Wat doe je als het schrijven niet meezit? Geef je op of heb je trucjes om toch door te zetten?

Myrthe van der Meer

Eigenlijk zit ik nooit vast doordat ik te weinig inspiratie heb – eerder andersom: ik raak in de knoop doordat ik halverwege het eerste hoofdstuk van boek A in gedachten alweer halverwege boek B zit. En hoe leuk schrijven ook is, een nieuw boek is altijd leuker omdat alle gedachtes daarover nog vers zijn.
Ik zit nu bijvoorbeeld in de afrondende fase van mijn tweede boek, Kalf. Het verhaal is nog steeds even leuk als toen ik begon en bij het schrijven van de laatste tien hoofdstukken typ ik nog steeds met tranen in mijn ogen – zowel van het huilen als het lachen – maar iedere dialoog, elke oplossing heb ik al honderd keer door mijn hoofd gegaan. Ik weet precies wat op het papier moet komen; ik hoef het alleen nog maar even te schrijven… En dat is soms best pittig.

De afgelopen weken heb ik dan ook vooral vechtend met mijn laptop doorgebracht omdat de laatste loodjes nou eenmaal het zwaarst zijn (de leukste scènes heb je al geschreven, over de rest heb je al te vaak nagedacht en hoe langer je aan iets schrijft, hoe intensiever je afvraagt of het eigenlijk wel goed genoeg is?). Ik ben dan intensief bezig met truckjes om mezelf aan het schrijven te houden. Je zou zelfs kunnen zeggen dat ik zo intensief bezig ben met mezelf met truckjes richting de computer te lokken dat ik nauwelijks meer aan schrijven toekom.

Een van de verraderlijkste vrienden is dan De Planning: ik ben vrij slecht in rekenen, maar ik weet helaas nog dat als je twee keer zoveel per dag schrijft dan je gepland had, je twee keer zo snel van je boek verlost bent. Dus staat de teller al snel op een onhaalbaar aantal woorden per dag, wordt de weerzin om te schrijven nog veel groter, ga ik nog meer afleiding zoeken, zit ik de hele dag op internet als ik zou moeten schrijven. Want dat is de tweede grote vijand: het voordeel van internet is dat je tegenwoordig alle research in huis kunt doen – het nadeel is dat je jezelf listig af kunt leiden door urenlang te onderzoeken of de krul op die stoelpoot in die periode nou linksom draaide of rechts.

Een week geleden zat ik er dan ook definitief doorheen: of het boek ging het raam, of ik. In plaats daarvan sprong mijn internet eruit. Weg draadloos contact; ineens kon ik alleen nog maar liggend op mijn buik met een te kort draadje naar de router in de meterkast mijn mail kon checken. Daar was na een kwartiertje de lol al snel vanaf (de echte verslaafde blijft proberen), en tot mijn stomme verbazing stond mijn laptop al snel een uur lang ongebruikt op de grond – toen twee uur, toen een halve dag terwijl de verslaving zijn greep op mij verloor en ik ineens een laptoploos leven leidde! Liberté!

En toen, een dag later, zomaar uit het niets, dacht ik ineens: ik wil schrijven. Even een hoofdstukje afmaken. Eén keer per dag schrijven, drie keer per dag mijn mail checken, daarna snel de computer weer uit. Tot het boek af is tenminste. Daarna begint het geblunder weer helemaal van voren af aan.

Dennis Rijnvis

Ik zit op dit moment een beetje vast met schrijven in een verhaal dat hopelijk ooit uitgroeit tot een boek. Misschien wordt het mijn volgende roman, misschien pas mijn derde, of vierde. Omdat ik pas één boek op mijn naam heb, bezit ik niet de autoriteit om hier een handleiding te geven: wat te doen als je vastzit in het schrijfproces?

In plaats daarvan zal ik analyseren waarom ik nu zelf ben vastgelopen. Ik werk aan een verhaal dat zich afspeelt in een circus. Het gaat om een jongen die gevangen zit in een vreemd, bovennatuurlijk geloof dat hem van jongs af aan is bijgebracht. Ik zit vast, omdat ik twijfel. Over de stijl, over de potentie van het verhaal, maar vooral vanwege het perspectief. Ik denk dat twijfels bijna altijd de oorzaak zijn van een writer’s block. Het is bij mij nu zo erg dat ik in twee verschillende bestanden werk, met twee verschillende perspectieven. Aangezien ik niet de illusie heb dat ik lezers van dit blog kan leren hoe ze dit schrijfblokkades kunnen ontmantelen, kunnen we het misschien omdraaien. Help mij! Hieronder lees je het begin van mijn verhaal in twee versies. Hoe moet ik verder schrijven, welk perspectief is het beste?

1.

De jongen zag de bliksem en een moment geloofde hij dat de tijd weer uit de knoop zou raken. Hij sprong op van het trapje bij de deur van de woonwagen, waarop hij zittend het zaagsel uit de piste onder zijn blote voeten vandaan had geklopt. De laatste houtschilfers die aan zijn huid kleefden vermengden zich met modder, even zwart als de lucht achter de boomtoppen waarboven hij de eerste lichtflits had gezien.

Hij rende zo hard dat zijn pak knarste bij de mouwen die bestonden uit ijzeren ringen, aan elkaar geregen met koperdraad en opgepoetst zodat het metaal zou fonkelen in het licht van de schijnwerpers in de grote tent.

Ze hadden hem ooit gevonden in pak, zeiden de ouderen altijd. Ze hadden de mouwen langer gemaakt omdat hij niets anders wilde dragen toen hij klein was. Maar hij wist niet of hij dat moest geloven. Het pak zat niet lekker. Het ijzer liet rode plekken achter op zijn buik en als hij honkbal speelde na zijn optreden voelde hij bij voorbaat al het leem in zijn nek van de bal waarmee hij altijd als eerste werd uitgetikt.

2.

Altijd als ik de bliksem zie, hoop ik dat de tijd uit de knoop zal raken en ben ik weer een jongen van 13, zittend op het roodwit gestreepte trapje bij de deur van onze woonwagen waarop ik elke middag het zaagsel uit de piste van mijn voeten klop na een voorstelling. Ik spring op. De laatste houtschilfers die aan mijn huid kleven vermengen zich met de modder, even zwart als de lucht achter de boomtoppen waarachter ik net de eerste flits zag. Ik ren, zo hard dat mijn pak knarst bij de mouwen die bestaan uit zilveren ringen, aan elkaar geregen met koperdraad en opgepoetst zodat het metaal blinkt in de schijnwerpers van de grote tent.

De ouderen hebben me gevonden in het pak, zeggen ze. Ze hebben de mouwen langer gemaakt omdat ik niets anders wilde dragen toen ik klein was.

Maar ik weet niet of ik dat geloof. Het pak zit niet lekker. Het ijzer laat rode plekken achter op mijn schouders en als ik naast de tent honkbal speel voel ik het leem van de bal al in mijn nek voordat de andere kinderen me hebben ingehaald.

Wytske Versteeg

Plotseling is de deadline voor mijn tweede roman al binnen een paar dagen en dat maakt het antwoord op deze vraag nog relevanter. Het is leuk als de inspiratie moeiteloos komt, maar wat doe je als schrijven niet lukt? Daarvan kan ik moeiteloos ontzettend gefrustreerd raken, maar inmiddels heb ik ook wat nuttiger reacties ontwikkeld.

Eén daarvan is het op te geven, mijn laptop dicht te slaan en een lang stuk met mijn hond te gaan lopen, notitieboek op zak. Cruciaal is wel dat ik mezelf er echt van overtuigd heb dat er nu even echt niets op papier hoeft te komen. Is dat eenmaal gelukt, dan komen de zinnen meestal vanzelf.

Iets minder drastisch is het opstarten van een nieuw document. Het is immers veel gemakkelijker om ‘zomaar’ een stukje te schrijven dan de lijn en de spanningsboog van een boek te moeten doorzetten en dus kan ook de virtuele variant van een onbeschreven blad al heel wat nieuwe ruimte bieden. Op de één of andere manier vinden al die losse fragmentjes later hoe dan ook hun weg wel naar het boek. De derde en belangrijkste truc haalde ik hier al eens eerder aan, vrij naar de fotograaf Robert Capa: als je foto, of in dit geval verhaal, niet goed genoeg is, ben je domweg niet dichtbij genoeg. Dus als het schrijven niet lukt, kun je jezelf altijd de vraag stellen wat er nodig is om dichter in de buurt te kunnen komen. Wat ontbreekt er in de scene die maar niet verder wil; geluid, kleur, gevoel, geur misschien? Is er misschien eerder iets misgegaan en dwing je nu een personage tot iets dat helemaal niet bij hem of haar past?

Helpen al die trucs niet, dan is er altijd nog de optie om iets te gaan doen dat geen schrijven is, maar daar nauw mee samenhangt. Een stukje schrijven voor het debutantenblog, bijvoorbeeld.

Peter Zantingh

Je moet je als schrijver kunnen optrekken aan twee dingen: hoeveel je schrijft, of wat je schrijft. Kwantiteit of kwaliteit. Want op de meeste dagen zal een van de twee achterblijven bij je verwachtingen en ambities.

1) Je schrijft niet genoeg, blijft naar een knipperende cursor kijken, raakt afgeleid, verdwaalt in huishoudelijke klusjes of sociale media. Resultaat: driehonderd woorden in vier uur. 2) Je schrijft wel tweeduizend woorden in een paar uur, maar je bent er totaal niet tevreden mee. Het is geneuzel, je wil het meteen weer weggooien.

Beide keren niet goed, zou je kunnen zeggen.

Maar je kunt het ook anders zien:

1) Je hebt weliswaar maar driehonderd woorden geschreven, maar er zit een prachtige metafoor tussen, of een zin die misschien wel de openingszin van je roman zou kunnen zijn. Daar moet je ook tevreden mee kunnen zijn. 2) “The first draft of everything is shit”, schreef Hemingway. Wen er maar aan. Je hebt wel mooi tweeduizend woorden geschreven, waar je aan kunt schaven. Gooi het niet meteen weer weg, wacht af wat je er morgen van vindt. Waarschijnlijk zit er wel degelijk iets tussen waarmee je verder kunt.

Ik wil graag aan het eind van de dag tevreden zijn met wat ik gedaan heb. Opgeven na een uurtje doe ik niet snel, omdat ik weet dat ik mezelf dan een slappeling vind en dat heb ik liever niet. Dus ga ik door, en probeer ik tevreden te zijn met één van de twee: wat ik geschreven heb, of hoeveel ik geschreven heb.

Er zijn uiteraard dagen waarop het écht niet gaat. Die zitten ertussen. Sta jezelf dan toe om het op te geven. Ga winkelen, naar de film, op een terras zitten, een boek lezen. En begin de volgende dag weer met frisse moed aan slechte zinnen.

Murat Isik

Er zijn een paar dingen die ik tijdens het schrijven aan mijn debuut Verloren grond deed om te voorkomen dat ik vast kwam te zitten. Zo wist ik voordat ik achter mijn laptop plaatsnam precies wat ik ging schrijven, iedere schrijfdag had ik de scene waar ik aan ging werken helder voor ogen. De dag ervoor dacht ik er vaak uitgebreid over na. Sowieso zag ik het hele verhaal als een film voor me. Aan het einde van een schrijfdag drukte ik als het ware op de ‘pauze-knop’ in mijn brein om de volgende dag weer verder te gaan op het punt waar ik gestopt was.

Daarnaast kwam ik er al snel achter dat het nogal uitmaakt of je aan elke zin uren sleutelt of juist vrijuit schrijft. Niets is zo frustrerend om aan iedere zin eindeloos te schaven, om een blokkade te voelen om verder te gaan. Er zijn schrijvers die bekend staan als ‘bleeders.’ Het kost hen uren om een zin op papier te krijgen waar ze tevreden over zijn en ze lijden daarbij zozeer dat het bijna op bloeden lijkt.

Jeroen Brouwers is zo’n schrijver. Ik meen me te herinneren dat hij ooit in een interview verklaarde dat hij niet meer dan zeven zinnen per dag op papier krijgt. In hetzelfde interview verklaarde Brouwers overigens ook dat hij helemaal niet van schrijven houdt en dat hij het alleen maar doet omdat hij niets anders kan, en geld nodig heeft om diep verscholen in de bossen te kunnen blijven leven.

Probeer niet te ‘bleeden’ tijdens het schrijven en neem jezelf voor om een eerste versie te schrijven zonder al te veel op kleine details en stijl te letten, want dat komt later wel. Vertel eerst het verhaal, laat het vloeien, daarna ga je het, bij het reviseren, laag voor laag verfijnen. Pas dan wordt het ‘literair’.

Wat verder helpt: stel jezelf een (haalbaar) doel stel per schrijfdag, bijvoorbeeld 500 woorden. Je zult dan niet te makkelijk opgeven en hebt een gericht eindpunt om naartoe te werken.

Wat zeker niet helpt is je op Facebook of Twitter begeven, want voor je het weet ben je zo anderhalf uur kwijt, wat de frustratie alleen maar doet groeien.

Een leespauze inlassen echter kan je het goede gevoel teruggeven. Pak je lievelingsboek uit de kast, lees een paar bladzijden en voel hoe de radertjes weer gaan draaien. Het is alsof je je vulpen in magische inkt doopt.

Deniz Kuypers

De Amerikaanse schrijver Neil Gaiman wond er geen doekjes om toen hem werd gevraagd naar de voornaamste regel die hij toepast: schrijf! Simplistisch misschien, maar zo gaat het in de praktijk vaak wel. Je moet schrijven vooral wíllen doen. Dat is niet makkelijk. Helemaal niet. Maar de voornaamste truc om woorden op papier te krijgen, is gewoon doorzetten.

Ik heb zelden een gebrek aan ideeën. Maar ideeën klinken in je hoofd vaak beter dan op een computerscherm. Dat komt omdat je, in de context van je boek, opeens rekening moet houden met zaken als: is dit geloofwaardig, praten mijn personages wel zo, past dit bij hun karakter? Het is heel makkelijk om jezelf in dit soort details te verliezen, details die er eigenlijk niet toe doen in het vroege stadium van een manuscript. In het begin gaat het erom dat je door blijft schrijven, dat je alles op papier zet. Je moet bloeden, huilen, zweten. Pas als de laatste zin is geschreven, mag je je druk maken om details.

Herschrijven vind ik in het algemeen leuker dan schrijven. Het is heerlijk om een tekst van mezelf door te nemen en fijn te slijpen. Vandaar dat ik vaak geneigd ben de eerste hoofdstukken van mijn huidige manuscript terug te lezen in plaats van aan een nieuw hoofdstuk te werken. Maar eigenlijk is dat een manier van afleiding zoeken. Was het niet David Foster Wallace die zei dat een té perfectionistische schrijver zijn boek nooit af krijgt?

Ik heb twee trucjes om mezelf te verlossen uit de houdgreep van twijfel en perfectionisme. Allereerst omring ik mezelf met boeken. Niet om van andere schrijvers af te kijken hoe zij het doen, maar om mijn eigen denkpatronen om te gooien, om even frisse lucht te krijgen in mijn hoofd. Door geconfronteerd te worden met de stem van een ander, hoor ik mijn eigen stem soms beter.

Ten tweede schrijf ik veel met de hand. Ik heb overal notitieboekjes liggen, en wat ik daarin zet herschrijf ik natuurlijk niet. Die boekjes zijn voor rauwe ideeën. Als ik mezelf erop betrap dat ik achter de computer teveel zit te redigeren, ga ik in een café schrijven. Ik hou van drukte om me heen, op de een of andere manier kan ik me zo beter concentreren. Daarom heb ik thuis ook altijd muziek aan. Maar ik heb ook vier gitaren in mijn kantoor, en internet en veel te veel andere mogelijkheden tot afleiding. In een café heb ik niets dan een leeg vel papier, een pen en een goed glas whisky.

Deel dit bericht

Wat vinden jullie van recensies? Lezen jullie ze en waar moeten ze aan voldoen?

Deniz Kuypers

Dagen zonder Dulci is net twee weken uit, en er zijn (nog?) geen recensies van verschenen. Ik heb wel veel positieve reacties van lezers gekregen op Goodreads, Facebook en Twitter. Ga ik de recensies in de dagbladen lezen als die er komen? Jazeker! Ik vind het altijd vreemd als schrijvers zeggen dat ze geen recensies van hun eigen werk lezen. Ik begrijp wel dat je je als schrijver niet moeten laten beïnvloeden door de mening van critici, maar tegelijkertijd kun je ook niet in het luchtledige schrijven. Literatuur is entertainment, en entertainment moet een dialoog creëren, waarbij het boek de lezer vermaakt en de lezer op zijn of haar beurt actief nadenkt over de plot, de personages en de eventuele diepere laag. Schrijvers die het niet interesseert wat de rest van de wereld van hun werk vindt, zijn in mijn ogen een tikkeltje hypocriet. Want waarom geven zij überhaupt iets uit? Kunnen ze hun boeken niet net zo goed ongelezen in een la laten liggen?

Ik lees veel recensies. Van boeken, films en muziek. (Ik ben zelf een paar jaar muziekjournalist geweest.) Ik heb een paar vaste kranten die ik wekelijks online lees, met name The New York Times, The Guardian en de Volkskrant. Maar het gebeurt niet vaak dat ik, op basis van een positieve recensie, naar de winkel hol om het desbetreffende boek te kopen. Dat komt omdat veel recensies weinig meer zijn dan een samenvatting. Vaak lees ik daarom alleen de eerste en laatste alinea van een recensie. Daar staat doorgaans iets over de schrijver of het uiteindelijke oordeel van de criticus.

Echte literatuurkritiek is zeldzaam. Of ben ik, als vroegere literatuurstudent, te veeleisend? Gelukkig zijn er een paar bladen die wel echte kritiek plaatsen, zoals de LA Review of Books en de New York Review of Books. Dat laatste blad publiceerde vorig jaar een inmiddels beruchte recensie van Joseph Anton, de autobiografie van Salman Rushdie. Het mooie aan dat artikel was da de criticus de thema’s en schrijfstijl van het boek ontleedde, het werk in de context van Rushdie’s hele oeuvre plaatste, en zo ze tot een waarde-oordeel kwam dat gebaseerd was op meer dan alleen een samenvatting van de plot.

Hoe kom ik dan boekentips? Ten eerste zijn er veel schrijvers wiens nieuwste boeken ik koop zonder de recensies af te wachten. Daarnaast is social media onschatbaar, vooral Goodreads, de online boeken community die ik eerder al noemde. Ook krijg ik graag aanraders van vrienden (zoals laatst nog The Lighthouse van Alison Moore). Maar de fijnste manier om nieuwe boeken te ontdekken is en blijft het rondneuzen in boekhandels. Zo kocht ik afgelopen week nog drie boeken die ik niet eerder op het oog had gehad, maar die me zomaar aanspraken. Nu moet ik alleen nog de tijd vinden om ze daadwerkelijk te lezen.

Dennis Rijnvis

Tot nu toe heb ik geen heel slechte recensies gelezen over Savelsbos. Maar dat is tegelijkertijd ook mijn ergernis als ik boekbesprekingen in kranten, maar vooral op internet lees. Ze zijn bijna allemaal (gematigd) positief en ze lijken enorm op elkaar. Tot nu toe heb ik dan ook niet heel veel gevoeld bij recensies. Vaak hangen ze aan elkaar van algemeenheden, zoals ‘goed geschreven’, ‘spannend plot’, of ‘komt wat traag op gang’. Natuurlijk vind ik het geweldig om de eerste twee oordelen te lezen over mijn boek en ben ik blij als iemand de moeite neemt om het te recenseren.

Maar ik zou graag eens een wat preciezere beoordeling willen. Niet alleen qua inhoud, maar ook qua vorm. Waarom gebruiken bijvoorbeeld alle kranten het sterrensysteem om boeken te recenseren? En waarom zie je zelden of nooit een boek dat maar één ster krijgt? Dat betekent dat de gemiddelde bandbreedte maar vier schalen is, vergelijkbaar met een leraar die je vroeger op school beoordeelde met slecht, voldoende, goed of heel goed. Ik wil dan weten hoe goed, of hoe slecht precies.

Misschien draaf ik door en misschien is mijn blik vertekend, omdat Savelsbos geen paginagrote recensies heeft gehad in het NRC of De Volkskrant. Er zijn natuurlijk maar een beperkt aantal boeken die heel nauwkeurig door journalisten worden beoordeeld, ergens wel logisch. Maar ik pleit toch voor een ander beoordelingssysteem: ouderwetse cijfers. Ik wil weten of mijn boek een 6, een 7 of een 7.5 krijgt.

Myrthe van der Meer

Ik denk dat iedere auteur diep van binnen eigenlijk wel de zwakke plekken van zijn eigen werk kent. Dan is het onvermijdelijk dat een ander die ook ziet. Zo is PAAZ als je het als een echte roman in plaats van een waargebeurd verhaal zou zien, veel te lang, ontbreekt het aan een duidelijke spanningsboog, komen er teveel personages in voor en zitten er een hoop hoofdstukken in die niet per se iets te maken hebben met de ontwikkeling van de hoofdpersoon. Als een recensent daar op wijst, dan ben ik het daar ook gewoon mee eens.

Dat betekent echter niet dat ik niet ook nog wel eens verrast wordt van wat ik over mijn boek lees. Zo vond een recenserende arts in Medisch Contact PAAZ op sommige punten ongeloofwaardig, wat ik dan wel weer bijzonder vond omdat het juist waargebeurd is.

Volgens mij is een recensie echter het pijnlijkst als ze het boek beticht van iets wat je als schrijver juist zoveel mogelijk probeerde te voorkomen. Een van de dingen die ik met PAAZ wilde bereiken was te laten zien dat patiënten in psychiatrische inrichtingen geen ‘gekken’ zijn die ook nooit iets anders zijn geweest en nooit iets anders zullen worden. In werkelijkheid zijn psychiatrisch patiënten namelijk net zo normaal als ieder ander, maar terwijl die ander op zijn dertigste diabeet wordt, krijgen zij op hun veertigste een depressie of een psychotische stoornis. Zo beleefde ik dat zelf tijdens mijn opname, zo beleefden mijn medepatiënten het, en de meest voorkomende reactie van hulpverleners, patiënten en ‘gewone’ lezers op PAAZ is ook dat ze hiermee eindelijk een boek hebben waarmee ze aan anderen konden laten zien dat psychische problemen in feite heel normaal zijn en ieder ‘normaal mens’ kunnen overkomen.

En dan lees je in een recensie dat PAAZ psychiatrisch patiënten helaas reduceert tot een stel ‘gekkies’.

Blijkbaar leest iedereen er toch het zijne in, en zijn recensenten uiteindelijk toch ook maar gewoon mensen. Toch hoeft een negatief oordeel geen probleem te zijn, als maar wordt uitgelegd hoe de recensent tot die conclusie is gekomen. Dan kun je als lezer namelijk zelf bepalen of je daarin meegaat of niet. Een goed geschreven recensie vind ik dan geweldig leuk om te lezen. Zo’n recensie geeft namelijk niet alleen een oordeel over het boek, maar legt ook verbanden met andere boeken, verbanden die je als schrijver zelf misschien niet eens zag.

Daarom heb ik ook niet zoveel problemen met sterren boven recensies: het dwingt de recensent om zijn oordeel te verklaren aan de hand van de plus- en minpunten van het boek in plaats van gewoon maar wat in het wilde weg te schrijven. Maar ook dat is weer een kwestie van smaak, want terwijl ik die sterren altijd wel grappig vind, blijf ik de kriebels krijgen van recensies met een cijfer van 1 tot 10 – met decimalen achter de komma! Want wat is dan in praktijk nog het verschil tussen een 6,5 en een 7- voor een roman van 300 pagina’s? En bovendien: een oordeel van een onbekende recensent vind ik prima, maar om meteen dat back-to-school-gevoel weer tot leven te wekken met proefwerken, cijferlijsten en docenten die hijgend meekijken over je schouder…

Nee, dan nog liever een boek over die gekkies in het gesticht.

Wytske Versteeg

Voor het verschijnen van De Wezenlozen nam ik me voor geen enkele recensie te lezen; ik wilde niet in het vervolg tijdens het schrijven steeds de stem van een recensent in mijn oor hebben.

Maar zoals de meeste voornemens bleek ook dit plan in de praktijk lastig vol te houden. De Wezenlozen kreeg een grote, mooie recensie in NRC Handelsblad en tsja, dan wordt het toch verleidelijk om te spieken. De rest van mijn recensies las ik diagonaal, min of meer terreinverkennend. Ze gaven me bepaald geen reden tot klagen; ik was blij met de complimenten, en kon me ook vinden in de kritiekpunten.

Dat neemt niet weg dat je recensies anders leest wanneer je zelf schrijft. Iemand heeft, als het goed is, zijn ziel op papier gezet en daarna dagen, weken, maanden aan zijn tekst geschaafd. Dat alles kan een criticus in een paar zinnetjes afbreken, en die zinnetjes zijn soms behoorlijk vilein. Kunnen omgaan met kritiek is voor een schrijver een noodzakelijke eigenschap, maar dat maakt het nog niet prettig om publiekelijk te worden beoordeeld. Een goede recensie is geschreven uit liefde voor boeken; een goede recensent speelt niet op de man. Zelfs wie scherpe kritiek geeft – en uiteindelijk is ook dat de taak van recensenten – kan dat doen zonder de ander te vertrappen. Maar natuurlijk spitst de lezer dikwijls juist voor die afrekening de oren; zelf lees ik positieve recensies ook alleen maar hardop voor als ze over mezelf gaan.

Het schijnt dat, volgens literatuurcritici, een recensie niet teveel citaten moet bevatten: dat zou ofwel een teken zijn van luiheid van de recensent, ofwel beduiden dat er over het boek niet veel te zeggen valt. Zelf vind ik het altijd wel fijn als een recensent zijn oordeel met citaten ondersteunt. Zo kan ik tenminste zien of ik het eigenlijk wel eens ben met dat oordeel, of dat smaak hier toch een rol speelt. Uiteindelijk blijft het een kwestie van hopen dat Chateaubriand gelijk had, toen hij zei dat kritiek nog nooit gedood heeft wat moest leven – maar als mijn tweede roman verschijnt zal ik opnieuw de recensies vermijden.

Peter Zantingh

Toen ik een tijdje over deze vraag nadacht, merkte ik dat ‘de recensie’ verschillende gedachten bij me oproept, zowel als schrijver als lezer, die niet per se tot één betoog zijn samen te smelten. Dus hieronder vijf deelantwoorden.

1. Ja, ik lees regelmatig recensies. Soms omdat ik toevallig op die pagina van de krant terechtgekomen ben, soms omdat ik er speciaal naar op zoek ga. Dan ben ik benieuwd wat er over een boek geschreven is, omdat dat me helpt bij de keuze of ik het boek ook wil lezen. Het komt ook voor dat ik juist recensies wil lezen nadat ik het boek gelezen heb. Ik weet nog dat ik mijn fiets eens langs de kant van de weg zette omdat ik zo benieuwd was naar wat anderen vonden van De Bewaker van Peter Terrin, een boek dat ik toen net voordat ik thuis was weggegaan had dichtgeslagen.

2. Als schrijver bevind je je aan de andere kant, die van de gerecenseerde. Toen mijn debuut uitkwam, was het elke keer een moment van zeldzame kwetsbaarheid, dat moment vlak voordat je een recensie over je eigen boek aanklikt of openslaat. Wat volgt is namelijk een oordeel over iets wat jij met ziel en zaligheid gemaakt hebt en waar je niets meer aan kunt veranderen. Het is af, het is de buitenwereld ingestuurd. Nu is het eigendom van anderen, die er een mening over hebben. Een recensent kan het afbranden (wat ook gebeurde) of de hemel in prijzen (wat óók gebeurde). Over het algemeen is m’n debuut ‘goed besproken’, zoals dat heet. Maar die paar stukjes waarin het boek hard aangepakt werd – daar zat ik dan de rest van de dag wel mee.

3. Naarmate je vaker besproken wordt, goed of slecht, ga je het relativeren. Ik denk dat elke recensent een boek positief of negatief kan bespreken, zoals een goede debater zich overtuigend voor of tegen een stelling kan opstellen. Dat betekent uiteraard niet dat ze maar wat doen: recensenten zijn van waarde omdat ze geoefende lezers zijn, met liefde voor boeken, die herkennen en kunnen uitleggen waarom een boek in hun ogen wel of niet gelezen moet worden. (Dat is dus waar een recensie aan moet voldoen.)

4. De rol van de recensie verandert. Als ik tegenwoordig meer wil weten over een boek, ga ik als eerst naar Goodreads. Op die website vind ik honderden, soms duizenden meningen over een boek, met die van mijn vrienden (mits ze het gelezen hebben) bovenaan. Ik ben nagegaan hoe ik ben gestuit op de laatste vier boeken die ik Heel Erg Goed vond: The Fault In Our Stars (John Green) kreeg vijf sterren van een kennis op Goodreads, Tonio (A. F. Th. van der Heijden) won een belangrijke literatuurprijs en The Art Of Fielding (Chad Harbach) en HhhH (Laurent Binet) nam ik uit nieuwsgierigheid in handen tijdens het neuzen in de boekwinkel. Ik kan dus niet zeggen dat ik mijn leesgedrag laat bepalen door wat de boekenkaternen schrijven.

5. Als je een boek schrijft, doe je dat niet voor die ene vrouw van De Volkskrant of die ene man van NRC Handelsblad.

Murat Isik

Toen Verloren grond net uit was, las ik de boekenbijlagen van de kranten met grote spanning. Iedere week kon mijn debuut besproken worden. De eerste recensies waren heel lovend. Daarna volgde er een mindere recensie waar ik een paar dagen flink van baalde. Het was fijn om vlak daarna op vakantie te gaan. Op de derde dag van mijn vakantie, in Tokyo, kreeg ik per mail te horen dat de Volkskrant Verloren grond zou bespreken. De recensie zou waarschijnlijk meteen na mijn terugkeer geplaatst worden. Die hele vakantie zat ik in spanning.

Met een jetlag nog in de benen holde ik bij thuiskomst naar de kiosk en kocht een Volkskrant. Thuis bladerde ik snel naar de boekenbijlage. Ik zag allereerst de sterren: vier in totaal! En één zin uit de recensie bleef me meteen bij: ‘Een bedwelmend mooi familieverhaal.’

Ik glom van trots.

Tot mijn opluchting werd in de Volkskrant weinig van het verhaal van Verloren grond weggegeven (de recensie maakte juist nieuwsgierig naar het boek). Dat is iets wat me in het algemeen, los van de besprekingen van mijn debuut, al heel lang intrigeert: waarom wordt er in recensies zoveel van het verhaal weggegeven?

Ik lees regelmatig recensies die complete samenvattingen van het verhaal zijn. Grote emotionele gebeurtenissen in het boek worden zonder schroom onthuld en niet zelden wordt zelfs de laatste zin verklapt. Er worden simpelweg te veel details en verhaalwendingen weggeven, aangevuld met inzichten die de protagonist opdoet tijdens het verhaal. In sommige recensies regent het spoilers. Vaak denk ik dan: waarom zou ik het boek nog lezen?

Ik wil juist door een verhaal verrast worden. Ik wil niet weten dat de hoofdpersoon op de helft van het verhaal zijn gezin verlaat of zijn baas vermoordt. Als ik een boek lees of een film kijk wil ik eigenlijk zo min mogelijk van het verhaal afweten. Ik wil dus verrast worden, me verwonderen, me afvragen waar het heen gaat, hoe het verder moet, hoe de hoofdpersoon dit ooit te boven komt.

Pas als ik een boek uit heb, lees ik er recensies over. Dan wil ik graag horen wat recensenten ervan vonden. Ik heb dat ook met films.

Naar mijn mening verklapt een goede recensie weinig van de inhoud van het boek. Er moet nog heel wat te raden overblijven. Een (opbouwende) recensie moet nieuwsgierig maken naar het boek. En bij voorkeur worden er ook een paar zinnen uit het boek geciteerd om een beeld te krijgen van de stijl van de schrijver en de sfeer van het boek.

Gelukkig zijn er ook veel recensenten die zich niet schuldig maken aan spoilers en heel terughoudend zijn met het prijsgeven van belangrijke informatie. Vaak benoemen ze het ook: ‘Het zou geen pas geven om hier prijs te geven wat voor schokkends daarna gebeurt’ of ‘ik wil het leesplezier niet bederven en zal niet vertellen welk groot drama zich daarna voltrekt.’ Kijk, dan is mijn nieuwsgierigheid gewekt! Dan wil ik weten wat gaat er gaat gebeuren. Hier met dat boek!

Deel dit bericht

Gastblog: Thomas Heerma van Voss

De eerste keer dat ik werkelijk nadacht over het fenomeen debuteren, was in de vijfde klas van de middelbare school. Mijn docente, een vijftigjarige huismoeder die het wekelijks had over ‘echte schrijvers’ en die onbegrijpelijke metaforen een vereiste vond voor ‘grote literatuur’, hield de roman Kort Amerikaans omhoog en keek de klas doordringend aan. ‘Als je wilt weten met wat voor stem je te maken hebt, bestudeer dan altijd zijn eerste roman. Thematisch gezien toont een auteur daar al vrijwel alles wat hij te bieden heeft.’

Het is een opvatting die ik sindsdien vaker heb gehoord: de eersteling beschouwen als blauwdruk voor iemands gehele schrijverschap. Persoonlijk vind ik het een nogal onzinnig, geromantiseerd beeld – er zijn genoeg debuten die in latere boeken thematisch nader worden uitgewerkt (denk aan het werk van Reve of Palmen), maar voor elke auteur die aan die eis voldoet, is er ook gemakkelijk een tegenvoorbeeld te verzinnen (Hermans of Elsschot).

Toen mijn middelbare docente het zei, had ik daar echter geen weet van. Ik dacht alleen maar: zij heeft hiervoor gestudeerd, dus zij zal het wel weten, en ik knikte begripvol, zoals ik mijn hele schooltijd begripvol heb geknikt.

Inmiddels weet ik wat ik had moeten antwoorden. Dat het geen zin heeft om iemands eersteling per definitie als heilige graadmeter te zien, dat het zinvoller is om onderscheid te maken tussen enerzijds auteurs die voor hun debuut al uitgebreid nadenken over hun oeuvre (wederom: Palmen, maar ook een moderne schrijver als Buwalda), en anderzijds auteurs die daar nog nauwelijks bewust mee bezig zijn.

Om, het voelt wat misplaatst na de auteurs die ik zojuist heb genoemd, maar eens over mezelf te beginnen: ik behoor zonder twijfel tot de laatste categorie. Toen ik in 2009 debuteerde, wist ik nog amper wat een oeuvre was. Ik had nooit een letter Nooteboom of Claus gelezen, ik wist niet welke uitgeverijen een goede reputatie hadden, ik kende geen enkel literair tijdschrift bij naam.

Achttien was ik, achttien en ik verveelde me rot. Terwijl mijn vrienden, net zoals ik net klaar met hun eindexamens, zich gezamenlijk bedronken op Mallorca, en vervolgens maandenlang ontwikkelingswerk deden in Afrika, hielpen bij het bedrijf van hun vader of zich stortten op studies in onbekende steden, zat ik in mijn eentje thuis. Ik schreef. Zonder plan, zonder structuur, ik had aan het begin van de dag meestal nog geen idee waar mijn vingers mijn hoofdpersoon heen zouden leiden, en juist die vrijheid maakte het schrijven zo aangenaam.

Het begon met een simpel beeld: een twintiger die langdurig drie paar sokken in zijn hand houdt en niet tot een keuze kan komen.

Ik woonde nog thuis in die tijd. Toen ik één alinea had geschreven riep ik mijn moeder en vroeg: ‘Vind je dit leuk?’

Ik sluit niet uit dat als zij haar hoofd had geschud, ik het verhaal resoluut had verwijderd. Maar ze knikte. Een dag later liet ik haar een eerste pagina zien: ‘Vind je dit nog steeds leuk?’ vroeg ik – en weer knikte ze.

Zo ging het maanden door, tot ik een verhaal had met een begin, een midden en een eind.
Gezien mijn leeftijd denken mensen vaak dat fictie schrijven mijn kinderwens was, een van jongs af aan gekoesterde droom die ik zodra het kon in vervulling wilde laten gaan – maar om eerlijk te zijn heb ik vroeger geen moment over een schrijversbestaan gefantaseerd. Het leek me voorbehouden aan wat mijn docente ‘grote geesten’ noemde, die moeiteloos tien pagina’s konden vullen met één langgerekte natuurbeschrijving en woorden gebruikten waarvan ik de betekenis niet kende. De onvermijdelijke vraag: ‘Wat wil je later worden?’ beantwoordde ik doorgaans met: ‘Leraar,’ of, in een meer ambitieuze stemming: ‘Filmregisseur.’ Ik las nooit romans, laat staan dat ik verhalen verzon of graag praatte. Als vrienden me op mijn achttiende hadden voorgesteld samen een muziekgroep te beginnen of een speelfilm te maken, had ik het vermoedelijk meteen gedaan en geen letter geschreven.

Min of meer toevallig kwam mijn manuscript eind 2008 bij een uitgeefster terecht. Ik heb het verder naar geen enkele redacteur of literair agent gestuurd. Niet uit bescheidenheid, maar ik hield me daar niet mee bezig. Toen de uitgeefster zich echter enthousiast toonde, kon ik geen reden verzinnen om niet bij haar te tekenen. En die zie ik nog steeds niet. Mijn debuut is geen uitgekiend werk waarin ik allerlei thema’s heb geprobeerd te stoppen, het is niet exemplarisch voor alles wat ik sindsdien heb gedaan, het is eenvoudigweg een eerste vingeroefening – de eerste stappen in een mij nog totaal onbekende wereld. En ook al heb ik sindsdien veel geschreven, korte verhalen en een roman die ik inhoudelijk en stilistisch rijker vind dan mijn debuut: het schrijven van De Allestafel – voor de duidelijkheid: zo heet mijn eersteling – had iets ongeëvenaard spontaans. Ik had geen idee wat ik wilde of kon. Elke gedachte die bij me opkwam had ik niet eerder beschreven, elk gevoel dat ik wilde oproepen had ik nog nooit geprobeerd in woorden te vangen.

Toen ik jaren later vastzat bij mijn tweede roman, en in een fase was beland waarin ik weken aan scènes schaafde die ik later integraal schrapte, heb ik mijn debuut weleens opengeslagen en mezelf de vraag gesteld: is er sinds die ongeremde eerste keer iets verloren gegaan? Nee, dacht ik meestal. Ja, begrijp ik inmiddels. Schrijven blijft weliswaar altijd oefenen, er komt nooit een eindpunt waarin ik volleerd ben, maar alleen die eerste keer was het oefenen op een instrument dat ik nog nooit bespeeld had.

Afgelopen zomer ben ik trouwens mijn docente Nederlands tegengekomen. Eerst herkende ze me niet. Toen zei ze: ‘Vermakelijke hoor, dat debuut van je. Niet verwacht. Je zei nooit iets op school. Ik had geen idee dat ik een schrijver onder mijn hoede had.’ Kennelijk was ik dat nu officieel, een schrijver. Mijn woorden hadden mij iets gemaakt waar ik nooit over had nagedacht, doordat mijn debuut was verschenen had ik nu de wezenskenmerken van een bepaald type auteur. En terwijl ik mijn docente Nederlands aankeek, met haar licht teleurgestelde glimlach, begreep ik dat zij, ongeacht wat ik nog zal doen of schrijven of verzinnen, mij voor altijd zou zien zoals ze op dat moment deed. De stille leerling, de vermakelijke schrijver. Meer niet.

Deel dit bericht