In hoeverre bedenken jullie het plot van een boek voordat jullie gaan schrijven?

‘In hoeverre bedenken jullie het plot van een boek voordat jullie gaan schrijven? En hoe gaat dit in zijn werk? Maak je schema’s, heb je alles in je hoofd zitten? Of komen alle plotwendingen pas op tijdens het schrijven?’ – Dennis Rijnvis

Murat Isik

Voordat ik aan mijn debuut Verloren grond begon, werd ik door mijn literair agent Willem Bisseling gevraagd een synopsis te schrijven. Dat was nodig voor het aanbieden van mijn manuscirpt (in wording) aan uitgeverijen. Ik werd daardoor in een vroeg stadium gedwongen heel goed na te denken over het verhaal en de personages. Eerst heb ik wekenlang op het verhaal gebroed, tot ik het plotseling had. Hoog boven de Atlantische Oceaan tijdens de vlucht van San Francisco naar Amsterdam viel alles op zijn plek. Ik had mijn verhaal te pakken! Als een bezetene werkte ik het verhaal uit op mijn krappe uitklaptafeltje terwijl vrijwel alle andere passagiers sliepen. Eenmaal thuis ging ik gretig aan de slag. En op momenten dat het even iets minder wilde vlotten, bleek de synopsis een handiger middel dan ik van tevoren had verwacht.

Hoewel ik het verhaal van begin tot eind in mijn hoofd had (wat ik overigens erg kan aanbevelen als werkwijze), heb ik de synopsis er tijdens het schrijven meerdere mailen bijgepakt, gewoon om wat bij te sturen of vooruit te blikken naar het volgende hoofdstuk. Ik werk dus niet met schema’s of grote vellen aan de muur, maar weet wel van tevoren welk verhaal ik wil vertellen. Ik ken mijn eindbestemming. En dat is belangrijk, althans, voor mij.

Er zijn ook schrijvers die gewoon van start gaan en onderweg wel zien waar hun eindbestemming ligt. Ik moet zeggen dat ik dat alleen doe bij korte verhalen. Voor het Cappuccino Schrijvershuis mocht ik een kort verhaal schrijven op de werkplek van Thomas Rosenboom. Hij heeft van zijn uitgeverij de zolderkamer in hun statige grachtenpand ter beschikking gekregen. Daar, op die plek, werkt hij aan zijn romans. Toen ik zijn werkkamer betrad, viel het me meteen op dat Rosenboom de schuine wand boven zijn bureau gebruikt voor schema’s en aantekeningen. Ieder hoofdstuk van zijn laatste roman had hij schematisch uitgewerkt. Benieuwd hoe dat eruit zag? De NCRV filmde mijn bezoek aan Rosenbooms werkplek voor de website van radio Cappuccino. Het filmpje is via deze link terug te kijken: http://www.youtube.com/watch?v=FN50Rt7MZWs.
Het korte verhaal dat ik er schreef, las ik voor op de radio. Dat fragment is hier te beluisteren:
http://m.radio1.nl/mobiel-radio2/gemist/fragment/99478

Voor mijn nieuwe roman, die zich afspeelt in de Bijlmer, heb ik vorig jaar een korte synopsis geschreven, vlak voordat ik er een contact voor tekende bij Anthos. In tegenstelling tot Verloren grond had ik het verhaal voor mijn tweede roman op dat moment minder helder voor ogen. Natuurlijk, ik zag de grote lijnen, wist wat de grote ontwikkelingen zouden worden, maar had toen nog niet helemaal grip op het verhaal. Pas een half jaar later begon ik te schrijven aan mijn tweede roman. In de tussentijd maakte ik aantekeningen op mijn iPhone. Ik legde zinnen vast die me te binnen schoten, of losse trefwoorden waar ik later nog iets mee moest. Maar het echte werk vond ondertussen plaats in mijn hoofd: tijdens de optredens en voordrachten voor Verloren grond door broedde ik op roman II. Toen ik daadwerkelijk begon met schrijven, begin dit jaar, merkte ik dat het verhaal zich had doorontwikkeld. Er waren nieuwe en belangrijke personages in beeld gekomen en er hadden zich wendingen in het verhaal aangediend die ik een half jaar eerder nog niet had voorzien en die dus niet in de synopsis staan. Inmiddels heb ik al ruim 40.000 woorden geschreven, maar toch ga ik binnenkort de originele synopsis aanpassen en de nieuwe personages en wendingen er een plaats in geven. Want ik weet nu al, als ik straks vastloop, kan die synopsis mij weer op de rails duwen.

Wytske Versteeg

Soms ben ik jaloers op schrijvers die een boek vooraf al helemaal hebben uitgedacht; het moet namelijk een hele hoop tijd en moeite schelen. Zelf weet ik vooraf alleen in grote lijnen waar mijn boek naar toe gaat, en dat kan wel eens problemen opleveren naarmate ik verder kom in mijn verhaal. Ik kan wel bedacht hebben dat iets op deze of die manier moet gebeuren, maar hoe pas ik dat nog in als het boek inmiddels van vorm is veranderd?
Dat wordt dus puzzelen en dat zorgt weer voor bizarre brainstorms. In mijn nieuwe boek Boy sterft één van de personages – maar hoe kreeg ik hem nu toch dood op een manier die zou kloppen met de rest van het boek? (Opgelost, inmiddels, maar de mensen aan tafeltjes naast je kijken toch wat vreemd op wanneer ze dat soort vragen horen).

Ondanks zulke onhandige momenten kan ik me niet voorstellen dat ik ooit met een schema zal werken. Het lijkt me namelijk vreselijk saai; waarom zou je een boek nog schrijven als je er zelf niets nieuws meer in ontdekken kunt? Hoewel uiteindelijk altijd de schrijver het laatste woord heeft, blijken personages vaak andere mensen te zijn dan ik vooraf zou kunnen bedenken – en soms weigeren ze iets te doen omdat het domweg helemaal niet bij hen past. Het lijkt me heel vervelend om dat soort onvoorspelbare zaken in een schema te moeten dwingen.
Het enige dat ik echt nodig heb om te beginnen is een personage dat me blijkbaar iets te vertellen heeft, al weet ik vooraf nog lang niet altijd wat dat precies zal zijn. Heb ik eenmaal zo’n sprekend personage, dan volgt de rest – nu ja, natuurlijk niet vanzelf – maar toch een stuk gemakkelijker dan als ik zelf een plot zou moeten uitdenken. Schrijven moet zo ongeveer het enige beroep zijn waarbij het horen van stemmen iets heel positiefs is.

Peter Zantingh

Wat ik in ieder geval moet hebben, is de gebeurtenis die aan het begin plaatsvindt en het verhaal op gang brengt. Ik weet dat ik op de eerste pagina’s het leven van mijn ik-persoon overhoop moet gooien, zodat hij gedurende de rest van het boek probeert de balans te herstellen.

Bij beide boeken had ik die begingebeurtenis (de Engelstaligen noemen dat een inciting incident) en wist ik hoe mijn protagonist erop zou reageren. Als ik dat heb, kan ik gaan schrijven. Als ik vervolgens de eerste paar duizend woorden op papier heb gezet, merk ik dat er vanzelf een logisch schema is dat zich opdringt.

Voor mijn debuut legde ik dat strak vast: alles moest zich binnen zes dagen (van dood tot begrafenis) afspelen, dus ik had zes hoofdstukken waarin alles wat ik wilde vertellen moest passen. Al erg snel wist ik dat ik het zo wilde doen. Ik schreef na het begin eerst het einde, daarna pas het tussenstuk. Dat hielp om te weten waar ik op uit wilde komen. De strakke afbakening zorgde ervoor dat de rest zich redelijk vanzelfsprekend in goede banen liet leiden.

(Daar moet bij gezegd dat mijn boeken niet op plot drijven – Een uur en achttien minuten is wel omschreven als ‘min of meer plotloos’. Ik hoop de lezer te raken met stijl en sfeer, met wat er juist niet in het zicht gebeurt, en ben daarom minder dan bijvoorbeeld een thrillerschrijver bezig met het plot.)

Bij mijn tweede roman – ik ben er nog druk mee bezig, maar je kunt hier al een heel klein stukje lezen – heb ik ook een schema verzonnen nadat ik het begin van het boek geschreven had, maar dat schema is later vaak weer omgegooid. Nog steeds ligt niet vast wat wanneer moet gebeuren, binnen welke tijdsspanne het verhaal zich moet afspelen of wat een logische indeling in hoofdstukken zou zijn. Ik maak wel schema’s, werk ze ook uit op papier of digitaal, maar meer dan eens heb ik ze later weer ingeruild voor een nieuw schema.

Eigenlijk is een schema uitdenken hetzelfde als het schrijven zelf: elke volgende versie ontstaat uit de vorige, maar is hopelijk beter omdat je geleerd hebt van de dingen die niet goed genoeg waren.

Myrthe van der Meer

Voor PAAZ heb ik nooit een schema gebruikt. Ik schreef alle hoofdstukken kriskras door elkaar om ze pas tegen het einde op de chronologische volgorde te zetten. Niet alleen omdat het een waargebeurd verhaal was en alles me nog levendig in het geheugen gegrift stond, maar ook omdat ik op die manier de vaart erin hield: elk hoofdstuk is in feite een soort column, een miniverhaaltje an sich met zijn eigen plot en spanningsboog. Door pas tegen het eind van het schrijfproces de hoofdstukken op de juiste volgorde te zetten en ze met bruggetjes onderling te verbinden, voorkwam ik dat die bruggetjes te veel tijd en ruimte op zouden slokken.

Het is misschien wel het bekendste schrijversprobleem: hoe krijg ik mijn personage van A naar B? En hoe geef je aan waar A en B zijn? In A gebeurt iets spannends, in B ook, maar als ik dat verhaal chronologisch zou beschrijven, dan zou ik persoonlijk al snel stranden in alle manieren om van A naar B te komen (bus? Trein? Fiets?) . Dus schrijf ik niet chronologisch, maar gewoon ‘stukjes’: bijvoorbeeld eerst situatie B, een ontmoeting in een bar, dan A, en dan blijkt dat je hoofdstuk B gewoon kunt beginnen met: ‘Toen hij de kroeg binnenstapte, schudde hij zijn jas uit. Het was de hele dag droog geweest maar toen hij uit de bus stapte brak er een hoosbui uit die hem doorweekt tot op het bot achterliet. De barman knikte nors naar de kapstok. Aan de bar, met de rug naar hem toe, zat de vrouw.’

Dan voegt het bruggetje nog zeker wat toe (sfeer), maar loop ik niet het risico te verdwalen in eindeloze lappen tekst over de OV-chipkaart, het openbaar vervoer in Nederland, de staat van het wegennet en alles wat maar tussen A en B kan liggen. Want in praktijk is dat – zelfs in Nederland – de hele wereld.

Met Kalf, mijn volgende boek, heb ik eigenlijk hetzelfde gedaan: het idee ontstond toen ik in een piepklein vliegtuigje zat en zeker wist dat we ieder moment neer konden storten. Ik wist dat ik mezelf op de een of andere manier af moest leiden (ik was op vakantie en het moest leuk zijn) en dus besloot ik een antwoord te zoeken op de vraag die me al een tijdje bezig hield: wat doe je als je precies weet hoe lang je nog te leven hebt? En wat als je dan helemaal niet zo’n menslievend karakter hebt, maar een arrogant stuk vreten bent en nog maar één familielid hebt om hiermee lastig te vallen?

Zo ontstond Onno, en met hem zijn veelgeplaagde kleinzoon Jurgen. En dat dynamische duo was meteen zo dynamisch dat welke situatie ik ook bedacht, ze daar meteen op hun eigen manier invulling aan gaven. De plot was er dus al, de personages reden al rond in mijn hoofd en dat leverde al snel een lange lijst op aan situaties op plus hun reacties daarop, en die ben ik weer kriskras door elkaar gaan uitwerken.

En de bruggetjes tussen A en B? Zoals mijn uitgeefster het afgelopen week het zei: ‘Weer te lang. ‘
Ach ja. Je kunt niet alles hebben.

Deniz Kuypers

Ik geloof dat er twee soorten schrijvers zijn: de een denkt een boek van tevoren helemaal uit, de ander begint met schrijven en ziet wel waar hij op uitkomt. Tot voor kort viel ik in die laatste categorie. Het oorspronkelijke idee voor mijn debuut, Dagen zonder Dulci, bestond uit een beeld van twee zussen die op bed lagen en op een vreemde manier langs elkaar heen praatten. Ik moest de rest van het boek schrijven om erachter te komen wat er precies met ze aan de hand was. Voor het boek waar ik nu aan werk heb ik voor het eerst in mijn leven een schema gemaakt, dat ik heel hoopvol aan de muur boven mijn bureau heb geplakt. Ik zeg ‘hoopvol’, omdat ik bij het ophangen het rare idee had dat een schema het schrijven makkelijker zou maken. Waarom niet? Ik weet immers wat er gaat gebeuren, het enige wat ik nog moet doen is het opschrijven.

Om heel eerlijk te zeggen begon ik twee jaar geleden al aan dit boek. Toen ik vorig jaar een contract tekende met Anthos, kreeg Dulci voorrang en zette ik dat andere boek tijdelijk opzij. Hierdoor kreeg ik genoeg tijd en afstand om goed na te denken over waar ik eigenlijk met mijn nieuwe boek naartoe wilde. Ik had 80,000 woorden en een handvol personages, maar er was geen samenhangend verhaal. Net als bij Dulci had ik de hoop dat de puzzelstukjes uiteindelijk op magische wijze wel in elkaar zouden vallen.

Inmiddels ben ik alweer zes weken lang dagelijks bezig met mijn nieuwe boek. Wat ik heb geleerd is dat het schema het schrijven totaal niet bevordert. Integendeel, ik moet mezelf echt dwingen de tijd te nemen om elke scène goed uit te werken en me niet alleen zorgen te maken over hoe ik zo snel mogelijk bij de volgende plotwending beland. Ik heb soms trouwens het idee dat ‘plot’ een beetje een vies woord is in de literatuur. Ik begrijp ook wel waarom. Je moet namelijk oppassen dat plot geen plaatsvervanger wordt voor geloofwaardige personages. Gelukkig heb ik eindelijk een goede balans gevonden met mijn nieuwe boek.

Het beste wat het schema voor mij doet, is dat het me een soort deadline geeft. Ik ken mijn personages en ik weet in welke situaties ze gaan belanden. Ik weet dus wanneer ik wel en niet ergens over moet uitweiden. Dat houdt de roman een beetje binnen de perken. Maar ik had dit niet kunnen doen zonder eerst twee jaar lang zorgeloos, richtingloos in het donker rond te tasten.

Deel dit bericht

Gastblog: Shira Keller

Ik had net een opleiding van vier jaar aan de toneelschool afgerond, toen ik ontdekte dat ik er geen zin meer in had – niet zozeer niet in theater, maar in mensen. Ik was amper vierentwintig en het enige waar ik naar verlangde was rust, iets wat ik tot dan toe alleen met te oud geworden bejaarden geassocieerd had. Toen mij een zoveelste keer werd gevraagd waar ik mee bezig was (een vraag waaraan ik panisch probeerde onderuit te komen, omdat het antwoord, ‘even niks’, me woest maakte), kwam het voor het eerst over mijn lippen: ‘Ik schrijf een boek.’

Ik pakte mijn spullen en vertrok naar een bergdorp in de Zwitserse Alpen, waar ik niemand kende, waar niemand me zou vragen waar ik mee bezig was, en waar niets of niemand me zou afleiden van mijn nieuwe doel: ik zou een boek schrijven. Wisten die bergbewoners veel, dat ik geen uitgever had, geen idee of ik überhaupt het talent bezat, en dat ik – maar dat probeerde ik te verdringen – de kans dat er werkelijk een boek zou komen nihil achtte.

Omdat er weleens Nederlandse skitoeristen in het dorpje kwamen, was men blij met een Nederlands meisje achter de kassa van de skilift. Al gauw was ik zo bedreven in het uitdraaien van dagkaarten, halve dagkaarten en weekkaarten dat ik het mijn gedachten er niet bij nodig had en tussen de verkopen door in een notitieboekje op mijn schoot aan mijn geheime missie werkte. Dat ging een tijdje goed. Er ontstonden personages, er ontstond een zweem van een verhaal, en er ontstond zelfs een klein glimpje hoop dat de krabbels in mijn boekje wellicht ooit werkelijk een boek zouden kunnen worden. En toen sloeg het weer om.

Het was min twintig, er hing een dikke mist over het dorp, het toeristenseizoen was voorbij en de hoop zonk me in de schoenen. Op een middag, de zoveelste waarop nog geen enkele verdwaalde klant mijn kassahokje had opgezocht, schreef ik in een van mijn talrijke melodramatische buien, het volgende in mijn notitieboekje:

“Hoe de liftjes zwalkend langs me heen glijden met een stoïcijnse onverschilligheid, hoe de witte bergvloer als een stijf bevroren oceaan me koppig onbeweeglijk toegrijnst, hoe miljoenen babyvlokjes voor het venster hun speelkwartier vieren – het is exact vijf uren en vierendertig minuten geleden dat ik begonnen ben het gade te slaan. Was er ook maar een minieme, haast onmerkbare verandering opgetreden, dan was ik van mijn stoel opgesprongen, had een vreugdedans gemaakt, was met een onverzadigbaar gevoel van dankbaarheid weer gaan zitten en had de rest van de dag een gelukzalige glimlach op mijn gezicht gehad. Daar dat niet het geval is geweest ben ik thans strontchagrijnig. Wat betreft dat boek: dat komt er nooit.”

En toen, het kan ook een paar dagen later geweest zijn, kwam er vanuit de mist een verschijning mijn kant op gegleden. Het was net zo ongeloofwaardig als het klinkt. Het was een vrouw. Ze stapte met haar ski’s het tapijt voor mijn hokje op en vroeg om een halve dagkaart. Ik hoorde aan haar uitspraak dat ze Nederlands was.

‘Dat is dan tweeëndertig frank.’

Het gezicht van de vrouw brak open. ‘Ben jij Nederlands?’

Dat vroegen ze allemaal, al leek het me evident. Ik glimlachte, knikte, gaf haar het kaartje en bereidde me voor op weer een paar uren stilte. Maar de vrouw bleef staan.

‘Wat doe je hier?’ vroeg ze.

Ze nam geen genoegen met mijn standaard antwoord, en leek haar interesse in het kaartje vergeten te zijn. Voor het eerst sinds een half jaar sprak ik met iemand over mijn opleiding, mijn verlangen naar rust, mijn belachelijke inval een boek te schrijven en het diepe gevoel van mislukking dat mij de afgelopen weken in het kassahokje was aangevlogen. Ze luisterde, ze vroeg door, en toen ik voelde dat ik elk moment in huilen uit kon barsten, zei ze: ‘Schrijf dat boek. Ik weet dat je het kan. Echt. Ik zie dat.’

En toen pakte ze haar kaartje op, knikte me toe, stapte van het tapijt af, ging door het draaideurtje, en zag ik haar in het liftje in de mist verdwijnen. De volgende dag bracht ze me een stapel Hollandse tijdschriften, die ik in mijn hokje verslond als een ondervoede een stuk brood.

P.S. In de zomer was mijn manuscript af. Ik stuurde het naar tien uitgeverijen. Een week nadat ik het opgestuurd had ontving ik een email waarin een redacteur me liet weten interesse te hebben. Nog een week later werd ik twee keer opgebeld door de redacteurs van twee andere uitgeverijen die me uitnodigden voor een gesprek. Een maand later nam ik het vliegtuig naar Nederland en tekende ik een contract.

Deel dit bericht