Wat zijn je verdere literaire ambities na je debuut?

‘Jullie zijn gedebuteerd of gaan heel binnenkort debuteren. Maar wat gaat er daarna gebeuren? Kunnen we meer romans van jullie verwachten of is jullie debuut de verwezenlijking van een doel op zich? Met andere woorden: wat zijn jullie verdere literaire ambities?’ – Murat Isik

Deniz Kuypers

Een oeuvre opbouwen – welke schrijver wil dat niet? Je hebt natuurlijk Harper Lee. Of Boris Pasternak en Sylvia Plath, die meer poëzie dan proza hebben geschreven. Of BN’ers die een eenmalige autobiografie in elkaar flansen. Maar over het algemeen vereisen de tijd en moeite die het kost om een roman te leren schrijven – jaren van ploeteren, reviseren, afgewezen worden en opnieuw beginnen – een geestdrift die je niet zomaar aan de kant zet na je debuut.

Niet dat je elk jaar met een nieuw boek aan moet komen zetten. Joseph Heller deed er dertien jaar over om zijn tweede roman te schrijven. Ik zou graag denken dat hij er al die tijd elke dag aan sleutelde, maar misschien dat hij twaalf jaar lang geen woord op papier zette en toen opeens een vlaag van inspiratie had.

Je moet ook niet het voorbeeld van James Patterson volgen, die het schrijven overlaat aan een team ghostwriters en vorig jaar maar liefst dertien boeken uitbracht, en veertien het jaar ervoor.

Maar hoe bouw je dan een oeuvre op? Doe je dat met opzet, of moet je maar hopen dat er na je eerste boek genoeg interesse is van je lezers, je uitgever en vooral jezelf om een tweede boek te schrijven – en een derde, en een vierde, enzovoort? En wat is een oeuvre eigenlijk? Flannery O’Connor heeft maar twee romans en twee verhalenbundels geschreven. Haar oeuvre beslaat in totaal maar zo’n 600 pagina’s.

Men zegt dat een goed boek nooit te dik kan zijn. Je zou eveneens kunnen zeggen dat een goede schrijver nooit teveel kan schrijven – al had ik prima kunnen leven zonder Deception van Philip Roth, Travels in the Scriptorium van Paul Auster, of The Fourth Hand van John Irving. Maar een goede schrijver is iemand in wiens gezelschap je graag terugkeert, en die je vertrouwt dat hij je zal belonen voor de tijd die je in zijn werk steekt.

Bij een oeuvre gaat het om herkenning – dat verklaart het succes van James Patterson – maar ook ambitie en ontwikkeling. Bij elkaar genomen moet een oeuvre een groter verhaal vertellen over de schrijver en diens kijk op de wereld, waar de lezer zich in kan vinden. Een schrijver is een vriend, vertrouwenspersoon en reisgids in één.

Misschien klinkt dit wel erg groot opgezet voor iemand wiens eerste boek pas dit jaar verschijnt, maar dit is de droom die ik voor ogen heb gehad vanaf het moment – ergens rond mijn veertiende of vijftiende – dat ik doorkreeg dat schrijven voor mij geen hobby was, maar een roeping.

Myrthe van der Meer

‘Ambities’ klinkt al angstaanjagend genoeg, maar als je er ook nog ‘literair’ voor zet, voel ik meteen de neiging om hard de andere kant op te rennen… Toen ik mijn debuut PAAZ schreef was ik ook helemaal niet bezig met de vraag of het resultaat literatuur zou worden (lees: als literatuur beschouwd zou worden) of niet; ik wilde gewoon dat boek schrijven!

Schrijven is echter bepaald geen geestdodend werk, want tijdens het werken aan PAAZ kreeg ik ook steeds meer ideeën voor nieuwe boeken en niets is verleidelijker tijdens redactieronde duizendvierentachtig om lekker alle correctiezooi van tafel te schuiven en je alvast stiekem te storten op een volgend boek. En dan maakt het me ook niet uit of het literair verantwoord is of niet, als ik maar afleiding heb, of dat nou in de vorm is van een nieuwe roman of een bundel idiote gedichtjes of illustraties voor een boek met depressieve kerstballen.

Misschien heeft het ook minder te maken met iets hoogstaands als ambities, als wel stomweg met verveling: als er iets is waar mijn hersens niet tegen kunnen, dan is het wel iets moeten doen wat ik in gedachten allang voltooid heb. Zoals een boek dat je in je hoofd al kunt dromen en waarvan je de dialogen al helemaal van buiten kent en je eigenlijk al klaar bent – je hoeft het alleen nog maar even op te schrijven…

Dus zodra ik nu achter de laptop ga zitten om verder te schrijven aan mijn volgende boek, halen mijn hersens alles uit de kast om mij maar daarvan af te leiden. Zoals een nieuw boek, bij voorkeur over een compleet ander onderwerp, met een volledig nieuw perspectief in een totaal ander genre. Of een filmscript, of een idee voor een aflevering voor de tv-serie van PAAZ of een stripboek in plaats van een roman.

Al die variatie is natuurlijk allemaal erg leuk en aardig, maar van een mooi, solide literair oeuvre zal in mijn geval dan ook niet echt sprake zijn ben ik bang, eerder van een wankele stapel boeken in alle vormen, genres en maten. Met misschien af en toe ook een literair boek ertussendoor. Als ik me even niet verveel.

Dennis Rijnvis

Het zou – ter afwisseling met de antwoorden van de anderen (ja, ik was te laat met inleveren) – aardig zijn om hier te schrijven dat ik geen literaire ambities meer heb. Dat ik één verhaal te vertellen heb, en me nu op een volgend doel ga richten: het bouwen van een perpetuum mobile bijvoorbeeld.

Misschien moet ik dat overwegen als Savelsbos een succes wordt, vergelijkbaar met To kill a Mockingbird van Harper Lee (Ik weet het, die kans is vrij klein tot nul). Zij liet na haar geweldig debuut nooit meer iets van zich horen.

Hoe streberig het misschien ook klinkt, bij mij werkt het denk ik omgekeerd. Ja, ik wil graag meer boeken (fictie, non-fictie en misschien zelfs sciencefiction) schrijven. Ik droom er van om me ooit aan een filmscript wagen, of een toneelstuk te componeren. Maar als niemand Savelsbos zal lezen, als niemand er over zal praten, zou dat dan de moeite waard zijn? Zou ik me dan niet moeten afvragen of ik wel iets toevoeg aan het grillige en overvolle landschap van schrijvers en boeken waaruit lezers kunnen kiezen?

Als ik denk aan mijn toekomst als schrijver worden grote dromen in bedwang gehouden door diepgewortelde onzekerheden. Van nature ben ik iemand die van het slechtste scenario uitgaat, dan valt het altijd mee. Ik heb nog een contract voor één boek. Sterker nog: ik heb al een voorschot gekregen voor dat nog ongeschreven werk.

Ik nog slechts een vaag idee van het verhaal dat ik wil schrijven. De werktitel is Het kaf. Voor wie het woord niet kent: het zijn de oneetbare vliesjes die om graankorrels zitten. Veel meer kan ik er nog niet over zeggen. Maar ik ga het afmaken, dat is zeker. De nieuwe Harper Lee word ik in ieder geval niet.

Wytske Versteeg

Literaire ambities, wat zijn dat eigenlijk? Op het moment dat ik dit blog schrijf heb ik net een omslag gekozen voor mijn tweede roman, die (primeur!) deze herfst zal verschijnen -en ja, dat wordt nog wel even hard werken. Zie daar dus mijn allereerste ambitie, en we noemen hem: Boy.

Maar het woord ambitie komt van het Latijnse werkwoord ambire. En dat woord, vertelt het woordenboek mij, betekende dan weer rond gaan om stemmen te winnen. Daar zijn de afgelopen tijd een heleboel artikelen over verschenen, over hoe het gaat met de literatuur, of beter gezegd, hoe lang het nog zo door zal gaan met de literatuur en of je eigenlijk nog wel schrijver kunt zijn zonder op de sociale media rondjes te rennen om stemmen te winnen en wat dat dan weer betekent.

Nu heb ik in het verleden les in literatuur gegeven aan de Rotterdamse Volksuniversiteit en in die wekelijkse lessen heb ik zelf heel veel over literatuur geleerd. Met name over wat literatuur met mensen kan doen, soms tot hun eigen verbazing. Ongetwijfeld hebben mijn veelal wat oudere cursisten me soms vervloekt om de dikke pillen die we lazen, de teksten die ze soms ‘niet om door te komen‘ vonden. Maar toch gebeurde er iets heel bijzonders in die lessen, zoals die keer dat Rilkes Elegieën van Duino (die zouden nu waarschijnlijk geen uitgever meer vinden) exact de woorden bleken te vinden voor de rouw die een tachtigjarige cursiste voelde om haar overleden man. Jeanette Winterson formuleerde dat, geloof ik, zo: het gedicht vindt het woord dat het gevoel vangt (lees het geweldige Why be happy if you can be normal voor het exacte citaat). Dus als het over literaire ambities gaat, hoop ik de woorden te vinden die het gevoel vangen. En in een tijd waarin boekhandels en bibliotheken het steeds moeilijker krijgen hoop ik vooral dat er ergens ruimte blijft bestaan om zomaar, toevallig, op woorden te stuiten die precies datgene beschrijven wat eerder geen enkele zin leek te hebben.

Peter Zantingh

Omdat ik hoop dat dit blog nuttig is voor anderen die willen (of gaan) debuteren, zal ik kort vertellen wat er gebeurde nadat mijn Een uur en achttien minuten in oktober 2011 uitkwam. Hopelijk geeft dat een beeld van wat anderen kunnen verwachten (en met een beetje mazzel beantwoord ik ook de vraag ermee).

De eerste paar maanden nadat het boek verschenen was, had ik regelmatig interviews of optredens. Literaire avonden in een klein Amsterdams kroegje, zoals bij Literanita of Sunday in the Village, grotere zalen bij Crossing Border. Er waren interviews met het Noord-Hollands Dagblad en Radio 1, maar ook met een lokale nieuwsbrief in West-Friesland. De ene week zat ik in de bibliotheek van Den Haag met Abdelkader Benali, de andere week bleken ze bij een conferentie in Hoorn te zijn vergeten dat ik op het programma stond. Waar ik maar mee wil zeggen: je bent er een paar maanden druk mee, en het meeste is erg leuk. Voor het schrijven blijft even minder tijd over.

Begin 2012 begon ik aan mijn tweede roman. Het debuut was een doel op zich, zeker, maar het is net zo goed mijn ambitie om, nu dat bereikt is, verder te gaan. Ik wil laten zien dat ik van die eerste geleerd heb en dat ik een volwassener schrijver geworden ben. Ik neem er de tijd voor; haast is niet goed. Momenteel heb ik ongeveer een half boek, schat ik in, en er rekening mee houdend dat ik een deel daarvan weer ga weggooien en een deel ga herschrijven, zal ik op ongeveer een derde van het proces zijn. Er zijn delen waar ik erg tevreden over ben, maar over andere delen twijfel ik volop.

Het is even mooi als spannend dat ik merk dat het er bij een tweede boek niet gemakkelijker op wordt. Je weet iets beter waar je mee bezig bent, maar je voelt ook de ogen die over je schouder meekijken omdat ze zitten te wachten op dat vervolg.

Ondertussen loop ik al met nieuwe ideeën. Voor een derde boek, en misschien voor een serie muziekverhalen. Ik hoorde laatst ergens dat je ergens écht goed in bent als je er 10.000 uur in gestoken hebt. Van de week zat ik wat te rekenen en ik kwam tot de conclusie dat ik daar nog lang niet aan zit. Gelukkig maar.

Murat Isik

Lang geleden heb ik mezelf twee literaire doelen gesteld: het op een gegeven moment kunnen leven van het schrijven en het opbouwen van een oeuvre. Hoe sta ik er nu voor? Tijd voor een tussenbalans.

Ik heb vaak gelezen dat er in Nederland maar zo’n dertig schrijvers kunnen rondkomen van hun boeken. Dat is natuurlijk een pover aantal als je kijkt naar het aantal schrijvers in ons land en de (nog steeds) grote hoeveelheid boeken die wekelijks verschijnt. Veel schrijvers doen er dus noodgedwongen iets naast. Ze bieden in veel gevallen hun schrijfkunsten als freelancer aan of hebben vaak een baan op kantoor in een heel ander werkveld. In het eerste geval gaat het vooral om journalistiek werk of columns en korte verhalen voor kranten en bladen.

Zelf werk ik als jurist bij de gemeente Amsterdam. In het begin (2005) werkte ik vijf dagen in de week en merkte ik al snel dat er van het schrijven weinig terechtkwam. Dat vrat aan me. Om die reden besloot ik binnen de gemeente van baan te wisselen om vier dagen in de week te kunnen werken. Ik merkte meteen dat het mijn productiviteit als schrijver ten goede kwam. Ik schreef in korte tijd heel veel korte verhalen die ik publiceerde op het inmiddels opgeheven Volkskrantblog. Ook had ik meer tijd en rust om te lezen.

Toen mijn debuutroman Verloren grond vorig jaar uitkwam, kreeg ik het in de weekenden (gelukkig) druk met optredens en signeersessies in het land, met als hoogtepunten Lowlands en Crossing Border. Van schrijven kwam na het verschijnen van mijn debuut daarom weinig terecht. En ook dit jaar staat er weer een aantal bijzondere activiteiten rond het schrijven op mijn agenda waar ik enorm naar uitzie.

Maar het voorgaande zette me ook aan het denken: als ik niet weer vier jaar aan een roman wilde werken, moest ik nog minder gaan werken als jurist. Het werd in 2013 dus tijd voor de volgende stap in mijn schrijverschap: nog een dag minder werken als jurist. Die stap heb ik deze maand gezet. Dat betekent voortaan vier volledige dagen op rij schrijven, meer dan ik ooit heb kunnen doen.

Het effect van de extra schrijfdag is dat ik productiever ben dan ooit, mede doordat ik mijn dagelijkse ‘target’ van minimaal te schrijven woorden heb opgeschroefd naar 1.500. In drie weken tijd heb ik mezelf verbaasd en een behoorlijk aantal woorden op papier gekregen voor mijn volgende roman die zich in de Bijlmer (Amsterdam Zuid-Oost) zal afspelen, de plek waar ik ben opgegroeid. Het wordt een heel ander verhaal dan Verloren grond, niet alleen vanwege het decor maar ook het thema, waar ik op dit moment helaas nog niet over kan uitwijden.

Dit jaar ben ik dus een stap dichterbij mijn eerste doel (fulltime schrijven) gekomen en heb ik meer tijd gekregen om aan mijn tweede doel te werken. Mijn literaire doelen zijn ‘work in progress’.

Deel dit bericht

Wat is de invloed van de redacteur op de inhoud van een boek?

‘Op het omslag van een boek staat over het algemeen alleen de naam van de schrijver, hoogstens nog die van de uitgeverij. De redacteur wordt nergens in of op het boek genoemd, terwijl hij de schrijver en het verhaal wel al die tijd begeleid heeft en misschien zelfs veranderd of gevormd. Hoeveel invloed had jullie redacteur inhoudelijk op jullie verhaal?’ – Myrthe van der Meer

Dennis Rijnvis

Ongeveer 1000 woorden, dat was alles wat ik had geschreven van mijn roman Savelsbos toen literair agentschap Sebes & Van Gelderen me in 2011 besloot te vertegenwoordigen. Het was een korte inleiding van een roman. Drie volwassen mannen keerden terug naar een bos waar ze als kinderen hadden gespeeld en waar destijds hun jeugdvriendinnetje was verdwenen. “Wat is er nou eigenlijk precies gebeurd, weet je dat? En wat gaan ze daar doen?”, vroegen ze bij het agentschap. Ik moest bekennen dat ik het niet precies wist.

In het jaar daarna groeide de korte inleiding uit tot een thriller van ongeveer 80.000 woorden. Kortom: mijn het agentschap en later de uitgeverij hadden heel veel invloed op het verhaal.

Op aanraden van mijn redacteur en de twee literair agenten die me begeleidden, veranderde ik niet alleen structuur van het verhaal dat ik in gedachten had, maar ook het aantal hoofdpersonen, de aanloop naar de ontknoping, de achtergrond van de verteller en de titel.

Het was niet zo dat ik met alles akkoord ging, wel heb ik alle voorstellen serieus overwogen. Natuurlijk zou het mijn verhaal worden, niet dat van de agenten. Maar ik had nog nooit een boek geschreven. En vaak kun je de impact van een verandering in de structuur of stijl pas overzien als je het probeert.

Oorspronkelijk speelden de hoofdstukken van Savelsbos zich afwisselend in het heden en verleden af. Maar toen ik die twee tijden uiteindelijk toch met elkaar vermengde, kreeg het verhaal meer vaart en spanning.

Aan de hoofdpersonen was ik best gehecht geraakt, maar toen ik er ééntje schrapte bleek ik hem nauwelijks te missen.

Het gekke is verder dat zowel het agentschap als de uitgeverij me steeds heeft aangespoord meer te schrijven. Dat is behoorlijk in tegenspraak met een vuistregel die ik ooit las in het boek Over Leven en Schrijven van Stephen King. Hij stelt dat je na het schrijven van een eerste versie altijd ongeveer 10 procent van de tekst moet schrappen, om je verhaal van alle overbodige franje te ontdoen.

Bij mij was het omgekeerd. Mijn eerste versie bestond uit ongever 65.000 woorden en groeide daarna naar 80.000 woorden. Had ik niet alleen naar mijn agenten en redacteur moeten luisteren, maar ook naar Stephen King? Het antwoord krijg ik hopelijk na 11 maart, als mijn boek uitkomt, van de lezers.

Wytske Versteeg

Ha, eindelijk een vraag waarop ik een duidelijk antwoord kan geven; aan De Wezenlozen is relatief weinig redactiewerk verricht. Natuurlijk was er wel bureauredactie, in de zorgvuldige handen van iemand die het Groene Boekje veel beter heeft bijgehouden dan ik; en verder was ik erg blij met de tips en aanwijzingen die ik van onze gastblogger Willem Bisseling en zijn collega’s kreeg.

Waaronder één hele cruciale; de titel van het boek.

Want die is, biecht ik hierbij op, bedacht door een stagiair – haar suggestie was namelijk vele malen beter dan mijn eigen ideeën. En eigenlijk is dat precies wat je bij een redacteur zoekt: hij of zij moet je boek beter kennen dan jijzelf. Hij moet rücksichtslos een rode streep zetten door al jouw gevonden schatten wanneer die niet bijdragen aan het boek (al is dat ‘bijdragen aan’ dan wel weer een wat relatief begrip). Een goede redacteur houdt de schrijver, om maar een cliché van stal te halen, een spiegel voor – desnoods een lachspiegel.

Wanneer het boek in een vroeg stadium nog bulkt van het overtollig vet ziet hij, als je geluk hebt, je verhaal al voor zich in de afgeslankte, fitte topvorm die het ooit toch moet bereiken. En als jij even niet de moed hebt om je tegensputterende boek naar de sportschool te duwen, ziet hij de finish al voor zich en juicht en jaagt je daarnaar toe. Enthousiast, maar met gepaste strengheid; als het goed is haalt hij iets beters uit je dan je zelf wist dat er in je zat. Ooit had ik een coach die ons hockeyteam vervoerde in een Fiat Panda die zo gammel was dat je het portier moest vasthouden. Als wij in de pauzes van minder goed verlopen wedstrijden op onze sinaasappelpartjes zogen, moedigde ze ons aan met de onsterfelijke woorden ‘kom op, stelletje mutsen, sta nou niet zo te kutten.’ En dat bedoel ik dus, maar dan – want zo zijn redacteuren – heel beschaafd.

Peter Zantingh

Ik ben erg blij met mijn redacteur Michel. Mede omdat ik bij hem een goed gevoel had, heb ik voor De Arbeiderspers gekozen. En ik weet zeker dat het boek bij een andere uitgeverij anders was geworden.

Als je een boek schrijft, zit je zelf zo dicht op je eigen werk dat het lastig is om daar weer afstand van te nemen en het als een lezer te lezen. Is het goed, wat je schrijft? Maak je het daadwerkelijk beter door te herschrijven? Verlies je de rode draad niet uit het oog? Je redacteur (maar ook je literair agent) is iemand die kennis van zaken heeft, niet bang is om kritisch te zijn – dat moet zelfs – en het wél als lezer kan benaderen. Als een erg geoefende lezer. Dat is erg veel waard.

Met mijn debuutroman probeerde ik steeds een balans te vinden tussen wat ik moest vertellen en wat tussen de regels door ook wel duidelijk werd. Het boek werd uiteindelijk gewaardeerd omdat er ‘een wereld schuilgaat achter alles wat niet uitgesproken wordt’ (de Volkskrant) en daar zijn de mensen bij De Arbeiderspers mede verantwoordelijk voor. Michel, maar ook de persklaarmaker die aan het eind nog een keer met een heel scherp oog keek en me aanraadde sommige alinea’s te schrappen omdat het verhaal ook wel zonder kon.

Het werkt ook andersom. In de lente van 2011 zat ik in de tuin bij de uitgeverij met Michel te praten en liet ik vallen dat ik één hoofdstukje, waarin mijn hoofdpersoon een pak past voor de spiegel, wilde schrappen. Omdat hij toen zei dat hij hem juist mooi vond, is die bewaard gebleven.

Murat Isik

Toen ik in 2008 begon aan mijn roman Verloren grond, koos ik ervoor om mijn redacteur (Elsa den Boer, Anthos) en agent (Willem Bisseling) tussentijds mee te laten lezen. Ik vond dat prettig, vooral ook vanwege de lengte van mijn roman. Het was fijn om zo eens in de vier maanden te horen dat ik op de goede weg zat. Daarnaast was ik erg benieuwd naar de verhaaltechnische feedback. Die kon voor mij niet scherp genoeg zijn, want je kunt maar één keer debuteren.

Nog los van de gebruikelijke correcties op zinsniveau, hebben mijn redacteur en agent beiden feedback gegeven die belangrijk was voor het verhaal in zijn geheel. Ze hebben dus invloed gehad op het verhaal. Nu willen jullie natuurlijk voorbeelden horen. Die zal ik geven.

In de gesprekken die ik met mijn redacteur had gevoerd over mijn boek, en uit mijn synopsis, was het voor haar duidelijk geworden dat de ouders uit mijn verhaal veel van elkaar houden. Zij vond terecht dat dat in het begin nog te weinig tot uitdrukking kwam in mijn manuscript. Ik heb daarom een aantal wijzigingen doorgevoerd. Verder had mijn redacteur een belangrijke opmerking over de karakterontwikkeling van mijn hoofdpersonage. Ook toen greep ik in.

Mijn agent op zijn beurt gaf onder andere terecht aan dat bepaalde belangrijke personages te laat in het verhaal werden geïntroduceerd, waardoor ze voor de lezer te veel uit de lucht kwamen vallen. Bij het reviseren ben ik daarmee aan de slag gegaan. Verder heb ik met hem uitgebreid van gedachten gewisseld over het belang én de bijdrage van andere personages.

Tijdens het schrijven kreeg ik van buitenstaanders vaak de vraag of het niet vervelend was om van twee kanten feedback te krijgen. Nee, ik vond het juist een voordeel. Natuurlijk, het is meer werk, want je moet je door twee keer zoveel commentaar ‘worstelen’, maar uiteindelijk komt het je werk ten goede. Eén van de voordelen was dat ik me nu bij twijfel kon laten overrulen. Als mijn redacteur én mijn agent beiden vonden dat een bepaald woord of zin beter geschrapt of aangepast kon worden, nam ik hun advies over (van deze regel ben ik slechts een paar keer afgeweken). Als alleen één van hen dat voorstelde, bekeek ik het voorstel kritisch en legde ik het soms naast me neer.

De rol van de redacteur, en in mijn geval ook de agent, is van essentieel belang. Hij of zij helpt de schrijver zijn verhaal aan te scherpen, wijst hem op fouten of inconsequenties en is een sparringpartner voor allerlei problemen die zich kunnen voordoen tijdens het schrijven. En hij of zij is de eerste persoon die het verhaal onder ogen krijgt, de eerste lezer. Iemand die er niet mee wegkomt door alleen te zeggen: ‘mooi.’ Want ik wil vooral horen wat er niet mooi aan is. Maar misschien wel de belangrijkste rol van een redacteur, is de schrijver dwingen om nog eens goed na te denken over de keuzes die hij in zijn roman heeft gemaakt.

Deniz Kuypers

De eerste keer dat ik mijn redacteur ontmoette, was ze mijn redacteur nog niet. Vorig jaar mei gingen mijn agent – Willem Bisseling – en ik een middag bij uitgevers langs die interesse hadden getoond in het manuscript van wat mijn debuutroman zou worden, Dagen zonder Dulci. Jennifer Boomkamp van Uitgeverij Anthos ontving ons hartelijk en ging gelijk aan de slag: ze had al aantekeningen gemaakt op het manuscript en vroeg me heel doelgerichte vragen over de plot en de personages. Dat was precies wat ik me, als beginnend schrijver, altijd bij een redacteur had voorgesteld. Tegen die tijd had ik al vijf jaar aan mijn boek gewerkt: niet aan één stuk door, maar lang genoeg om door de bomen het bos niet meer te kunnen zien – ik had elk woord en elke komma al minstens vijfentwintig keer verplaatst, verwijderd en weer teruggezet. Maar in dat eerste halfuur met Jennifer kreeg ik een frisse kijk op mijn boek, wat ik dringend nodig had.

Een paar maanden eerder had ik een soortgelijke ervaring gehad met mijn agent, Willem. De vraag van deze week zou daarom niet alleen over redacteurs moeten gaan, maar ook over agenten. Voordat Jennifer mijn boek onder ogen kreeg, had ik er namelijk op advies van Willem al grote veranderingen in aangebracht. De grootste daarvan was de vertaling: was oorspronkelijke een Engelstalige roman, die ik op verzoek van Willem in het Nederlands had vertaald. (Ik schrijf altijd eerst in het Engels, maar dat is een vraag voor een andere keer.)

Uiteindelijk hebben Jennifer en ik zes maanden aan mijn debuutroman gewerkt. Van woordkeus tot plotlijn – niets ontging haar. Onderwijl las Willem ook nog steeds mee. We hebben het hele boek een keer of zes doorgenomen voor het naar de bureauredacteur (Lara Bresser) ging, die er nog meer kleine dingetjes in vond, en vervolgens de persklaarmaker. Inmiddels ken ik Dulci zo’n beetje uit mijn hoofd, maar ik heb in dit hele proces twee belangrijke lessen geleerd.

Ten eerste ben ik een betere schrijver geworden. Dat merkte ik al na de eerste ronde van revisies. In de afgelopen zes maanden heb ik langzaam de oogkleppen afgedaan die ik in de jaren daarvoor – jaren dat ik eigenlijk alleen voor mezelf schreef – had opgezet. Ik heb een scherper oog ontwikkeld voor onduidelijkheden, overbodige zinnen, gekunstelde metaforen, en oubollige woorden of anglicismes (waarvan er veel in de eerste versies van mijn roman zaten). Niet dat ik geen fouten meer maak – integendeel! -, maar de verhalen die ik sindsdien naar Jennifer en Willem heb gestuurd, heb ik teruggekregen met veel minder aantekeningen en verbeteringen in de kantlijn dan het oorspronkelijke manuscript van Dulci.

En zelfs als ik fouten maak, staan Jennifer en Willem klaar om me in de goede richting te leiden. Dat is de tweede les die ik geleerd heb: voor advies, kritiek en aanmoediging kan ik altijd bij hen terecht. Ik woon in San Francisco, en dit hele proces – van manuscript tot drukproef – hebben we via e-mail gedaan. ‘s Avonds werkte ik aan mijn boek en stuurde e-mails met vragen of ideeën. ‘s ochtends kreeg ik gelijk antwoord van Jennifer of Willem, en zo kon ik weer verder. Zij moedigden me aan wanneer ik aan mezelf of aan het boek twijfelde. Ze gaven doelgerichte feedback wanneer ik niet wist hoe ik verder moest. Met hun hulp heb ik van mijn debuut een beter boek gemaakt dan ik vijf jaar lang in mijn eentje had weten te doen. Jennifer en Willem waren en zijn – want Anthos gaat ook mijn volgende roman uitgeven – onmisbaar.

Myrthe van der Meer

‘Maar wat doe jij dan eigenlijk?’ was de standaard vraag die ik kreeg als ik vertelde dat ik redacteur was op een uitgeverij; ‘want eigenlijk doet de schrijver toch al het werk?’

Dat was wel eens lastig om uit te leggen, en al helemaal om het op een overtuigende manier te doen. Feit is namelijk dat uitgeverijen hun stinkende best doen om alle credits voor een boek bij de schrijver te leggen: zijn naam staat voor op het boek, misschien ook nog het logo van de uitgeverij, maar zeker niet die van de redacteur, zelfs niet in het binnenwerk. En dat is terecht, want bij de schrijver is het allemaal begonnen, bij hem komen het idee of in elk geval de uitwerking vandaan. Net als dat melk niet door Melkunie wordt gemaakt maar door een koe, schrijft niet de redacteur maar de schrijver het boek.

De redacteur is de zeikerd die, als je als schrijver net eindelijk het manuscript van je boek hebt ingeleverd, tegen je zegt: ‘Ja, heel leuk, maar kan de hoofdpersoon aan het einde niet dood?’ Of: ‘Ik snap dat je dit punt wilt maken, maar als je het me niet van tevoren had verteld, dan had ik dat uit de tekst niet kunnen begrijpen.’ En dat doet pijn – pijn die te vermijden is door je boek niet bij een uitgeverij maar in eigen beheer uit te geven en het niet door professionals te laten keuren maar door vrienden of kennissen om het daarna vooral ook in die kring te verkopen. Dat is de brugfunctie van de redacteur: hij zorgt ervoor dat jouw persoonlijk werk ook door complete buitenstaanders precies zo begrepen wordt als jij als schrijver wilt.

Inmiddels ben ik geen redacteur meer, maar heb ik er een. Twee zelfs: een bij de literair agent en een bij mijn uitgeverij en ik vond dat een erg prettig idee: hoe meer kritische blikken, hoe meer vreugd! Dus schreef ik PAAZ ook zo dat we er samen nog extra veel aan konden sleutelen: het oorspronkelijke manuscript was namelijk twee keer zo dik als het boek dat nu in de winkel ligt, en omdat het boek is opgebouwd uit allemaal korte geschakelde hoofdstukjes, columns bijna, betekende dit dat de redacteur gewoon kon zeggen welke hij sterker of minder sterk vond en aan kon wijzen welke het verhaal vertraagden, dan gooide ik die eruit en dan waren we klaar. Want als ex-redacteur weet je vanuit welke insteek de kritiek wordt gegeven, wacht je gewoon blijmoedig op het oordeel van je vakbroeder en doe je er vervolgens je voordeel mee.

Dat werkte perfect – tot de mail arriveerde. Oké, de hoofdpersoon was depressief, maar kon ze niet wat vrolijker doen? Wat actiever zijn? En die therapeuten – zo gestoord zijn ze toch niet echt (ja, waargebeurd!) want dit is wat onwaarschijnlijk? En als die vriend van de hoofdpersoon (ik was de hoofdpersoon, dus mijn vriend!) echt zo’n oninteressant en onsympathiek personage was, kun je hem dan niet beter gewoon schrappen?

Geredigeerd worden is de hel. Helaas wordt je boek er wel beter van.

Deel dit bericht

Hoe ziet je ideale schrijfdag eruit en waarom werkt die aanpak voor jou?

Murat Isik

Ik had een probleem: ik was een nachtschrijver. Misschien kwam het doordat ik het gevoel had dat de wereld eerst moest slapen voordat ik de rust kon vinden om een letter op papier te krijgen. Ik begon laat en ging lang door. Soms werkte ik tot drie uur ’s nachts, terwijl ik de volgende dag om negen uur op kantoor moest verschijnen. Dat werkte niet, ik putte mezelf uit.

Hoe deden andere schrijvers dat? Natuurlijk, je had Stephen King die in zijn gloriejaren drank en drugs nodig had om de hele nacht in een soort staat van krankzinnigheid door te kunnen werken. Ik besloot meteen dat hij een slecht voorbeeld was.

Ik las veel interviews met auteurs die ik bewonderde en was in het begin erg benieuwd wanneer ze schreven en hoe lang. De meesten stonden vroeg op, aten snel wat en werkten tot in de middag door, om daarna te gaan wandelen of naar het café te gaan. En plotseling leek me dat heel aantrekkelijk: hard werken en jezelf daarna belonen met een zee van vrije tijd. Niet meer overdag aanhikken tegen het werk dat aan het einde van de dag wacht.

Ik besloot toen om mijn werkwijze om te gooien en ’s ochtends plaats te nemen achter mijn laptop. In het begin had ik veel last van uitstelgedrag, waardoor het steeds later werd voordat ik daadwerkelijk begon te werken. Dat frustreerde ontzettend omdat ik het gevoel had dat de dag door mijn vingers glipte. Ik moest eerder opstaan. Toen ik dat eenmaal kon opbrengen, merkte ik dat het me heel veel rust gaf. Ik had het gevoel dat ik een voorsprong had op de rest van de wereld en dat ik die de rest van de dag niet meer uit handen zou geven.

Het werkte. Ik werd productief, vooral toen ik mezelf ten doel stelde om minimaal een bepaald aantal woorden te schrijven voordat ik ermee mocht stoppen. In het begin was dat nog een bescheiden aantal: 500 woorden. Maar al snel werd dat een absoluut minimum en streefde ik naar 1.000 woorden. Als ik op 500 woorden bleef steken, was ik ontevreden.

Kortom, een ideale schrijfdag begint heel vroeg, het liefst om een uur of half negen. Ik heb de scène die ik wil uitwerken in gedachten en ga aan de slag. Maar eerst reviseer ik heel marginaal wat ik een dag eerder schreef. Dat doe ik vooral om weer in de sfeer van het verhaal te komen. Daarna begin ik aan de nieuwe scène. Op een goede dag stoot ik al snel door richting 500 woorden, wat een ontzettende boost geeft. Ik weet dan al dat die dag een vruchtbare wordt. Op zulke dagen schrijf ik niet alleen wat ik in gedachten had, maar krijg ik al doende ingevingen die ik spontaan verwerk in het stuk: onverwachte zijpaden, nieuwe personages of een wending. Ik ben tegenwoordig tevreden als ik zie dat ik op minimaal 1.500 woorden ben uitgekomen en het me bevalt wat ik teruglees.

Deniz Kuypers

Op een ideale schrijfdag sta ik om zeven uur op, doe de honden naar buiten, stook de open haard en maak een pot koffie van bonen die ik eerst zelf maal. Daarbij geldt: hoe exotischer de koffiebonen, hoe beter. Dan begeef ik me naar mijn studeerkamer, die tot het plafond gevuld is met boeken, en neem plaats achter mijn bureau. Ik kijk naar buiten, naar een landschap vol bomen en de Sierra’s op de achtergrond. Het sneeuwt altijd op mijn ideale schrijfdag, en het schrijven vergaat mij moeiteloos. Zelfs Philip Roth zou jaloers zijn op mijn zinnen.

Jammer genoeg bestaat dit scenario alleen in mijn hoofd. In de werkelijkheid sta ik ‘s ochtends om 5:30 op en schrijf twee uur lang op een kruk in de keuken of met een nachtlampje aan in bed. Vervolgens haast ik me naar mijn werk. Wanneer ik ‘s avonds thuiskom, schrijf ik weer twee uur. Het maakt niet uit waar: op de bank, in de keuken, in bed of in het café. Als het goed gaat, schrijf ik door tot een uur of tien. Als het uitzonderlijk goed gaat, schrijf ik tot diep in de nacht. Net als Hemingway probeer ik te stoppen voor de put leeg is: oftewel, ik hou in het midden van een scène op. Zo is het namelijk makkelijk om de volgende dag weer op gang te komen. ‘s Ochtends om 5:30 aan een nieuw hoofdstuk beginnen is een marteling, maar de inspiratie van gisteravond terugvinden, dat gaat wel.

In het weekend sta ik om 7:00 uur op en schrijf tot 12:00 uur ‘s middags. Dan heb ik de rest van de dag vrij. Maar als ik zin heb – wat meestal het geval is – schrijf ik ‘s avonds verder. Alleen op zaterdag- en zondagmiddagen schrijf ik bewust niet. Dat zijn lege uren, waarin ik me niet geïnspireerd voel en me moeilijk kan concentreren. Dat is wanneer ik afspraken maak met vrienden. Ik heb altijd een schrift bij me, en vaak heb ik na zo’n middag weer genoeg rust in mijn hoofd om opnieuw aan de slag te gaan.

Gemiddeld schrijf ik denk ik 40 uur per week, naast mijn vaste baan. Mensen vragen me weleens: ‘Maak je jezelf zo niet gek? Heb je geen tijd voor jezelf nodig?’ Maar schrijven is juist tijd voor mezelf. Weinig maakt mij gelukkiger dan schrijven. Niet dat schrijven altijd een pretje is, maar als ik lange tijd niet schrijf, voel ik me leeg vanbinnen. Dan word ik kribbig. De vele uren dat ik op mijn werk zit, of die zaterdag- en zondagmiddagen, zijn juist de momenten waarop mijn innerlijke batterij zich opnieuw oplaadt, zodat ik ‘s ochtends vroeg of ‘s avonds laat weer achter mijn Mac kan duiken. Zelfs als ik full-time zou schrijven – dat is ook mijn droom en ambitie – zou ik het niet rustiger aan doen. Daar komt wel bij kijken dat ik maar heel weinig van wat ik schrijf ook daadwerkelijk gebruik. Het meeste doe ik niets mee. Vandaar dat ik na vijf jaar schrijven straks met een boek debuteer van 208 pagina’s. De vijf romans en talloze korte verhalen die ik daarvoor heb geschreven, en de herinnering aan de vele uren die ik daaraan heb besteed – uren vol frustratie, onzekerheid en ogen die prikten van de slaap -, zitten alleen in mijn hoofd. En waarschijnlijk is dat goed zo.

Myrthe van der Meer

Soms denk ik wel eens dat een ideale schrijfdag een mythe is. Ik kan me er misschien één herinneren, waarop ik zoals gewoonlijk naar mijn schrijfcafé ging, de computer aanzette en vervolgens in één ruk zesduizend woorden schreef die ook allemaal in het boek zijn blijven staan. Nog steeds heb ik geen flauw idee waar dat door kwam, want normaal stopt het toch bij rond de duizend tot tweeduizend woorden per dag.

Sowieso zijn schrijfdagen voor mij altijd chaotisch omdat ik nou eenmaal het beste ’s avonds en ‘s nachts werk. Niet dat dat schrijfcafé speciaal voor mij ’s nachts openblijft, en voor zes uur ‘s avonds kan ik ook echt wel schrijven, maar daarna begint het vaak pas echt te kriebelen – nadat ik me dus de hele dag met schuldgevoelens over onproductiviteit heb voortgesleept. Pas ‘s avonds word ik ineens overspoeld door ideeën en die moeten op papier, fysiek of digitaal, al helemaal uitgeschreven of in lijstjes opgesomd met daarin een stukje dialoog, een nieuw verband tussen twee personages, een idee voor de setting of meteen maar met een idee voor een heel nieuw boek en dat moet natuurlijk meteen uitgeschreven worden zodat ik rond een uur of twee of drie ’s nachts behoorlijk wat werk verschoven heb en stuiterend door het huis spring.

En dat is heerlijk. Maar ook verschrikkelijk chaotisch, helemaal als je ook nog eens erg onzeker bent over je productiesnelheid, het idee hebt dat je weliswaar veel werk verschoven hebt maar ook allemaal in alle verkeerde richtingen en je erg argwanend bent tegenover je vermogen om jezelf af te leiden met nieuwe projecten omdat je de oude alweer zo vaak overdacht hebt dat die nu saai zijn, je de concentratieboog van een grondeekhoorn hebt en je de tijd die je aan dat oude saaie project besteedt vooral gebruikt voor het berekenen van hoeveel dagen je nog zou moeten schrijven als je vanaf nu tweeduizend woorden per dag zou schrijven – en drie? Wow, bij zesduizend woorden heb ik mijn roman over tien dagen al af! Dat vraagt om een feestje!

En daardoor sta ik dus ook nog eens chronisch te laat op. En dan hebben we het nog niet eens over e-mail als ultiem afleidende factor.

Ik denk dus dat mijn ideale schrijfdag bestaat uit dat ik ’s ochtends heerlijk fris ontwaak op een keurig christelijk tijdstip. Na het ontbijt check ik rustig al mijn mail en sluit die dan voor de rest van de dag af, waarna ik naar het schrijfcafé ga en daar even terugkijk wat ik de dagen ervoor geschreven heb, netjes plan waar ik vandaag mee verder ga en vervolgens tweeduizend woorden schrijf in de hoofdstukken waar die nodig zijn, zodat ik als ik aan het eind van de middag weer thuis kom ik rustig mijn mail weer kan openen en wegwerken en de rest van de avond heerlijk vrij heb en lekker helemaal niets meer hoef te doen.

Right. Zul je net zien dat ik dan weer een idee krijg…

Dennis Rijnvis

Mijn ideale schrijfdag heb ik nooit beleefd, het is een fata-morgana. Ik heb me vaak voorgenomen om ’s ochtends om acht uur op te staan, rustig te ontbijten, twee uur te schrijven, te lunchen en ’s middags in twee blokken van anderhalf uur geconcentreerd verder te werken om zo binnen twee maanden een eerste versie van een boek te schrijven. Het is me nooit gelukt, ondanks twee wekkers, goede voornemens en gedetailleerde tijdsplanningen in agenda’s en op een blackboard.

Inmiddels heb ik me erbij neergelegd dat ik geen gestructureerde persoonlijkheid heb. Om te schrijven moet ik een soort drang voelen, of die nou voortkomt uit innerlijke noodzaak om een bepaald verhaal te schrijven of uit woede omdat ik alweer twee dagen niets heb uitgevoerd.

Vaak zie ik het licht bij nacht, op momenten dat het verstandiger zou zijn om naar bed te gaan. Soms heb ik opeens een moment overdag dat mijn concentratie meewerkt en ik zo opga in een scene dat ik niet eens denk aan uitstellen. Heel af en toe kan een deadline van een uitgever of agent er voor zorgen dat ik een paar dagen lang alles aan de kant schuif om die laatste hoofdstukken op mijn scherm te krijgen. In dat geval sluit ik me bijvoorbeeld op in Koninklijke Bibliotheek, zonder internetverbinding. Langer dan een dag of drie werkt dat niet; dan ga ik gesprekken aanknopen met andere mensen aan de tafeltjes of tijdschriften lezen.

Vaak zie ik het licht bij nacht, op momenten dat het verstandiger zou zijn om naar bed te gaan. Soms heb ik opeens een moment overdag dat mijn concentratie meewerkt en ik zo opga in een scene dat ik niet eens denk aan uitstellen. Heel af en toe kan een deadline van een uitgever of agent er voor zorgen dat ik een week lang alles aan de kant schuif om die laatste hoofdstukken op mijn scherm te krijgen. In dat geval sluit ik me bijvoorbeeld op in Koninklijke Bibliotheek, zonder internetverbinding.

Meer dan 1500 woorden op een dag schrijf ik eigenlijk nooit. Sterker nog: als ik dat aantal bereik heb ik een goede dag. Gemiddeld kom ik waarschijnlijk slechts 500 tot 700 woorden, maar er zijn ook genoeg dagen dat ik me voorneem om te schrijven en helemaal niets produceer. Kortom: ik houd deze bijdrage kort. Op dit gebied valt er weinig van me te leren. Daarnaast heb ik nog veel te weinig geschreven vandaag.

Wytske Versteeg

Idealiter zou mijn ideale schrijfdag al vroeg in de ochtend beginnen, wanneer ik met een goede kop koffie achter mijn laptop zou kruipen – als het even kan keurig aan mijn oude houten bureautje – en daar zou ik dan tot laat in de middag blijven werken, hoogstens onderbroken door een lunch. Ik stel me voor dat ik me dan omring met aan de muur geprikte schema’s vol pijlen, die plotlijnen en hoofdpersonen keurig met elkaar verbinden.

Maar in de praktijk gaat het anders. Ik schrijf in de trein, of terwijl ik mijn hond uitlaat, die de neiging heeft nogal lang weg te blijven. Ik ben bijzonder productief laat in de avond, en dan vooral buitenshuis, in hotelkamers, bij voorkeur in het buitenland. De beste gedachten krijg ik vlak voor ik in slaap val, en er helemaal geen zin meer in heb om nog iets op te schrijven. Of in bad (dat inmiddels uitgerust is met een speciale lees- en schrijfplank). Ideaal om te schrijven blijken dus steeds weer die momenten waarop ik bedenk dat er geen letter op papier hoeft te komen. En dat kan maar tot één conclusie leiden: op mijn ideale schrijfdag doe ik niets.

Peter Zantingh

Hoewel ik deze vraag zelf aan de groep gesteld heb, heb ik er geen antwoord op. ‘Ideaal’ bestaat niet. Ik probeer verschillende dingen uit en allemaal hebben ze hun voor- en nadelen. Ik zal mijn kortst mogelijk antwoord geven, dan kun je hier stoppen met lezen, als je wilt: als je maar schrijft.

Goed, zo simpel ligt het niet altijd. Maar wat ik ermee wil zeggen, is dat veel beginnende schrijvers die ik erover spreek, hetzelfde doen: van alles uittesten, op zoek naar de ideale omstandigheden. ‘s Ochtends vroeg opstaan of ‘s avonds laat doortrekken, korte sessies met een kookwekker of urenlang zwoegen totdat er genoeg goede woorden op papier staan, thuis in alle rust of temidden van kroegse gezelligheid.

Het is bovendien goed, denk ik, om onderscheid te maken tussen schrijven en herschrijven. Voor het schrijven van mijn debuutroman stelde ik me een aantal woorden ten doel, (800 per dag, geloof ik). Ik ging elke dag zitten om die woorden te schrijven. Zo veel mogelijk afgezonderd van de omgeving, met (instrumentale) muziek door mijn oordopjes.

Voor het herschrijven trok ik vaak weekenden uit. Ik wilde dan twee dagen achter elkaar vrij hebben, niets anders hoeven te doen dan schrijven. Ik zorgde ervoor dat er genoeg boodschappen in huis waren en dat er geen andere huishoudelijke taakjes in de weg zouden liggen. En dan begon ik met het herschrijven, herschikken, schrappen en aanvullen van mijn werk. Overdag, laten we zeggen tussen 10:00 en 18:00, en ‘s avonds nog een paar uurtjes. In zo’n weekend kreeg ik veel gedaan.

Nu ik met mijn tweede roman bezig ben, gaat het allereerst weer om het schrijven. Meters maken, zou mijn agent Willem Bisseling zeggen. Dat doe ik in korte sessies van een half uur, drie kwartier, maximaal een uur. Ik stel ze in met een iPhone-appje (30/30 heet deze) en schrijf door totdat de tijd vol is. De vingers niet van het toetsenbord, doorgaan. Het hoeft niet meteen perfect, als er maar iets geschreven wordt. Tussendoor neem ik steeds een kwartiertje pauze.

Maar dat betekent niet dat ik mijn ‘ideale’ schrijfdag gevonden heb. Hij bestaat niet, ben ik bang. Ook aan een houten tafeltje bij een idyllisch meertje in Zuid-Frankrijk, zoals die knul in Love Actually, zal er altijd wel iets zijn wat de potentie heeft om je van je werk te houden. Dus ga er niet naar op zoek, omarm de imperfectie en schrijf.

Deel dit bericht

In hoeverre maak je gebruik van de levens van de mensen om je heen om je verhalen te voeden?

Peter Zantingh

Voor mijn debuut maakte ik, zoals ik dat toen noemde, ‘lapjespersonages’. Ik koos (niet zozeer bewust, dat ging automatisch) verschillende eigenschappen van verschillende goede vrienden, die ik opnieuw verdeelde over mijn personages. Zo werden het allemaal personages die bestonden uit aan elkaar genaaide stukjes werkelijkheid.

Dat gold niet alleen voor hun eigenschappen, ook voor gebeurtenissen. Mijn vrienden hebben mijn debuut allemaal gelezen (daar zijn het vrienden voor) en ze zullen allemaal anekdotes en gebeurtenissen hebben herkend. Ze zullen hebben gezien dat de jongens uit mijn roman met elkaar praten zoals wij dat deden en doen. En het ‘kopspelletje’, een spelletje met een klein voetballetje dat je in het zwembad hoort te spelen en waarvan de spelregels worden uitgelegd in het boek, is bedacht door die vrienden.

Mijn antwoord op de vraag wat je uit het echte leven ‘hapt’ en wat daarin geoorloofd is, krijgt daarmee een redelijk braaf antwoord, besef ik. Ik heb zelden tot nooit compromitterende informatie weggehaald uit de werkelijkheid en tot literatuur verwerkt. Als ik mijn hoofdpersonage laat troosten door zijn vader die over zijn hoofd aait en ‘ach, jongen toch’ zegt, of door zijn moeder die hem een kopje thee brengt, dan is dat ook gebaseerd op mijn eigen, liefdevolle relatie met mijn ouders.

Misschien is het zo dat ik vooral de vriendschap en de liefde van de mensen om mij heen gebruik om die thema’s in mijn romans te beschrijven. Het goede dus, niet het duistere. Of misschien is het zo dat de mensen om mij heen niet genoeg duisters hebben om mee aan de haal te gaan – of me met zo’n keuze te doen worstelen. Daar prijs ik me gelukkig om. Het duistere zit in mijn werk, dat hoef ik niet te ontkennen (mijn debuut ging over een zelfmoord) en ik kan er, denk ik, alleen maar dankbaar om zijn dat ik dat niet aan mijn nabije omgeving hoefde te onttrekken.

Murat Isik

Schrijven is scheppen, maar bij dat scheppen maak ik als schrijver op momenten dankbaar gebruik van de werkelijkheid. Het kan iets kleins zijn, zoals een ontmoeting met een vreemdeling jaren geleden, of iets groters zoals mijn eigen familiegeschiedenis.

Om op dat laatste in te gaan: zoals ik al eerder heb opgemerkt, heb ik voor mijn roman Verloren grond bij wijze van research mijn ouders geïnterviewd over hun geboortedorp in Oost-Turkije. Ik moest weten hoe de streek eruit zag, hoe het er rook, hoe de mensen gekleed waren, wat ze aten en hoe ze met elkaar omgingen. Ik heb veel dingen gehoord over mijn familiegeschiedenis die nieuw waren voor mij, en details van bepaalde dramatische gebeurtenissen. Al snel wist ik dat al die verhalen onmogelijk een plek konden krijgen in mijn roman, hoe fraai of aangrijpend ze ook waren. Het criterium was dat ze moesten passen in het verhaal dat ik voor ogen had: de familiegeschiedenis van het gezin Uslu. Als dat het geval was, bewerkte ik die verhalen vervolgens en zette zo de werkelijkheid naar mijn hand. Ik heb geen enkel verhaal één op één overgenomen. En niet alleen heb ik al mijn personages nieuwe namen gegeven, ook heb ik de namen van dorpen veranderd.

Toen mijn vader bijvoorbeeld vertelde dat er in zijn jeugd wel eens vrouwen uit het dorp werden geschaakt, besloot ik dat element te gebruiken. Het was de anekdote op zich die mij ertoe aanzette een dergelijke scène te schrijven voor mijn roman, maar dan mijn eigen versie ervan met personages die ieder op hun eigen specifieke manier handelden, los van de oorspronkelijke overlevering. Het ging mij dus niet om de feitelijke beschrijving van een bepaalde gebeurtenis van begin tot eind. Zo heb ik dat met meerdere verhalen van mijn ouders gedaan: ik heb ze bewerkt tot ze een natuurlijk geheel vormden met de rest van mijn roman.

Wat mij verwondert is dat mensen mij soms vragen of ik hen als personage wil opvoeren in mijn volgende boek. Het verwondert me omdat de meeste mensen juist niet in een roman willen belanden, huiverig als ze zijn voor reputatieschade of ongemakkelijke onthullingen. Toeval, of niet, het ging bij die verzoeken steeds om collega’s. Kennelijk gaan zij ervan uit dat ze er als personage goed vanaf zullen komen in mijn boek, of vinden ze het gewoon eervol als er over hen geschreven wordt. Wat het ook is, ik glimlach altijd beleefd en schud dan mijn hoofd.

Mijn volgende roman speelt zich af in de Bijlmermeer, waar ik ben opgegroeid. Het gevaar dat in dit boek personages voorkomen die echt bestaan of waarin mensen zichzelf herkennen, is hier groter dan bij Verloren grond. Want hoewel het fictie is, is het onvermijdelijk dat er autobiografische elementen in zullen sluipen omdat ik deels zal putten uit mijn eigen jeugd. Maar alleen als het past in het verhaal dat ik voor ogen heb, want het gaat in de eerste plaats om het scheppen.

Deniz Kuypers

In een van mijn favoriete Woody Allen films, Deconstructing Harry, speelt Allen een schrijver die links en rechts in de problemen komt, omdat hij de mensen om zich heen op een herkenbare manier in zijn boeken laat voorkomen. Zo erg ben ik niet. Maar ik denk dat je als schrijver het instinct niet kan uitzetten om alles wat je hoort, ziet en meemaakt automatisch op te slaan voor later.

Iedere schrijver is tot op zekere hoogte een (auto-)biograaf. Je gebruikt stukjes van jezelf en van anderen en mengt die tot er een mooi verhaal ontstaat. Maar als de werkelijkheid klakkeloos overneemt, krijg je zelden een mooi verhaal – dan krijg je iets gekunstelds en saais. Literatuur moet het dagelijkse leven ontstijgen, anders kun je in plaats van een boek lezen net zo goed op de hoek van de straat gaan staan in de hoop dat er iets spannends gebeurt.

In een boek moeten personages beweegredenen hebben en een achtergrondverhaal die in het normale leven misschien vanzelfsprekend zijn. Daar bedoel ik mee: als je in het echte leven een tante hebt die op een nacht in het bos besluit te slapen, omdat ze haar leven zo saai vindt – deze anekdote komt voor in mijn debuut, Dagen zonder Dulci – dan moet je daar als schrijver een reden voor geven die bij de rest van het verhaal en het personage past. Anders wordt je boek ongeloofwaardig, zelfs al vertel je iets dat echt is gebeurd.

Daarbij moet ik eerlijk zeggen dat ik negatieve ervaringen of eigenschappen van anderen ook in mijn werk stop, maar nooit van goede vrienden. De Amerikaanse schrijver Harlan Ellison heeft weleens gezegd dat hij in zijn werk voortdurend wraak neemt op mensen die hem in het verleden hebben gekrenkt: kinderen die hem vroeger op school hebben gepest, leraren die hem probeerden wijs te maken dat hij geen talent had voor schrijven. Volgens Ellison is wraak ‘a very terrific, good thing for everybody.’ Hij vernoemt zijn personages vaak naar echte mensen, en laat hen dan verschrikkelijke dingen overkomen. Weer ben ik niet zo erg, maar ik heb bij sommige scènes in mijn debuut wel degelijk echte personen – of stukjes van verschillende personen – voor ogen gehad. Maar nooit vrienden.

Het gaat er dus om dat je de werkelijkheid om je heen eigenlijk alleen gebruikt om je verzonnen verhaal mee in te kleuren, om je verhaal een goede basis te geven. Ik heb veel verhalen die ik in mijn leven heb gehoord of zelf heb meegemaakt verwerkt in Dagen zonder Dulci, maar hopelijk is niets daarvan – of in ieder geval heel weinig – herkenbaar. En wie zichzelf wel herkent, zal hopelijk blij zijn dat hij mij heeft geïnspireerd.

Myrthe van der Meer

Inspiratie klinkt als iets ongrijpbaars, maar is in feite net zo praktisch als iemand die tegenover je zijn boterhammen snijdt. En als die lunchgenoot dat net zo interessant doet als personage X dat zou doen in jouw boek, waarom hem dan niet een paar trekjes van die argeloze lunchpartner geven?

Als schrijver mag je in feite bijna alles in je verhaal aan de echte wereld ontlenen. De regel is simpel: iemand mag niet door anderen in jouw werk herkend worden en daar last van ondervinden. Of je lunchgenoot zichzelf herkent is van minder belang: zolang hij niet voor anderen feitelijk herkenbaar is, is er geen grond voor protest.

Als je naam, geslacht en woonplaats verandert, kun je vervolgens in feite alles schrijven wat je wil. Dat zou in het geval van PAAZ, een ‘waargebeurde roman’, betekenen dat als ik alle namen en herkenbare feiten van de GGZ-instelling, medepatiënten en therapeuten zou veranderen, ik klaar was.

Dat wou ik niet. Ik wou namelijk niet alleen de realiteit van de Paaz recht doen, maar ook een boek schrijven waar mijn medepatiënten mee konden leven. Over het algemeen word je in boekenland als een watje gezien als je iemand anders mee laat lezen en hem toestemming geeft om te veranderen wat hem niet aanstaat. Ik was blijkbaar een complete wattenbol, want ik heb het niet slechts door één persoon laten controleren, maar door meerdere patiënten, twee psychologen, een verpleegkundige en een psychiater. En – helemaal vloeken in de uitgeverskerk – ik gaf hen daarin het laatste woord in de stukken die over henzelf gingen.

‘Geef anderen nóóit het laatste woord als het om jouw verhaal gaat, dan maken ze alles kapot!’ En soms trok dat inderdaad grote scheuren door het verhaal die dan op een andere manier gedicht moesten worden – soms behoorlijk frustrerend – , maar voor mij was onze paaztijd sowieso een gezamenlijk project, dus was PAAZ dat ook.

Maar het waargebeurde gehalte blijft lastig en confronterend. Ik blijf het gevoel houden dat ik anderen geen recht heb gedaan, en ik kan mijn eigen boek nog steeds niet lezen. Maar dat hoeft ook niet, want ik wilde het juist op papier zetten zodat anderen iets konden ervaren van de wereld achter die gesloten deur. Maar nu is het af, en nu ligt het daar. Eén blok emotie. Eén grote confrontatie met mijn verleden. Dat maakt het natuurlijk heel dubbel. En voor mijn medepatiënten was het net zo confronterend, ook al hebben we ons er gezamenlijk doorheen geslagen. Daarom ben ik ook zo blij dat zij ‘hun’ verhalen zelf geredigeerd hebben: dit zijn nu namelijk echt hún verhalen, de verhalen waar zij mee kunnen leven.

Dus op de vraag hoe je een boek anonimiseert: niet zo. Maar ik ben blij dat ik het wel zo gedaan heb, wan zonder leven is er überhaupt geen literatuur.

Dennis Rijnvis

Toen ik begon aan Savelsbos besloot ik om de personages dicht bij mezelf te zoeken. Net als de hoofdpersoon in het boek had ik op 12-jarige leeftijd een vast groepje vrienden. Ik nam deze vrienden en hun karakter van destijds als uitgangspunt bij het schrijven van het verhaal. Ik verbasterde hun namen: Joost werd Jonas, Niels werd Nils, Raoul werd Ronnie, enzovoort.

Het leek me een geweldige schrijftactiek. Als ik mijn personages zou baseren op echte mensen, zouden ze nooit vlak of onrealistisch kunnen overkomen. Ze bestonden immers echt.

In de praktijk pakte dat anders uit. De redacteuren bij de uitgeverij waren niet erg enthousiast over mijn hoofdpersonen, nadat ze mijn verhaal voor het eerst hadden gelezen. “Ze hebben geen eigen karakter. Ze zijn te saai, te vlak.”

Ze hadden gelijk. Waar je in de werkelijkheid maanden, of zelfs jaren nodig hebt om mensen te leren kennen, moet een lezer zich binnen enkele scènes een beeld vormen van personages in een boek. Dat gaat niet als hun karakter net zo veel kanten en nuances kent als de persoonlijkheid van een echt mens.

Ik leerde dat ik moest overdrijven, de scherpe kanten van personages moest opzoeken en uitvergroten. Hoewel ik hun namen niet meer heb veranderd (ik was aan Jonas, Nils en Ronnie gehecht geraakt), veranderden de hoofdrolspelers in mijn boek in personen in wie mijn vrienden zich vast niet meer zullen herkennen. Ze liegen, bedriegen en moorden. Dat deden Joost, Niels en Raoul niet. Ik hoop niet dat ze me dat kwalijk nemen. Of misschien moet ik die namen toch nog veranderen.

Wytske Versteeg

Er is in elk geval één bron uit het echte leven die ik zonder ook maar enige gewetenswroeging in mijn werk gebruik: de gesprekken die ik opvang in de openbare ruimte. Een groot voordeel van schrijven is dat die al te luide telefoontjes in de trein veranderen van een reden tot ergernis in een bijna onuitputtelijke bron van inspiratie (treinreizigers, u bent gewaarschuwd).

Maar heel vaak ligt het lastiger. Een verhaal dat ik van bekenden of van goede vrienden hoor, een opmerking die iemand maakt of domweg iets dat gebeurt in mijn eigen leven – soms is het te mooi om niet te gebruiken of, belangrijker, zit er een waarheid in die ik zelf niet zo had kunnen verzinnen. Wil ik goed kunnen schrijven, dan moet ik die dingen gebruiken – dat geldt voor fictie zowel als voor non-fictie – en omdat ik schrijven belangrijk vind kies ik er vaak voor om dat ook te doen. Natuurlijk met andere namen of onherkenbaar veranderde settings – maar onherkenbaar is een lastig begrip. Soms zien mensen pure fictie voor de waarheid aan; soms is het omgekeerd en wordt non-fictie niet geloofd. Heel vaak is de werkelijkheid ongeloofwaardiger dan de literatuur en nooit kan ik voorspellen hoe een tekst die ik schrijf zal worden gelezen. Dat geldt voor de ‘doorsnee lezer’ (voor zover die bestaat), maar al helemaal voor mensen die op de één of andere manier direct betrokken zijn bij het verhaal. In dat geval blijft de pen blijft nog altijd nog altijd een machtig wapen; de schrijver eigent zich, bedoeld of onbedoeld, een stukje van het leven van een ander toe en claimt daarover een waarheid, zwart op wit. Die ander blijft achter zonder een mogelijkheid tot verweer. Dus blijft het, per keer, een afweging of het gerechtvaardigd is om dit stukje van de werkelijkheid te gebruiken, of het belang groot genoeg is. En hoop ik op veel interessante, op luide toon gevoerde telefoongesprekken.

Deel dit bericht