelijk debuut? Waar een romanschrijver in zijn debuut zijn stijl, zijn technische capaciteiten en zijn stem toont, laat een populairwetenschappelijke schrijver misschien nog wel meer van zichzelf zien: naast de stem en schrijfcapaciteiten, die ook in dit genre erg belangrijk zijn geworden, zijn er kennis, inzicht en het vermogen om een grote groep mensen aan te spreken die over een bepaald onderwerp uit zichzelf nog helemaal niet had nagedacht.

Dat vergt meer dan alleen een eenvoudige samenvatting van de literatuur. Het vraagt om onderdompeling in het onderzoeksveld, druipend bovenkomen en op het droge je verhaal doen aan verwonderd toegestroomde toehoorders. Een concreet, tastbaar verhaal, waarvoor je alles wat je in huis hebt in de strijd moet gooien.

Letterlijk, in dit geval. Ik spreek niet alleen met experts en ervaringsdeskundigen. Het boek wordt een zoektocht naar mijn eigen microben, naar wie zij zijn, wat zij zeggen over mij. Naar hoe hen in de armen te sluiten (figuurlijk natuurlijk, maar dat begrijp je). Aan de hand daarvan wil ik het inzicht gaan overbrengen dat we samenleven met en afhankelijk zijn van triljoenen onzichtbare vrienden en vijanden. Een hernieuwde kennismaking met onszelf.

Mijn debuut dus, ook al voelt het een klein beetje als nummer twee. Op cynische dagen omschrijf ik mijn eerste als een doodgeboren kind. Eén avond rouwde ik erom, de dag voor ik mijn contract tekende. Ik nipte whiskey, tikte een afscheidsblog, liet alle zondagmiddagen in gedachten passeren waarop ik urenlang mijn hoofdpersoon interviewde of vanuit mijn zitzak alinea’s op mijn scherm perste.

Toch klopt die beschrijving niet. Dat verhaal is niet dood, hooguit in coma. Het is niet weggegooid, maar opzij geschoven. Ook als het uiteindelijk in het najaar van 2014, 25 jaar na de val van de Muur, niet verschijnt, is het niet voor niets geweest. Iedere kilometer die een schrijver aflegt, of ie nu recht op zijn doel af gaat of niet, brengt ervaringen en lessen. Het doet je jezelf leren kennen, je mogelijkheden en grenzen te zien, dichter te komen bij wat je kunt en wie je bent. Wie zichzelf weet te vinden als schrijver, zal slagen. Daar ben ik van overtuigd.

Deel dit bericht

Gastblog: Shira Keller

Ik had net een opleiding van vier jaar aan de toneelschool afgerond, toen ik ontdekte dat ik er geen zin meer in had – niet zozeer niet in theater, maar in mensen. Ik was amper vierentwintig en het enige waar ik naar verlangde was rust, iets wat ik tot dan toe alleen met te oud geworden bejaarden geassocieerd had. Toen mij een zoveelste keer werd gevraagd waar ik mee bezig was (een vraag waaraan ik panisch probeerde onderuit te komen, omdat het antwoord, ‘even niks’, me woest maakte), kwam het voor het eerst over mijn lippen: ‘Ik schrijf een boek.’

Ik pakte mijn spullen en vertrok naar een bergdorp in de Zwitserse Alpen, waar ik niemand kende, waar niemand me zou vragen waar ik mee bezig was, en waar niets of niemand me zou afleiden van mijn nieuwe doel: ik zou een boek schrijven. Wisten die bergbewoners veel, dat ik geen uitgever had, geen idee of ik überhaupt het talent bezat, en dat ik – maar dat probeerde ik te verdringen – de kans dat er werkelijk een boek zou komen nihil achtte.

Omdat er weleens Nederlandse skitoeristen in het dorpje kwamen, was men blij met een Nederlands meisje achter de kassa van de skilift. Al gauw was ik zo bedreven in het uitdraaien van dagkaarten, halve dagkaarten en weekkaarten dat ik het mijn gedachten er niet bij nodig had en tussen de verkopen door in een notitieboekje op mijn schoot aan mijn geheime missie werkte. Dat ging een tijdje goed. Er ontstonden personages, er ontstond een zweem van een verhaal, en er ontstond zelfs een klein glimpje hoop dat de krabbels in mijn boekje wellicht ooit werkelijk een boek zouden kunnen worden. En toen sloeg het weer om.

Het was min twintig, er hing een dikke mist over het dorp, het toeristenseizoen was voorbij en de hoop zonk me in de schoenen. Op een middag, de zoveelste waarop nog geen enkele verdwaalde klant mijn kassahokje had opgezocht, schreef ik in een van mijn talrijke melodramatische buien, het volgende in mijn notitieboekje:

“Hoe de liftjes zwalkend langs me heen glijden met een stoïcijnse onverschilligheid, hoe de witte bergvloer als een stijf bevroren oceaan me koppig onbeweeglijk toegrijnst, hoe miljoenen babyvlokjes voor het venster hun speelkwartier vieren – het is exact vijf uren en vierendertig minuten geleden dat ik begonnen ben het gade te slaan. Was er ook maar een minieme, haast onmerkbare verandering opgetreden, dan was ik van mijn stoel opgesprongen, had een vreugdedans gemaakt, was met een onverzadigbaar gevoel van dankbaarheid weer gaan zitten en had de rest van de dag een gelukzalige glimlach op mijn gezicht gehad. Daar dat niet het geval is geweest ben ik thans strontchagrijnig. Wat betreft dat boek: dat komt er nooit.”

En toen, het kan ook een paar dagen later geweest zijn, kwam er vanuit de mist een verschijning mijn kant op gegleden. Het was net zo ongeloofwaardig als het klinkt. Het was een vrouw. Ze stapte met haar ski’s het tapijt voor mijn hokje op en vroeg om een halve dagkaart. Ik hoorde aan haar uitspraak dat ze Nederlands was.

‘Dat is dan tweeëndertig frank.’

Het gezicht van de vrouw brak open. ‘Ben jij Nederlands?’

Dat vroegen ze allemaal, al leek het me evident. Ik glimlachte, knikte, gaf haar het kaartje en bereidde me voor op weer een paar uren stilte. Maar de vrouw bleef staan.

‘Wat doe je hier?’ vroeg ze.

Ze nam geen genoegen met mijn standaard antwoord, en leek haar interesse in het kaartje vergeten te zijn. Voor het eerst sinds een half jaar sprak ik met iemand over mijn opleiding, mijn verlangen naar rust, mijn belachelijke inval een boek te schrijven en het diepe gevoel van mislukking dat mij de afgelopen weken in het kassahokje was aangevlogen. Ze luisterde, ze vroeg door, en toen ik voelde dat ik elk moment in huilen uit kon barsten, zei ze: ‘Schrijf dat boek. Ik weet dat je het kan. Echt. Ik zie dat.’

En toen pakte ze haar kaartje op, knikte me toe, stapte van het tapijt af, ging door het draaideurtje, en zag ik haar in het liftje in de mist verdwijnen. De volgende dag bracht ze me een stapel Hollandse tijdschriften, die ik in mijn hokje verslond als een ondervoede een stuk brood.

P.S. In de zomer was mijn manuscript af. Ik stuurde het naar tien uitgeverijen. Een week nadat ik het opgestuurd had ontving ik een email waarin een redacteur me liet weten interesse te hebben. Nog een week later werd ik twee keer opgebeld door de redacteurs van twee andere uitgeverijen die me uitnodigden voor een gesprek. Een maand later nam ik het vliegtuig naar Nederland en tekende ik een contract.

Deel dit bericht

Gastblog: Thomas Heerma van Voss

De eerste keer dat ik werkelijk nadacht over het fenomeen debuteren, was in de vijfde klas van de middelbare school. Mijn docente, een vijftigjarige huismoeder die het wekelijks had over ‘echte schrijvers’ en die onbegrijpelijke metaforen een vereiste vond voor ‘grote literatuur’, hield de roman Kort Amerikaans omhoog en keek de klas doordringend aan. ‘Als je wilt weten met wat voor stem je te maken hebt, bestudeer dan altijd zijn eerste roman. Thematisch gezien toont een auteur daar al vrijwel alles wat hij te bieden heeft.’

Het is een opvatting die ik sindsdien vaker heb gehoord: de eersteling beschouwen als blauwdruk voor iemands gehele schrijverschap. Persoonlijk vind ik het een nogal onzinnig, geromantiseerd beeld – er zijn genoeg debuten die in latere boeken thematisch nader worden uitgewerkt (denk aan het werk van Reve of Palmen), maar voor elke auteur die aan die eis voldoet, is er ook gemakkelijk een tegenvoorbeeld te verzinnen (Hermans of Elsschot).

Toen mijn middelbare docente het zei, had ik daar echter geen weet van. Ik dacht alleen maar: zij heeft hiervoor gestudeerd, dus zij zal het wel weten, en ik knikte begripvol, zoals ik mijn hele schooltijd begripvol heb geknikt.

Inmiddels weet ik wat ik had moeten antwoorden. Dat het geen zin heeft om iemands eersteling per definitie als heilige graadmeter te zien, dat het zinvoller is om onderscheid te maken tussen enerzijds auteurs die voor hun debuut al uitgebreid nadenken over hun oeuvre (wederom: Palmen, maar ook een moderne schrijver als Buwalda), en anderzijds auteurs die daar nog nauwelijks bewust mee bezig zijn.

Om, het voelt wat misplaatst na de auteurs die ik zojuist heb genoemd, maar eens over mezelf te beginnen: ik behoor zonder twijfel tot de laatste categorie. Toen ik in 2009 debuteerde, wist ik nog amper wat een oeuvre was. Ik had nooit een letter Nooteboom of Claus gelezen, ik wist niet welke uitgeverijen een goede reputatie hadden, ik kende geen enkel literair tijdschrift bij naam.

Achttien was ik, achttien en ik verveelde me rot. Terwijl mijn vrienden, net zoals ik net klaar met hun eindexamens, zich gezamenlijk bedronken op Mallorca, en vervolgens maandenlang ontwikkelingswerk deden in Afrika, hielpen bij het bedrijf van hun vader of zich stortten op studies in onbekende steden, zat ik in mijn eentje thuis. Ik schreef. Zonder plan, zonder structuur, ik had aan het begin van de dag meestal nog geen idee waar mijn vingers mijn hoofdpersoon heen zouden leiden, en juist die vrijheid maakte het schrijven zo aangenaam.

Het begon met een simpel beeld: een twintiger die langdurig drie paar sokken in zijn hand houdt en niet tot een keuze kan komen.

Ik woonde nog thuis in die tijd. Toen ik één alinea had geschreven riep ik mijn moeder en vroeg: ‘Vind je dit leuk?’

Ik sluit niet uit dat als zij haar hoofd had geschud, ik het verhaal resoluut had verwijderd. Maar ze knikte. Een dag later liet ik haar een eerste pagina zien: ‘Vind je dit nog steeds leuk?’ vroeg ik – en weer knikte ze.

Zo ging het maanden door, tot ik een verhaal had met een begin, een midden en een eind.
Gezien mijn leeftijd denken mensen vaak dat fictie schrijven mijn kinderwens was, een van jongs af aan gekoesterde droom die ik zodra het kon in vervulling wilde laten gaan – maar om eerlijk te zijn heb ik vroeger geen moment over een schrijversbestaan gefantaseerd. Het leek me voorbehouden aan wat mijn docente ‘grote geesten’ noemde, die moeiteloos tien pagina’s konden vullen met één langgerekte natuurbeschrijving en woorden gebruikten waarvan ik de betekenis niet kende. De onvermijdelijke vraag: ‘Wat wil je later worden?’ beantwoordde ik doorgaans met: ‘Leraar,’ of, in een meer ambitieuze stemming: ‘Filmregisseur.’ Ik las nooit romans, laat staan dat ik verhalen verzon of graag praatte. Als vrienden me op mijn achttiende hadden voorgesteld samen een muziekgroep te beginnen of een speelfilm te maken, had ik het vermoedelijk meteen gedaan en geen letter geschreven.

Min of meer toevallig kwam mijn manuscript eind 2008 bij een uitgeefster terecht. Ik heb het verder naar geen enkele redacteur of literair agent gestuurd. Niet uit bescheidenheid, maar ik hield me daar niet mee bezig. Toen de uitgeefster zich echter enthousiast toonde, kon ik geen reden verzinnen om niet bij haar te tekenen. En die zie ik nog steeds niet. Mijn debuut is geen uitgekiend werk waarin ik allerlei thema’s heb geprobeerd te stoppen, het is niet exemplarisch voor alles wat ik sindsdien heb gedaan, het is eenvoudigweg een eerste vingeroefening – de eerste stappen in een mij nog totaal onbekende wereld. En ook al heb ik sindsdien veel geschreven, korte verhalen en een roman die ik inhoudelijk en stilistisch rijker vind dan mijn debuut: het schrijven van De Allestafel – voor de duidelijkheid: zo heet mijn eersteling – had iets ongeëvenaard spontaans. Ik had geen idee wat ik wilde of kon. Elke gedachte die bij me opkwam had ik niet eerder beschreven, elk gevoel dat ik wilde oproepen had ik nog nooit geprobeerd in woorden te vangen.

Toen ik jaren later vastzat bij mijn tweede roman, en in een fase was beland waarin ik weken aan scènes schaafde die ik later integraal schrapte, heb ik mijn debuut weleens opengeslagen en mezelf de vraag gesteld: is er sinds die ongeremde eerste keer iets verloren gegaan? Nee, dacht ik meestal. Ja, begrijp ik inmiddels. Schrijven blijft weliswaar altijd oefenen, er komt nooit een eindpunt waarin ik volleerd ben, maar alleen die eerste keer was het oefenen op een instrument dat ik nog nooit bespeeld had.

Afgelopen zomer ben ik trouwens mijn docente Nederlands tegengekomen. Eerst herkende ze me niet. Toen zei ze: ‘Vermakelijke hoor, dat debuut van je. Niet verwacht. Je zei nooit iets op school. Ik had geen idee dat ik een schrijver onder mijn hoede had.’ Kennelijk was ik dat nu officieel, een schrijver. Mijn woorden hadden mij iets gemaakt waar ik nooit over had nagedacht, doordat mijn debuut was verschenen had ik nu de wezenskenmerken van een bepaald type auteur. En terwijl ik mijn docente Nederlands aankeek, met haar licht teleurgestelde glimlach, begreep ik dat zij, ongeacht wat ik nog zal doen of schrijven of verzinnen, mij voor altijd zou zien zoals ze op dat moment deed. De stille leerling, de vermakelijke schrijver. Meer niet.

Deel dit bericht

Gastblog: Rick van Leeuwen

‘Wisten jullie dat de boeken van vrijwel al onze debutanten meerdere herdrukken hebben gehad in 2012?’ tweette Paul Sebes laatst.

Goed nieuws voor het agentschap, waar ik ook bij hoor, en tof voor die debutanten, van wie ik er een paar ken. Ik gun ze het beste, maar wat overheerst zijn jaloezie en teleurstelling; de vertrouwde gevoelens bij dit soort berichten, dat me doet stilstaan bij mijn eigen debuutroman. De gevoelens zijn minder sterk dan een of twee jaar geleden, maar ze zijn er nog steeds.

Misschien sliep je al verscheen in het voorjaar van 2010. Een gebeurtenis die nagenoeg onopgemerkt is gebleven. Dit literaire fictieboek is vrijwel geruisloos aan lezers en boekprofessionals voorbijgegaan. Dan ga je op zoek naar oorzaken, zo werkt dat. Het moet ergens aan liggen. Heeft de uitgeverij er wel genoeg aan gedaan? Had ik zelf meer kunnen ondernemen om op het netvlies van boekprofessionals te komen? Ben ik misschien te laat gestart met Twitter en Facebook? Of hebben boekhandelaren en recensenten het boek wel degelijk onder ogen gehad, maar vonden ze het gewoon niet de moeite waard? Heeft het dus met het boek zelf te maken? Had ik een beter boek moeten schrijven? Een origineler boek?

Als succes op alle fronten uitblijft, ga je aan alles en iedereen twijfelen. Dus ook aan jezelf, juist aan jezelf. En naarmate de tijd verstrijkt, twijfel je zelfs aan de kwaliteit van wat je hebt afgeleverd. Drie jaar na publicatie heb ik het boek nog niet herlezen. Eerst omdat ik er geen behoefte aan had, na al dat werk, inmiddels omdat ik het niet durf. Van mij hoeven anderen het ook niet meer te lezen, bang als ik ben dat mijn twijfel terecht blijkt. Gek eigenlijk, waar is die overtuiging gebleven dat het een goed boek was? Want waar ik wel zeker van ben: ik heb destijds het verhaal geschreven dat het moest zijn, zoals ik vond dat het moest zijn. Dit verhaal móést ik schrijven, dit boek móést verschijnen. Zo voelde het. Er was sprake van urgentie, geloof ik. Dat is geen garantie voor een goed boek, maar het is wel een geruststellende gedachte. Bijna geruststellend genoeg om me neer te leggen bij de tegenvallende resultaten. Maar waar hoopte ik dan op?

In het begin maakte ik mezelf wijs dat ik blij kon zijn met één ‘grote’ positieve bespreking, herdruk of nominatie. Sterker nog, mijn debuutroman was enkele dagen na de boekpresentatie al geslaagd toen een schrijver die ik hoog heb zitten mij uit eigen beweging opbelde om te vertellen (ik vroeg nergens naar) hoe goed hij het boek vond. Daar kan ik wel een tijdje op teren, dacht ik. In werkelijkheid was de euforie snel verteerd (een dag? Een paar uur? Tien minuten?) en kreeg ik honger naar meer. Meer mooie woorden, meer bevestiging.

Er kwam ook meer. Enthousiaste reacties, positieve recensies zelfs, maar allemaal op kleine schaal. Nu ik toch zo openhartig ben, de mooiste complimenten kwamen verder vooral uit de hoek van bekenden, in veel gevallen niet-lezers. Enthousiasme vanuit die hoek is prima – uiteindelijk is de markt van niet-lezers natuurlijk de grootste markt – maar het is pas echt bevredigend als het zich terugvertaald in exorbitante verkoopcijfers, en zevenhonderdachtenveertig verkochte exemplaren is niet exorbitant. (Ik schrijf zevenhonderdachtenveertig expres voluit, dan lijkt het nog wat).

Ik zie het zo: volgens mij zijn er niet veel hele goede boeken die én niet verkopen én geen (positieve) aandacht krijgen in de pers én verstoken blijven van (nominaties voor) literaire prijzen. Vandaar de twijfel. Maar misschien hebben schrijvers van goed verkochte en/of bejubelde debuten daar ook last van. Misschien twijfelt iedere schrijver op den duur aan zijn debuut en doe ik mijzelf nu gewoon tekort, puur op basis van tegenvallende resultaten. Openlijke twijfel aan de kwaliteit van je eigen boek is ook nog eens een soort belediging aan het adres van iedereen die het boek goed vond, en vooral van degenen die de moeite hebben genomen mij dat te laten weten, uit zichzelf. En dat waren er best veel. Toch kan ik het gevoel niet uitschakelen dat ik met iets beters of originelers mijn literaire entree had moeten maken.

Opnieuw debuteren (onder mijn eigen naam) kan niet, een goede tweede afleveren wel. Een verhaal dat ik móét vertellen, een roman die móét verschijnen. Een boek ook dat ik drie jaar later durf terug te lezen. En wie weet zelfs een boek waar Paul Sebes drie jaar later nog vol trots over tweet.

Deel dit bericht

Gastblog: Willem Bisseling

Mijn opa overleed op jonge leeftijd. Hij had longkanker. Ik was net twaalf jaar geworden, toen ik hoorde dat hij er niet meer was. Nog nooit in mijn leven heb ik een vrouw zo gebroken gezien als mijn oma. Mijn ouders, mijn broertjes, mijn ooms en tantes, neefjes en nichtjes: iedereen liet openlijk zijn verdriet zien. Maar ik niet, want jongens van twaalf huilen niet.

Jaren liep ik met mijn opgekropte gevoelens rond. Een kwaadaardig brok verdriet dat groter en groter werd. Omdat ik er met niemand over praatte – over wilde praten – besloot ik een boek over mijn opa te schrijven. Er was een diepe innerlijke noodzaak naar binnengeslopen om mijn verdriet op te komen ruimen. Als mijn ouders niet thuis waren, kroop ik achter de computer om mijn verhaal op te tikken. Al gauw merkte ik dat schrijven van een verhaal niet gewoon het opschrijven van de gebeurtenissen was. Ik bleef hangen in wat alleen ik wist, had geen idee hoe ik gevoelens moest beschrijven, durfde nergens wat in te vullen. Ik was vijftien, had nog nooit een boek geschreven, en had mijn eerste writers block.

Jaren later ging ik studeren in Leiden. Nederlands en Literatuurwetenschappen. Hoewel ik veel las op de middelbare school (confession: ik ben pas begonnen met echt lezen rond mijn zestiende), ontdekte ik pas bij Literatuurwetenschappen de echte schoonheid van literatuur. Literatuur gaat ergens over. Literatuur is meer dan gewoon een mooi verhaal. Literatuur heeft de kracht om te entertainen, om gevoelens los te maken, om mensen te laten lachen, huilen, boos te maken. Het heeft zelfs de kracht om oorlogen te ontketenen en fatwa’s uit te roepen.

Maar (goede) boeken hadden vooral een ding gemeen: ze zijn geschreven vanuit een diepe innerlijke noodzaak.

Is die innerlijke noodzaak genoeg? Toen ik het verhaal van mijn opa wilde opschrijven, was er wel degelijk een innerlijke noodzaak. Echter, ik miste wat mijn doel was. Waarom moest dat verhaal er zo nodig uit? Was het om mijn schuldgevoel af te kopen? Om mezelf te laten zien dat ik echt wel heel verdrietig was? Daarnaast miste ik de kunde. Natuurlijk, ik had een goed verhaal in mijn hoofd, en zag het al helemaal uitgetekend op papier staan, maar ik had geen idee hoe ik het daadwerkelijk op datzelfde papier moest neerzetten.

Dit jaar ben ik dertig geworden. In de afgelopen vijftien jaar heb ik nog wel eens een verhaal geschreven, maar nooit meer heb ik die intense drang gevoeld om echt iets belangwekkends neer te pennen. Er zit geen verhaal in me wat eruit moet en ik ontbeer (denk ik) de fantasie en het uithoudingsvermogen (lees: geduld) om een goed verhaal op te schrijven. Uiteraard, mijn werk als literair agent speelt hierin een grote rol. Elke dag zie ik tientallen manuscripten, doorgaans van abominabel niveau, over mijn bureau gaan. Allemaal mensen die denken een geweldig verhaal te hebben. Maar helaas, de meeste inzenders hebben wat ik ook had: niet de kunde het op te schrijven.

Iedereen kan tegenwoordig debuteren, maar bijna niemand bedenkt wat het echt inhoudt. Debuteren is je binnenste op tafel leggen. Want in elk debuut, hoe ver het ook van de werkelijkheid staat, zit wel iets van de schrijver zelf. En terwijl jij jouw gedachten en hersenspinsels op papier hebt gezet, mag het hele volk erop schoppen, slaan en spugen. Ik heb vijftien jaar geleden de veilige weg gekozen. En ik hoop eerlijk gezegd dat velen dat met mij doen. Schrijven doe ik niet meer, maar ik help graag debutanten om het allerbeste te maken van wat zij in zich hebben, zodat wat er uiteindelijk inde boekhandel ligt, zeer de moeite waard is om te lezen.

Deel dit bericht