Wat verdient een schrijver eigenlijk in deze tijd?

‘Wat verdient een schrijver eigenlijk in deze tijd? Kortom: wat hebben jullie overgehouden aan de publicatie van jullie boek en de nevenactiviteiten, zoals lezingen of andere optredens? Is het in jullie visie nog mogelijk om van schrijven te leven, of moeten we vooral voor de eer en glorie achter onze tekstverwerker kruipen?’ – Dennis Rijnvis

Wytske Versteeg

Op de één of andere manier wil de laatste tijd iedereen weten hoeveel ik met schrijven verdien (en dan heb ik mijn belastingaanslag nog niet eens ingevuld). Nu, om eerlijk te zijn weet ik dat zelf nog niet precies. Eén reden daarvoor is dat ik die belastingaanslag nog moet invullen; een andere dat de bedragen behoorlijk fluctueren en weer een andere dat dit soort getallen heel anders klinken als je ze zo hoort dan dan wanneer je ze op uurbasis gaat berekenen. Dus om toch min of meer antwoord te geven op de vraag; als het je doel is om op uurbasis goed te verdienen, zijn er betere beroepen te bedenken dan schrijver. Tegelijkertijd kunnen de bedragen bij elkaar toch aardig oplopen, waarbij nevenactiviteiten voortvloeiend uit het boek relatief gezien meer opleveren dan het boek zelf. Dus ja, ik denk dat het zeker mogelijk is om van schrijven (in ruime zin) te leven.

Desondanks heb ik op dit moment naast het schrijven een fulltime baan. Dat is niet in alle opzichten ideaal, maar het heeft voordelen: mijn deadlines worden nooit door financiële druk bepaald. Bovendien schrijf ik het beste ‘s avonds en vind ik het leuk om op andere plekken te komen en om na te denken over andere onderwerpen, die ik niet zelf verzin – alleen maar schrijven kan namelijk een behoorlijk eenzaam beroep zijn.

Gratis tip: wil je schrijven financieel de moeite waard maken, dan is het een erg goed idee om eerst een agent te zoeken, in plaats van meteen naar een uitgever te stappen. Het is hun vak om jou te verkopen en dat is handig voor iemand als ik, die daar zelf niet al te best in is (en zoals iemand opmerkte: het is ook gewoon leuk om te kunnen zeggen dat je een agent hebt).

Zo. Heb ik mezelf voldoende onder de vraag uit gepraat?

Peter Zantingh

Ik begin met de laatste vraag. Het is niet mijn visie om van mijn boeken te leven, dat kunnen (las ik eens ergens) ongeveer twintig mensen in Nederland. Maar wacht even, dat is de vraag van Dennis eigenlijk niet, hij vraagt of ik van het schrijven wil leven. Dat wel, grotendeels.

Drie dagen in de week ben ik webjournalist voor NRC. Dat is mijn belangrijkste inkomensbron. In de brede zin van het woord is dat ook schrijven. Daarmee leef ik dus inderdaad van het zo goed mogelijk het ene woord achter het andere plaatsen. Mijn boeken schrijf ik op de dagen die ik overhoud. Wat ik ermee verdien, zie ik als extra.

Dan ben ik daarmee aangekomen bij het nog openstaande eerste deel van de vraag. Deze week dacht ik erover na of ik daar antwoord op wilde geven, en ik besloot dat maar niet te doen. Liever deel ik dat niet op internet met iedereen. Maar er waren twaalf uitgeverijen die mijn debuut graag wilden uitgeven, en het agentschap van Paul Sebes zet dan een soort veiling op. Nee, geld is niet alles, maar het speelt wel een rol. En met de uitkomst van die veiling was ik erg tevreden.

Dan de nevenactiviteiten. Interviews, optredens, lezingen, etcetera. Het meeste doe ik vrijwillig. Voor een bos bloemen, een paar biertjes, een boekenbon of een fles wijn. Ja, ik heb wel eens 350 euro gekregen voor een interview van een half uur, maar ik ben ook wel eens voor een vrijwillig optreden de hele dag onderweg geweest, terwijl ze daar bleken te zijn vergeten dat ik onderdeel van het programma was.

Kortom: kruip vooral voor de eer en glorie achter je tekstverwerker (trouwens, schrijvers, zet Word opzij en koop Scrivener!), dat is veel leuker en volgens mij levert het betere boeken op.

Murat Isik

Ik lees al jaren in de media dat er in Nederland maar zo’n dertig schrijvers van hun boeken kunnen leven. Aan de ene kant stemt dat misschien somber afgezet tegen het grote aantal schrijvers dat ons land telt. Maar aan de andere kant betekent het ook dat het in Nederland mogelijk is om je brood met je boeken te verdienen, als je de kwaliteit of het geluk (of beide) hebt om door te stoten naar die selecte groep.

Het zal niemand verrassen dat debutanten over het algemeen niet kunnen leven van hun royalty’s alleen. Hoewel het gelukkig heel goed gaat met mijn debuut Verloren grond en ik inmiddels op de achtste druk zit, ben ik geen uitzondering op die regel. Zoals ik in een vorige bijdrage al schreef, werk ik naast het schrijven als jurist. Ik beschik dus over een vast inkomen en dat geeft mij rust in deze barre tijden.

De eerste inkomsten voor mijn roman Verloren grond dateren uit 2009. Toen tekende ik mijn contract bij Anthos en kreeg ik een voorschot uitgekeerd. De hoogte van dat voorschot werd opgedreven door de veiling die door mijn agent was opgezet voor de geïnteresseerde uitgeverijen. In meerdere rondes werd er op de rechten van mijn roman in wording geboden. Nu vragen jullie je natuurlijk af hoe hoog dat voorschot was, maar dat ga ik hier, of ergens anders, niet verklappen omdat ik dat niet chique vind richting alle betrokkenen. Wat ik er wel over kan zeggen is dat het een mooi bedrag was, maar geen jaarinkomen. Een bedrag waar ik als jurist een tijdje voor zou moeten werken.

Na het verschijnen van Verloren grond in april 2012 heb ik regelmatig opgetreden op festivals en heb ik lezingen gegeven en voordrachten gehouden in het land. In de meeste gevallen stond daar een vergoeding tegenover. Bij een festival moet je al snel denken aan een vergoeding van een paar honderd euro, plus reiskosten met in het beste geval een hotelovernachting, zoals bij Crossing Border in Enschede. Erg fijn als je pas om twaalf uur het festivalterrein verlaat. Verder heb ik een paar mooie schrijfopdrachten in de wacht gesleept, zoals een kort verhaal van vier pagina’s in HP/De Tijd en in Art Holland Magazine.

Daarnaast heb ik vorig jaar twee contracten voor twee nieuwe romans bij Anthos getekend. Voor de contracten heeft mijn agent opnieuw onderhandeld over een voorschot. We kwamen er snel uit.

Maar de echte uitbetaling moet nog komen, namelijk die in april: het moment waarop de uitgeverijen de royalty’s overmaken. Natuurlijk ben ik benieuwd hoe hoog mijn eerste royalty’s zullen zijn, maar omdat ik (nog) niet afhankelijk ben van mijn schrijfinkomsten, ben ik met mijn gedachten vooral bij het schrijfproces van mijn tweede roman. En dat is wel zo fijn.

Om te kunnen leven van het schrijven, moet je als schrijver beschikken over veel doorzettingsvermogen. Herman Koch kon ook niet leven van zijn debuut, maar staat nu wel in de bestsellerlijst van de New York Times.

Moedig voorwaarts dus!

Deniz Kuypers

Of ik van mijn debuut, Dagen zonder Dulci, zal kunnen leven, valt nog te bezien; het komt pas op 4 april uit. Toen ik vorig jaar een contract tekende bij Anthos, kreeg ik wel een voorschot. Inmiddels zijn we een jaar verder, en ik had tegen die tijd al vijf jaar met tussenpozen aan Dulci gewerkt, dus hoe aardig het voorschot ook was, ik zou er geen zes jaar op geteerd kunnen hebben. Dat is overigens geen klacht. Hier in Amerika schijnen uitgevers steeds meer geld aan steeds minder schrijvers te geven; oftewel, ze betalen een fors bedrag voor gevestigde schrijvers (King, Grisham, Brown, etc.) en nemen minder risico’s met debutanten. Ik zag het voorschot van Anthos daarom meer als een aanmoediging en bevestiging dat mijn uitgever in me geloofde.

De media staan vol met gruwelverhalen over hoe slecht het eraan toe gaat in het boekenvak. Zelfs mijn held Philip Roth zei een tijd geleden dat jonge schrijvers maar beter de hoop op kunnen geven en iets anders kunnen gaan doen. Maar was het vroeger dan beter? Toevallig las ik een paar weken terug A Moveable Feast van Ernest Hemingway, waarin hij zegt hoe moeilijk het is om geld te verdienen met schrijven. Dat boek speelt zich af in de jaren twintig. Jim Harrison, een andere literaire held van me, verkondigt al meer dan 30 jaar dat je van schrijven niet kunt leven. Volgens hem is er maar één beroep dat minder verdient dan schrijven, en dat is schilderen.

Moet je als beginnende schrijver dan maar de moed opgeven? Wat als Hemingway en Roth en Harrison dat indertijd gedaan hadden?

Ik denk dat elke schrijver zich moet afvragen of de opbrengsten van het vak – geld, roem of wat je er dan ook van verwacht – de vele opofferingen die je ervoor maakt waard zijn. Ik weet dat het heel moeilijk is om naast het schrijven een full-time baan te hebben en een relatie en vriendschappen te onderhouden. Daarnaast woon ik in San Francisco, de duurste stad in de VS samen met New York. Dat is mooi qua inspiratie (veel van wat ik schrijf speelt zich af in Californië), maar niet om van schrijven te kunnen leven. Ik zou natuurlijk bewust kunnen proberen een bestseller te schrijven. Of helemaal niet te schrijven, maar dat is geen optie. Dus ik heb met Dulci een boek geschreven dat van diep van binnen komt, in de hoop dat dat genoeg is.

En nu maar wachten of Spielberg me gaat bellen voor de filmrechten.

Myrthe van der Meer

Wat je als voorschot zult krijgen voor je boek, weet je als schrijver nooit van tevoren. Niet in een tijd waarin het boekenvak het zwaar heeft, en al helemaal niet als je het geluk hebt dat er meerdere uitgeverijen tegen elkaar op willen bieden.

Als redacteur had ik echter wel een idee over hoe het met PAAZ zou kunnen gaan, gewoon gebaseerd op ervaring: het feit dat je als debutant nog geen naam gemaakt hebt kost punten en het manuscript was misschien ook geen hoogstaande literatuur, maar het was wel soepel geschreven, ging over een onderwerp dat erg actueel is – psychiatrie – en wat dus ook makkelijk publiciteit vindt, en speelde zich af in een spannende omgeving, een gesloten psychiatrische afdeling, en was bovendien waargebeurd. Tel die dingen bij elkaar op en ik kwam tot de conclusie dat in een two-book-deal voor PAAZ en een nieuw boek het voorschot uiteindelijk – als alles meezat – tegen de tienduizend euro zou kunnen zitten.

Toen Willem, mijn literair agent, me op de dag waarop de uitgevers zouden bieden me sms’te dat er tienduizend euro was geboden, schrok ik me echter door. Niet door het bedrag, maar door het feit dat dat het openingsbod was. Met elk sms’je dat ik vervolgens kreeg voelde ik me ellendiger worden, want het besef drukte steeds zwaarder dat dit geen cadeautje was, maar een voorschot. En met elk hoger bod zou PAAZ meer moeten presteren om dat terug te verdienen voor de uitgever. Dat zoiets voor druk zorgt, is een understatement…

Zoiets is echter niet aan een literair agent uit te leggen, dus toen ik ’s avonds ietwat ontdaan mijn vriend belde, was dat met de absurde boodschap dat ik in één dag tijd een jaarsalaris had verdiend. ‘Misschien wel in één dag,’ zei mijn vriend, ‘maar wel voor drie jaar werk, plus daarbij de tijd die het je kost om je volgende boek te schrijven, en je daar moet je nog aan beginnen!’

Je zou dus kunnen zeggen: een schrijver is iemand die niet van een jaarsalaris kan leven. Dan moet je dus of goed kunnen schnabbelen om je inkomen op korte termijn aan te vullen, of je boek (laten) bewerken voor film of tv of gewoon snel kunnen schrijven. Het eerste vind ik een crime, met het tweede zijn we bezig en het derde kan ik gelukkig wel aardig.

PAAZ heeft zijn deel van het voorschot inmiddels terugverdiend. Nu is het afwachten of komend najaar het volgende boek het net zo goed gaat doen. En het zou heel goed kunnen van niet, want waar PAAZ marketingtechnisch alle voordelen had, is het volgende boek gewoon een ontzettend leuk verhaal over een enorm fascinerend onderwerp – en daar ligt de boekhandel al vol mee…

Dus kun je van het schrijverschap leven? Als zoals in het geval van PAAZ echt alles meezit: ja. Dan levert je dat misschien zelfs nog wel een jaarsalaris op. Maar daar moet je dan soms wel verdomd lang mee doen.

Dennis Rijnvis

Ik kan nog moeilijk bepalen hoe veel ik aan mijn boek overhoud. Veel verder dan een ruwe schatting kom ik niet, omdat Savelsbos pas volgende maand verschijnt. Maar ik heb een serieuze poging gedaan om mijn uurtarief vast te stellen.

De boekenbranche werkt met voorschotten. Zelf vind ik dat een vreemde manier van betaling. Toen ik mijn boek na een bieding tussen drie uitgeverijen verkocht aan uitgeverij Cargo, kreeg ik een bedrag op mijn rekening bijgeschreven voor Savelsbos en een tweede boek dat ik nog moet schrijven. Kortom als ik getroffen wordt door een writer’s block moet ik de helft weer terugbetalen.

Aangezien in het in Nederland eigenlijk ‘not done’ is om bedragen te noemen, maar ik mijn eigen vraag wel goed wil beantwoorden, permitteer ik mezelf enige omslachtigheid. Iedereen die het precieze voorschot wil weten, kan het met de onderstaande gegevens simpel uitrekenen.

Als ik het bedrag dat ik op mijn rekening kreeg bijgeschreven deel door het aantal uren dat ik naar schatting aan Savelsbos heb gewerkt (10 uur per week, twee jaar lang), kom ik op een uurtarief van ongeveer 18 euro per uur.

Aangezien de helft van dit geld een voorschot is voor een nog niet bestaand, tweede boek, ligt het werkelijke uurtarief rond de 9 euro per uur. Dat klinkt schraal. Mijn bijbaantje als postbezorger bij de PTT tijdens mijn studie was lucratiever. Maar nogmaals, het is een voorschot, het is best mogelijk dat ik uiteindelijk meer verdien als schrijver.

Het bedrag van het voorschot is gebaseerd op een aantal boeken dat de uitgeverij minimaal denkt te verkopen. Ik gok (ik heb het er nooit met ze over gehad) dat dit verwachte aantal op ongeveer 3.500 exemplaren ligt. Een auteur krijgt namelijk ongeveer twee euro per verkocht exemplaar.

Stel dat mijn boek aanslaat en er 7.000 exemplaren van Savelsbos over de toonbank gaan. In dat geval verdubbelt mijn uurtarief. En laat ik nog even verder dromen: als mijn debuut meteen een bestseller wordt en ik 15.000 boeken verkoop, is mijn uurtarief daarmee ongeveer verviervoudigd.

Aan de andere kant is een begrote oplage van 3.500 exemplaren niet kinderachtig. Het gemiddelde verkoopaantal van boeken in Nederland schijnt rond de 1.500 exemplaren te liggen. Als Savelsbos niet bijzonder of zelfs slecht verkoopt, maakt de uitgever dus verlies. En dan mag ik mijn handen dichtknijpen met 9 euro per uur. Een bijzondere regeling bij voorschotten in de boekenbranche is namelijk dat je ze in het geval van tegenvallende verkoopcijfers niet hoeft terug te betalen.

Uiteraard ga ik nu afsluiten met een cliché: ik doe het niet voor het geld. Ik vind het al geweldig dat een grote uitgeverij iets in mijn boek zag, dat het straks in de meeste boekenwinkels komt te liggen en dat er over twee weken een officiële presentatie plaatsvindt, georganiseerd door de uitgeverij. Helemaal waar, zoals alle clichés. Maar zelf vind ik een bedrag van 36 euro per uur eigenlijk best reëel voor het schrijven van een boek.

Deel dit bericht

Hoe weet je of dat wat je schrijft literatuur is?

‘Hoe weet je of dat wat je schrijft literatuur is? Wie bepaalt of een boek literatuur is? Is dat iets wat door de buitenwereld bepaald wordt of bepaal je dat als schrijver zelf – en is het dan iets waar je tijdens het schrijven bewust mee bezig bent?’ – Myrthe van der Meer

Dennis Rijnvis

Laat ik eerlijk zijn: ik weet niet wat literatuur is. Ik begrijp de term niet goed. Een boek betitelen als een literair werk, staat voor mij gelijk aan zeggen dat het goed is. Daar is niets mis mee. Maar als mensen over literatuur praten, wekken ze vaak de indruk dat het een objectieve term is, een soort stempel vergeven door een hogere god die heeft bepaald dat een bepaald werk is verheven boven de schrijfsels van het klootjesvolk.

Volgens mij bestaat zo’n god niet en literatuur in die zin dus ook niet.

Natuurlijk zijn er wel boeken die door relatief veel mensen worden beschouwd als goed, of zelfs verheffend. Neem De aanslag van Harry Mulisch, of De donkere kamer van Damocles van W.F. Hermans. Maar aan de andere kant: mijn broertje koos zijn beroep, vliegtuigpiloot, onder invloed van een boek: Catch Me If You Can van Frank Abagnale. Dat is geen boek dat veel mensen als literatuur beschouwen, maar in het geval van mijn broertje zou de term toch best op zijn plaats zijn, omdat het verhaal hem inspireerde tot een keuze die bepalend was in zijn werkende leven.

Voor mij is mijn boek Savelsbos geslaagd als straks zo veel mogelijk mensen het boek waarderen en aanraden aan vrienden en kennissen. Ik hoop dat lezers worden meegesleept door het verhaal en de wrok zullen voelen van de personages die afdalen in de mergelgroeves van een Limburgs bos om een nooit opgehelderde verdwijning van een jeugdvriendin op te lossen.

Of mensen het literatuur zullen noemen (dat verwacht ik niet) of gewoon een goed, of spannend boek; het maakt me eigenlijk niet uit. Ik hoop zelfs dat de mensen die Savelsbos niet mooi vinden, het boek snel opzij zullen leggen om te zoeken naar een roman die wel op hun persoonlijke literatuurlijst past. Want misschien vinden ze in dat andere boek dan wel de inspiratie voor de baan van hun dromen.

Wytske Versteeg

Wat doet het ertoe of wat je schrijft literatuur is? Niets. Tegelijk: alles.

Onder de categorie ‘literatuur’ vallen, volgens Van Dale, alle teksten “van een bepaald niveau”. Wat dat niveau is wordt door de buitenwereld bepaald: de uitgever, de critici, docenten Nederlands. Zij zijn de mensen die van oudsher het recht hebben om het gebied van de literatuur af te bakenen, en vaak betekent dat dat er een hek omheen gezet wordt, bordjes geplant met ‘verboden toegang’ erop. Dat idee van literatuur in hokjes interesseert me niet zo erg.

Maar ik ben ook geen fan van E.L. James.

Vergelijk je het met muziek, dan is de kwestie of iets nu wel of geen literatuur is misschien wel een kwestie van zuiverheid, en van resonantie. Begint er bij mij iets mee te trillen door het stemgeluid van deze auteur? (Toegegeven, dit is een riskante vraag, gegeven het effect dat E.L. James op velen schijnt te hebben). Raken de woorden van de schrijver iets in mijn ziel, verandert er iets binnenin mij door het lezen van het boek? Oftewel, om Kafka losjes aan te halen, werkt het boek als bijl op mijn bevroren binnenzeeën – schept het een ruimte die er eerder nog niet was? Als een tekst daarin slaagt is het wat mij betreft literatuur. Dat heeft te maken met techniek, maar niet alleen daarmee – evenveel of zelfs nog meer met het vangen van iets wat ik niet zomaar een naam kan geven, anders dan menselijkheid misschien.

Wanneer ik zelf schrijf vraag ik me niet voortdurend af of mijn tekst dat niveau haalt – ik zou geen letter meer op papier krijgen. Toch zweeft ergens op de achtergrond, meer of minder vaag, altijd dat land van de literatuur in mijn gedachten, maar dan als uitzicht, fata morgana misschien, schoonheid om na te streven. Zonder hek natuurlijk.

Peter Zantingh

Afgelopen vrijdag gaf ik een lezing aan VMBO-leerlingen, die mijn debuut op hun boekenlijst hebben staan. Ze moeten in een schooljaar tien punten verzamelen met het lezen van boeken. Aan het eind volgt een mondeling. Een uur en achttien minuten is twee punten, De ontdekking van de hemel vijf punten. (Bij dat verschil kon ik me snel neerleggen.)

Het waren vanzelfsprekend niet uitsluitend boekenwurmen die van lezen een uiterste prioriteit maakten. Dus toen de lerares aan het eind vroeg of ik nog iets kwijt wilde, zei ik dat het natuurlijk niet zo leuk is dat je als middelbareschoolleerling moet lezen. Omdat het moet, wordt het minder aantrekkelijk. En ik zei dat ‘literatuur’ niet per se betekent dat het moeilijke taal is waarbij altijd het ene gezegd wordt, terwijl het andere, een diepere betekenis, bedoeld wordt. Als je geraakt wordt, is dat genoeg. Hopelijk bracht dat het plezier van het lezen van boeken wat dichterbij.

Dat is ook waar ik mee bezig ben tijdens het schrijven. Het moet mooi zijn, ik moet het mooi vinden, een ander moet het mooi vinden. De lezer moet zich na de laatste zin anders voelen dan vóór de eerste – dan heb ik het goed gedaan. Ik zou niet weten welke andere definitie ik voor mezelf aan ‘literatuur’ moet geven en ik moet er niet aan denken dat ik een of ander verheven beeld van wat het volgens anderen zou moeten zijn, probeer na te jagen.

Murat Isik

Om met de laatste vraag te beginnen: ik was tijdens het schrijven van Verloren grond niet bezig met de vraag of dat wat ik schreef literatuur was. Ik was bezig met het zo goed mogelijk op papier krijgen van het verhaal dat ik in gedachten had.

Ik vroeg me wel af of mijn personages voldoende tot leven waren gekomen, of ik de omgeving van het dorp voldoende beeldend had beschreven, of er genoeg conflict in het verhaal zat (niet alleen extern maar vooral ook intern conflict) en of de personages zich voldoende ontwikkelden.

Wie bepaalt wat literatuur is? Ik denk uiteindelijk de critici en vakjury’s, hoewel er volgens mij wel een algemene consensus is over wat, in grote lijnen, als literatuur kan worden aangemerkt. Zo is het niet bepaald een gewaagde uitspraak om te zeggen dat The Da Vinci Code van Dan Brown geen literatuur is. Brown schrijft op zo’n directe manier, dat hij alle regels van de literatuur aan zijn laars lapt. Zo hanteert Brown de regel ‘don’t tell but show’ in het geheel niet. Hij laat niet zien dat zijn personages boos zijn door het te beschrijven, maar door simpelweg te zeggen dat Robert Langdon, zijn bekende protagonist, ‘boos is.’ Hij legt de hele tijd uit en geeft zo de lezer niet de kans om zelf het verhaal te interpreteren of dingen te ontdekken. Brown zegt wat je moet zien en begrijpen. Het verhaal bestaat voornamelijk uit actie, als in het scenario van een Hollywood blockbuster, en veel historische feitjes die worden opgedreund als in een college over (kunst)geschiedenis. Jan Brokken zegt het treffend in zijn schrijfboek De wil en de weg: ‘Tijdens de eerste honderd pagina’s van The Da Vince Code zie je Dan Brown tandenknarsend achter de computer zitten. Een lezer uit Arizona zal immers niet weten hoe het Louvre eruitziet, noch dat het museum ooit een paleis is geweest. Je moet hem daarom, denkt Brown, bij de hand nemen en in de zalen rondleiden. Voor wie het Louvre kent is het een bijna hilarische exercitie: je hoort de toon van de gids, je leest het soort proza dat in toeristenfolders staat afgedrukt. Jammer, jammer (…). Doodzonde dus dat Brown in de situering van zijn verhaal in het folderproza is blijven steken.’

Als ik een roman lees, wil ik in het hoofd van een personage kruipen, door zijn gedachten bladeren, zijn innerlijke stem horen en zijn angsten voelen. Nu zal het Brown natuurlijk volledig koud laten wat ik hier over zijn magnum opus schrijf, en terecht, want van The Da Vinci Code zijn wereldwijd tachtig miljoen exemplaren verkocht, en dat is razend knap. Brown zal nooit de Man Booker Prize winnen. Toch verdient hij alle lof voor het wereldwijd aan het lezen krijgen van zoveel mensen. Zijn werk is niet literair, maar dat streeft hij ook helemaal niet na, want anders had hij dat wel gedaan of in ieder geval geprobeerd als oud-student Engelse literatuur. Maar of hij dan ook tientallen miljoenen boeken had verkocht?

Deniz Kuypers

Twee weken geleden werd mijn favoriete leraar Engels 70 jaar. Als antwoord op mijn verjaardagswens stuurde hij een quote van Willa Cather over leven en ouder worden. Zo gaat het al jaren: we delen gedichten, boekentips en overpeinzingen met elkaar.

Onze vriendschap begon al toen ik nog aan de UvA studeerde. We dronken vaak koffie in zijn kleine kantoor op de bovenste verdieping van het Bungehuis en praatten over boeken, van Philip Roths American Pastoral tot klassiekers. Hij vond vooral oudere boeken belangrijk, omdat die minder toegankelijk waren en het de taak was van een leraar om de leeservaring van een student te bevorderen. Zo leerde hij mij Heart of Darkness en The Turn of the Screw waarderen.

Op een dag liet hij me een opgevouwen lap stof zien. Hij zei dat een marktkoopman bij het uitspreiden van zijn waren er altijd voor zorgt dat de mooiste kant van de stof boven komt te liggen. Een slimme koper zal de lap dus moeten openvouwen om hem in zijn geheel te kunnen bestuderen – om de context te kunnen zien. ‘Context’, ‘tekst’ en ‘textiel’ zijn alle drie verwant aan het Latijnse woord voor ‘weven’. Oftewel, om een tekst te doorgronden, moet je hem ook openvouwen.

Of ik me daar bij het schrijven mee bezig hou? Een boek moet de lezer vooral entertainen, dus het gaat mij er allereerst om dat ik een goed verhaal op papier zet. Maar ik vraag me wel af: wat zou de lezer ontdekken als hij of zij mijn verhaal openvouwt?

Myrthe van der Meer

Sinds de roman PAAZ uit is, volg ik met verwondering zijn omzwervingen door de boekhandels. Soms op een tafel, soms in een toren, soms op een plank, maar één ding blijft hetzelfde: de plek wisselt steeds weer. In één en dezelfde boekhandel heeft PAAZ op de tafel met ‘Non-fictie’, ‘Literatuur’ en ‘Actueel’ gelegen. In die volgorde. Gelukkig lag ik daardoor niet wakker over de vraag wat hoe literair PAAZ dan was. Dat had ik namelijk in de twee jaar daarvoor al gedaan.

Ik denk dat elke schrijver zich wel ergens tijdens het schrijven bezig gaat houden (lees: zichzelf onzeker gaat maken) met de vraag wat hij eigenlijk aan het produceren is: wordt het ‘gewoon’ een leuk boek, of wordt het Literatuur, en wat is eigenlijk het verschil?

Na een studie tot redacteur, een baan bij een uitgeverij en het schrijven van PAAZ kan ik daarop antwoorden dat ik het nog steeds niet weet. Natuurlijk ken ik de antwoorden zoals ze in de boeken staan (gebruik stijlfiguren, vermijd clichés, schrijf iets waar mensen over een eeuw nog een moord voor doen en doe iets leuks met laagjes), maar steeds vaker kwam ik tot de conclusie dat ik niet wist waar theorie overging in praktijk. Ja, de meeste manuscripten die je als redacteur leest zullen nooit literatuur worden, simpelweg omdat ze gewoon slecht geschreven zijn. Maar hoe zit dan met de rest?

Is ‘literatuur’ net als bij de manuscripten ook gewoon het oordeel van een ander over een boek dat jij geschreven hebt, of is het een genre an sich, net als kookboeken en thrillers? Dat is een interessant idee, want dan zouden er net als bij andere boekensoorten dus ook slechte en middelmatige literatuur moeten bestaan. Gek genoeg hoor je daar nooit iemand over.

Dan lijkt het er dus toch op de literatuur ontstaat in het hoofd van de lezer: kranten strooien elke week hun sterren over de gerecenseerde boeken uit en bepalen daarmee wat literair is en wat niet. Maar lang niet elk boek wordt besproken, wat betekent dat er ook een selectie aan de poort plaatsvindt. De vraag is alleen: welke? Is het zo dat bij kwaliteitskranten alleen literatuur erdoor komt? Dat zorgt dan voor een boeiende paradox, want dan zou boek met een vernietigende recensie met slechts één ster in praktijk beter zijn dan het deel dat de poort niet haalde? Is de één dan de nieuwe zeven?

Van literatuur wordt vaak gezegd dat ze ingewikkeld is. Daar ben ik het wel mee eens. De laatste keer dat ik een boekhandel binnenliep stond PAAZ trouwens weer gewoon bij non-fictie. Ook daar kun je over discussiëren, maar dat is dan een discussie gebaseerd op feiten, niet op gevoel. Wel zo makkelijk.

Deel dit bericht

Wat is het beste schrijfadvies dat je ooit hebt gekregen?

‘Wat is het beste schrijfadvies dat je ooit hebt gekregen? Misschien heb je het ooit in een boek gelezen of van een leraar gehoord. Maar wat voor advies hou je altijd in je achterhoofd tijdens het schrijven?’ – Deniz Kuypers

Myrthe van der Meer

Het beste schrijfboek dat ik ooit heb gelezen, las ik twee maanden geleden en gaat eigenlijk ook helemaal niet over het schrijven van romans maar over films: The Definitive Guide to Screen Writing door Syd Field.

Wat mij altijd wat stoorde aan de schrijfboeken was de mystieke sfeer die rond het schrijfproces bleef hangen: natuurlijk kun je een hoop leren, maar tussen kunde en kunst, lectuur en literatuur zit een kloof die alleen gedicht kan worden met dat magische goedje, inspiratie.

Scriptschrijvers denken daar heel anders over en dat was voor mij echt een verademing. Sterker nog, ze zijn helemaal niet bezig met de vraag of iets literatuur is, maar stomweg met de vraag of het verhaal dat je wilt vertellen zo goed werkt dat het door de kijkers en iedereen die bij de productie betrokken is ook net zo opgepikt wordt als jij bedoeld had toen je het schreef.

Wat ik ook fascinerend vond, was de manier waarop scriptschrijvers naar karakters kijken: character is action. Het gaat er niet om of iemand een slechte jeugd had. Waar het om draait, is: wat wil hij nu, en over hoeveel lijken gaat hij om dat te krijgen? Dat klinkt misschien heel Hollywood-actiethrillerig, maar hetzelfde geldt voor de meest suffe, ambitieloze personages: wat willen zij? Hoeveel hebben ze ervoor over om hun luizenleventje in stand te kunnen houden? En maak dat zo visueel mogelijk: pratende hoofden blijven altijd de dingen zeggen die je als schrijver voor ze bedenkt: laat ze tijdens het praten een berg beklimmen, (beter nog, ervan afvallen) en je zult zien dat ze dingen gaan doen die je anders nooit had bedacht.

Een van de grootste eyeopeners was echter: in de filmwereld staat één pagina script voor één minuut film. Een volledige speelfilm beslaat dus 90 pagina’s tekst en daar staat het complete verhaal in, inclusief alle karakters en hun complete ontwikkeling. Meer is er niet nodig, en al die scripts lezen op hun manier stuk voor stuk net zo gedetailleerd als romans. Nu wordt de gemiddelde uitgever niet blij als je voor je volgende roman met een manuscript van 90 pagina’s aan komt zetten, maar het zette me wel aan het denken: als je zoveel kunt doen met zo weinig woorden, ben ik dan eigenlijk niet een luie schrijver als ik nog maar zo weinig doe met zoveel meer?

Ik heb dus nog genoeg te leren. Maar gelukkig zijn er ook nog meer dan genoeg inspiratiebronnen te vinden!

Tips voor schrijvers die eens willen kijken in plaats van lezen:

  • Kijk veel films en vraag je tijdens het kijken af waarom de personages doen wat ze doen en op welk moment.
  • Lees filmscripts: veel originele scripts zijn gratis online te vinden, bijvoorbeeld op www.imsdb.com.
  • Lees eens een filmscript mee terwijl je de film kijkt. Vaak zie je allemaal boeiend redactie-ingrepen voorbij komen (bij Dances with Wolves vond ik dat erg boeiend)

Dennis Rijnvis

Het gevaar van schrijfadviezen is dat ze vaak bovenin mijn hoofd blijven zitten. Het worden obstakels waar ik bij het schrijven omheen manoeuvreer.

Zo las ik ooit dat je moet vermijden om te veel zinnen met ‘ik’ te beginnen. Op één of andere manier sprak dat advies me erg aan. Valse bescheidenheid? Misschien. Ik deed in ieder geval mijn best om ‘ik’ zo min mogelijk met een hoofdletter te schrijven. Die neiging leidde in mijn roman Savelsbos tot nogal wat gekunstelde zinnen. Hier het letterlijke commentaar van de persklaarmaker, die het manuscript op stijl controleerde voordat het naar de drukker ging.

‘Wat Dennis veel doet is lichaamsdelen en voorwerpen actief maken. Daarmee bedoel ik zinnen als ‘mijn ogen gleden langs’, ‘mijn ellebogen landden’, ‘veegden zijn vingers’, ‘mijn handen glijden over mijn oren’, ‘schoven mijn schoenen aarzelend’, ‘herinnerde mijn horloge’, ‘mijn zaklantaarn toont’. Waarom niet gewoon ‘ik kijk op mijn horloge’ of ‘ik zie hem in het licht van mijn zaklantaarn’ et cetera? Die ‘pratende’ lichaamsdelen en voorwerpen vond ik bijna altijd een beetje tuttig overkomen, en daardoor niet goed bij het verhaal passen.’

Ze heeft natuurlijk gelijk. Als je schrijfstijl wordt beheerst door een bepaald advies, krijg je gekunstelde zinnen. Ik denk dat ik de beste schrijftips die ik ooit kreeg alweer ben vergeten, omdat ze van bovenin mijn hoofd zijn afgegleden naar het onderbewuste.

Het beste advies is denk ik om alle adviezen los te laten, om bij het schrijven van je eerste versie zo min mogelijk na te denken en jezelf zeker niet te beperken. Pas tijdens het herschrijven mag de wildgroei aan schrijfadviezen in boeken en op weblogs als deze doordringen tot in je hoofd. Dat is in mijn ogen de gouden tip die ik bij het schrijven van Savelsbos te weinig ter harte heb genomen.

Wytske Versteeg

Het beste schrijfadvies dat ik ooit kreeg, komt van een fotograaf. Het was op een tentoonstelling van Robert Capa dat ik de volgende, bekende woorden las: “if your pictures aren’t good enough, it’s because you’re not close enough.” Toen we de tentoonstelling verlieten – ik geloof dat het in Boedapest was – kwamen we langs een kleine kermis, mensen in afwachting van een evenement dat nog moest plaatsvinden, de muziek al vrolijk en de lichten al aan, maar de tenten nog leeg, het personeel alleen maar bezig met elkaar. Het was een melancholieke plek, buiten de tijd.

Capa’s woorden zitten in mijn hoofd wanneer ik schrijf, vooral wanneer het niet zo gaat als ik zou willen. Want ze zijn waar, en niet alleen voor fotografen. Als een verhaal niet boeit, een tekst maar niet tot leven komt ligt dat vaak aan luiheid van de schrijver, die zijn personages niet goed heeft leren kennen, niet goed genoeg om ze zo te begrijpen dat je hen als schrijver wilt verdedigen, wat ze dan ook precies doen. Om je personages zo te leren kennen is het niet genoeg om te weten hoe ze eruit zien, niet genoeg om te weten wat ze doen – de vraag is waarom ze dat doen. De vraag is waar zij zelf van houden, of waar ze juist helemaal niet tegen kunnen.

Dat soort dingen weet ik zelden van tevoren – het is pas tijdens het schrijven dat ik erachter kom. Want soms wil ik iets van een personage wat diegene uit zichzelf helemaal niet zo zou doen. Dan loopt het verhaal onherroepelijk vast. Achteraf zijn dat vaak de meest waardevolle momenten, omdat ik er vroeg of laat van leer hoe het wél verder moet. Dat vraagt geduld en discipline, en daar komt Capa’s uitspraak om de hoek. Maar het blijft vreemd hoeveel moeite het kan kosten om in de buurt te komen van personages die ik toch zelf verzonnen heb.

Peter Zantingh

Een mooie vraag, Deniz. Deze had ik ook al in m’n hoofd voor als ik weer aan de beurt was. Veel tips kom ik vaak tegen en ze zijn allemaal nuttig. Om er drie te noemen: zorg voor conflict, show don’t tell, doe niet aan mooischrijverij. Maar het beste advies is: schrijf veel en lees veel.

Om eerst terug te komen op die eerstgenoemde tips. Zorg voor conflict: je lezers willen dat de personages elk hun eigen sterktes en zwaktes hebben en dat die elkaar maar net in evenwicht houden. Iemand die perfect is, is niet interessant. Een loser die een loser blijft ook niet.

Show, don’t tell: ‘Joeri was eigenwijs, maar soms kon hij ook erg aardig zijn.’ Niet doen. Zoiets willen lezers zelf ontdekken, dus het is je taak te beschrijven wat Joeri doet om zo duidelijk te maken wat zijn karakter is.

Vermijd mooischrijverij: schrijf niet “tot mijn oog reikten jonge wulpse deernes”*, schrijf gewoon “ik zag mooie meisjes”.

Maar uiteindelijk zullen die dingen vanzelf tot je doordringen als je maar veel schrijft en veel leest. Oefening baart kunst; het gaat nog altijd op. Schrijf eens honderd dagen lang elke dag een stukje en je zult zien dat je met de dag beter wordt. Er zullen dagen bij zitten waarop het niet lukt, waarop je ziek bent of een kater hebt of eigenlijk Borgen wilt kijken, maar ook die momenten maken je beter – als je maar doorzet.

En door veel te lezen ontdek je hoe anderen het doen, welke stijlen er zijn, hoe die ingezet worden, wat jou raakt en wat niet. Lees de eerste pagina van Hersenschimmen (Bernlef), High Fidelty (Nick Hornby) en Catcher in the Rye (J.D. Salinger) eens. In elk van die boeken weten we in een mum van tijd al heel veel over de hoofdpersoon. Hoe doen ze dat? Hoe kun jij datzelfde doen?

Veel schrijven en veel lezen dus. Twee leuke hobby’s bovendien.

*Dit voorbeeld komt uit Bestseller van Paul Sebes, een erg nuttig boek voor wie een roman wil schrijven.

Murat Isik

Voordat ik aan Verloren grond begon, heb ik veel boeken over het schrijven van een roman gelezen. De twee beste boeken over dat onderwerp waren De wil en de weg van Jan Brokken en On Writing van Stephen King. Beide boeken heb ik verslonden, maar het boek van Brokken heb ik bij heel veel mensen met schrijfaspiraties aangeprezen omdat het zo compleet is en alle aspecten van het schrijven van een roman behandelt.

Brokken geeft voorbeelden uit de moderne literatuur, vertelt over zijn eigen schrijverschap en hoe een schrijver zijn vak moet benaderen. Stephen King doet dat op zijn eigen manier ook, hoewel het bij hem iets meer een soort autobiografie is. Zo vertelt hij o.a. over het zware auto-ongeluk dat hem bijna zijn leven kostte.

Van alle adviezen die in beide boeken zitten, schoot er steeds één door mijn hoofd bij het reviseren van de eerste ruwe versie van mijn manuscript (ik was uitgekomen op 700 pagina’s en wist dat het te veel was). Ik dacht aan de woorden van King: hij zei dat je jezelf moet dwingen om woorden te schrappen uit een hoofdstuk, hoe tevreden je er ook over bent, want als je jezelf dwingt om woorden weg te laten, wordt de tekst er beter en compacter van. Het is een tip die hij zelf als beginnende schrijver kreeg van een redacteur van een literair blad. Toen hij het toepaste, merkte hij dat zijn korte verhalen plotseling wel werden gepubliceerd. Hij heeft een heel simpele formule voor het schrappen van woorden uit de eerste versie: de tweede versie = de eerste versie – 10%. Hij dwingt zichzelf dus om 10% van het aantal woorden van een hoofdstuk te schrappen.

Ik heb dat toegepast op mijn manuscript. Alleen besloot ik, gezien de lengte van de eerste versie, om niet 10 maar 20% van een hoofdstuk te schrappen. In dit advies zit natuurlijk ook het cliché ‘kill your darlings’ besloten. En dat deed ik, zonder schroom. Ik moet bekennen dat soms hele hoofdstukken sneuvelden. Ik ging als een genadeloze corrector te werk. Het was alsof ik een bijl hanteerde in plaats van een rode pen. In sommige hoofdstukken schrapte ik 40% van de woorden. Maar het kwam ook voor dat ik na een reviseerronde in een bepaald hoofdstuk slechts uitkwam op 10%. Dat was erg frustrerend. Ik besloot dan om dat hoofdstuk nog kritischer te bekijken. Net zo lang tot ik de 20% benaderde.

Nu heb ik natuurlijk veel meer goede schrijfadviezen gekregen die op de een of andere manier erg waardevol waren, maar dit was misschien wel het beste advies voor het herschrijven van Verloren grond, want wat ik toen vooral hard nodig had, was de moed om genadeloos te reviseren.

Deniz Kuypers

Wie wil schrijven, moet eerst lezen. Boeken verslinden. Het liefst van jongs af aan al. Daarna moet je heel veel schrijven en schrappen. Je moet zwoegen, uitgeput en teleurgesteld raken en toch weer opnieuw beginnen. De rest is bijzaak.

De afgelopen vijftien jaar heb ik Creative Writing vakken gevolgd; met andere schrijvers over het vak gesproken; advies gekregen van leraars, lezers en andere schrijvers; aan National Novel Writing Month meegedaan, waar ik in één maand 50.000 woorden schreef; interviews gelezen met schrijvers en zelf ook schrijvers geïnterviewd; On Writing, Bird by Bird, Sol Stein on Writing, The Art of Fiction en elke andere klassieke handleiding voor het schrijven doorgespit; en ik ben lid geweest van schrijfclubs. Wat ik heb geleerd is dat er geen regels zijn voor het schrijven. Elke regel die je kunt bedenken is namelijk al eens op z’n kop gezet. ‘Je moet altijd aanhalingstekens gebruiken.’ (En Cormac McCarthy dan?) ‘Je moet nooit beginnen met een beschrijving van het weer.’ (The Corrections toevallig gelezen?) En ga zo maar door. (Eigenlijk mag je een zin ook niet met ‘en’ beginnen.)

Toch is het voor mij belangrijk om op de hoogte te zijn van al die regels, zodat ik kan kiezen welke ik toepas en welke ik liever negeer. De voornaamste regels waar ik me in mijn verhalen aan probeer te houden zijn: 1) schrijf zo kort, maar krachtig mogelijk, 2) doe niet aan mooischrijverij en 3) gebruik geen clichés. (Er is nog een vierde regel die ik in mijn achterhoofd hou, maar die bewaar ik voor het antwoord op Myrthe’s vraag volgende week.)

Maar het voornaamste schrijfadvies waar ik me aan hou is dit: je moet altijd eerlijk zijn. Je moet verhalen vertellen die iets voor jou betekenen. Als je dat niet doet, als je niet diep in je binnenste kijkt en iets van jezelf blootlegt, dan komt je verhaal niet tot leven. George Saunders was de eerste schrijver die me dit vertelde toen ik hem ontmoette in 2006. Later vertelde Douglas Coupland me hetzelfde na afloop van een lezing. Onlangs heb ik het Jonathan Franzen ook horen zeggen.

Er zijn vast schrijvers die het niet met me eens zijn. Maar net zoals men vroeger geloofde dat camera’s een stukje van je ziel stalen, stop ik een stukje van mijn ziel in elk verhaal dat ik schrijf.

Deel dit bericht

Gastblog: Rick van Leeuwen

‘Wisten jullie dat de boeken van vrijwel al onze debutanten meerdere herdrukken hebben gehad in 2012?’ tweette Paul Sebes laatst.

Goed nieuws voor het agentschap, waar ik ook bij hoor, en tof voor die debutanten, van wie ik er een paar ken. Ik gun ze het beste, maar wat overheerst zijn jaloezie en teleurstelling; de vertrouwde gevoelens bij dit soort berichten, dat me doet stilstaan bij mijn eigen debuutroman. De gevoelens zijn minder sterk dan een of twee jaar geleden, maar ze zijn er nog steeds.

Misschien sliep je al verscheen in het voorjaar van 2010. Een gebeurtenis die nagenoeg onopgemerkt is gebleven. Dit literaire fictieboek is vrijwel geruisloos aan lezers en boekprofessionals voorbijgegaan. Dan ga je op zoek naar oorzaken, zo werkt dat. Het moet ergens aan liggen. Heeft de uitgeverij er wel genoeg aan gedaan? Had ik zelf meer kunnen ondernemen om op het netvlies van boekprofessionals te komen? Ben ik misschien te laat gestart met Twitter en Facebook? Of hebben boekhandelaren en recensenten het boek wel degelijk onder ogen gehad, maar vonden ze het gewoon niet de moeite waard? Heeft het dus met het boek zelf te maken? Had ik een beter boek moeten schrijven? Een origineler boek?

Als succes op alle fronten uitblijft, ga je aan alles en iedereen twijfelen. Dus ook aan jezelf, juist aan jezelf. En naarmate de tijd verstrijkt, twijfel je zelfs aan de kwaliteit van wat je hebt afgeleverd. Drie jaar na publicatie heb ik het boek nog niet herlezen. Eerst omdat ik er geen behoefte aan had, na al dat werk, inmiddels omdat ik het niet durf. Van mij hoeven anderen het ook niet meer te lezen, bang als ik ben dat mijn twijfel terecht blijkt. Gek eigenlijk, waar is die overtuiging gebleven dat het een goed boek was? Want waar ik wel zeker van ben: ik heb destijds het verhaal geschreven dat het moest zijn, zoals ik vond dat het moest zijn. Dit verhaal móést ik schrijven, dit boek móést verschijnen. Zo voelde het. Er was sprake van urgentie, geloof ik. Dat is geen garantie voor een goed boek, maar het is wel een geruststellende gedachte. Bijna geruststellend genoeg om me neer te leggen bij de tegenvallende resultaten. Maar waar hoopte ik dan op?

In het begin maakte ik mezelf wijs dat ik blij kon zijn met één ‘grote’ positieve bespreking, herdruk of nominatie. Sterker nog, mijn debuutroman was enkele dagen na de boekpresentatie al geslaagd toen een schrijver die ik hoog heb zitten mij uit eigen beweging opbelde om te vertellen (ik vroeg nergens naar) hoe goed hij het boek vond. Daar kan ik wel een tijdje op teren, dacht ik. In werkelijkheid was de euforie snel verteerd (een dag? Een paar uur? Tien minuten?) en kreeg ik honger naar meer. Meer mooie woorden, meer bevestiging.

Er kwam ook meer. Enthousiaste reacties, positieve recensies zelfs, maar allemaal op kleine schaal. Nu ik toch zo openhartig ben, de mooiste complimenten kwamen verder vooral uit de hoek van bekenden, in veel gevallen niet-lezers. Enthousiasme vanuit die hoek is prima – uiteindelijk is de markt van niet-lezers natuurlijk de grootste markt – maar het is pas echt bevredigend als het zich terugvertaald in exorbitante verkoopcijfers, en zevenhonderdachtenveertig verkochte exemplaren is niet exorbitant. (Ik schrijf zevenhonderdachtenveertig expres voluit, dan lijkt het nog wat).

Ik zie het zo: volgens mij zijn er niet veel hele goede boeken die én niet verkopen én geen (positieve) aandacht krijgen in de pers én verstoken blijven van (nominaties voor) literaire prijzen. Vandaar de twijfel. Maar misschien hebben schrijvers van goed verkochte en/of bejubelde debuten daar ook last van. Misschien twijfelt iedere schrijver op den duur aan zijn debuut en doe ik mijzelf nu gewoon tekort, puur op basis van tegenvallende resultaten. Openlijke twijfel aan de kwaliteit van je eigen boek is ook nog eens een soort belediging aan het adres van iedereen die het boek goed vond, en vooral van degenen die de moeite hebben genomen mij dat te laten weten, uit zichzelf. En dat waren er best veel. Toch kan ik het gevoel niet uitschakelen dat ik met iets beters of originelers mijn literaire entree had moeten maken.

Opnieuw debuteren (onder mijn eigen naam) kan niet, een goede tweede afleveren wel. Een verhaal dat ik móét vertellen, een roman die móét verschijnen. Een boek ook dat ik drie jaar later durf terug te lezen. En wie weet zelfs een boek waar Paul Sebes drie jaar later nog vol trots over tweet.

Deel dit bericht