Gastblog: Willem Bisseling

Mijn opa overleed op jonge leeftijd. Hij had longkanker. Ik was net twaalf jaar geworden, toen ik hoorde dat hij er niet meer was. Nog nooit in mijn leven heb ik een vrouw zo gebroken gezien als mijn oma. Mijn ouders, mijn broertjes, mijn ooms en tantes, neefjes en nichtjes: iedereen liet openlijk zijn verdriet zien. Maar ik niet, want jongens van twaalf huilen niet.

Jaren liep ik met mijn opgekropte gevoelens rond. Een kwaadaardig brok verdriet dat groter en groter werd. Omdat ik er met niemand over praatte – over wilde praten – besloot ik een boek over mijn opa te schrijven. Er was een diepe innerlijke noodzaak naar binnengeslopen om mijn verdriet op te komen ruimen. Als mijn ouders niet thuis waren, kroop ik achter de computer om mijn verhaal op te tikken. Al gauw merkte ik dat schrijven van een verhaal niet gewoon het opschrijven van de gebeurtenissen was. Ik bleef hangen in wat alleen ik wist, had geen idee hoe ik gevoelens moest beschrijven, durfde nergens wat in te vullen. Ik was vijftien, had nog nooit een boek geschreven, en had mijn eerste writers block.

Jaren later ging ik studeren in Leiden. Nederlands en Literatuurwetenschappen. Hoewel ik veel las op de middelbare school (confession: ik ben pas begonnen met echt lezen rond mijn zestiende), ontdekte ik pas bij Literatuurwetenschappen de echte schoonheid van literatuur. Literatuur gaat ergens over. Literatuur is meer dan gewoon een mooi verhaal. Literatuur heeft de kracht om te entertainen, om gevoelens los te maken, om mensen te laten lachen, huilen, boos te maken. Het heeft zelfs de kracht om oorlogen te ontketenen en fatwa’s uit te roepen.

Maar (goede) boeken hadden vooral een ding gemeen: ze zijn geschreven vanuit een diepe innerlijke noodzaak.

Is die innerlijke noodzaak genoeg? Toen ik het verhaal van mijn opa wilde opschrijven, was er wel degelijk een innerlijke noodzaak. Echter, ik miste wat mijn doel was. Waarom moest dat verhaal er zo nodig uit? Was het om mijn schuldgevoel af te kopen? Om mezelf te laten zien dat ik echt wel heel verdrietig was? Daarnaast miste ik de kunde. Natuurlijk, ik had een goed verhaal in mijn hoofd, en zag het al helemaal uitgetekend op papier staan, maar ik had geen idee hoe ik het daadwerkelijk op datzelfde papier moest neerzetten.

Dit jaar ben ik dertig geworden. In de afgelopen vijftien jaar heb ik nog wel eens een verhaal geschreven, maar nooit meer heb ik die intense drang gevoeld om echt iets belangwekkends neer te pennen. Er zit geen verhaal in me wat eruit moet en ik ontbeer (denk ik) de fantasie en het uithoudingsvermogen (lees: geduld) om een goed verhaal op te schrijven. Uiteraard, mijn werk als literair agent speelt hierin een grote rol. Elke dag zie ik tientallen manuscripten, doorgaans van abominabel niveau, over mijn bureau gaan. Allemaal mensen die denken een geweldig verhaal te hebben. Maar helaas, de meeste inzenders hebben wat ik ook had: niet de kunde het op te schrijven.

Iedereen kan tegenwoordig debuteren, maar bijna niemand bedenkt wat het echt inhoudt. Debuteren is je binnenste op tafel leggen. Want in elk debuut, hoe ver het ook van de werkelijkheid staat, zit wel iets van de schrijver zelf. En terwijl jij jouw gedachten en hersenspinsels op papier hebt gezet, mag het hele volk erop schoppen, slaan en spugen. Ik heb vijftien jaar geleden de veilige weg gekozen. En ik hoop eerlijk gezegd dat velen dat met mij doen. Schrijven doe ik niet meer, maar ik help graag debutanten om het allerbeste te maken van wat zij in zich hebben, zodat wat er uiteindelijk inde boekhandel ligt, zeer de moeite waard is om te lezen.

Deel dit bericht

In hoeverre word je beïnvloed door andere schrijvers?

Wytske Versteeg

Hoe meer antwoorden ik voor het debutantenblog probeer te formuleren, hoe meer ik erachter kom dat ik eigenlijk helemaal niet weet hoe schrijven werkt. Als ik probeer mijn antwoord op papier te zetten voelt dat een beetje als een pose, alsof ik meer claim dan ik waar kan maken. Maar natuurlijk heb ik zo mijn literaire helden.

De onderhuidse woorden van David Grossman bijvoorbeeld, of de afgemeten stem van Damon Galgut. De uiterst precieze verhalen van Alice Munro, het lachen om niet te huilen van Lorrie Moore, de helderheid van Alberto Moravia of de intensiteit van Ingrid Bachmann of Virginia Woolf. De ingehouden pijn in de Zuckerman-boeken van Philip Roth, de dronken treurigheid van John Cheever. Ze raken iets, die schrijvers, zoals een snaar gaat meetrillen als er geluid klinkt van dezelfde frequentie, al zijn ze onderling verschillend. Ik heb ze nodig om zelf te kunnen schrijven. Vooral heb ik een ritme nodig, dat aansluit bij de stem van mijn eigen personages – schrijf ik over een zwijgzaam type, dan luister ik naar de stiltes van Galgut; moet mijn personage exuberant zijn, dan dompel ik me onder in de royale zinnen van, bijvoorbeeld György Konrad. Dat is een keuze, zoals anderen misschien een bepaald type muziek opzetten tijdens het schrijven (en het schijnt dat er schrijvers zijn die helemaal niet lezen als ze werken aan een boek, wat ik zelf onvoorstelbaar vind).

Soms zie ik, in een boek, een beeld, meestal in het voorbijgaan, dat een opstap voor mijn gedachten vormt, zodat het in een compleet andere gedaante kan terugkeren in mijn eigen verhaal, altijd in dienst daarvan. Soms is een schrijver me dierbaar omdat ik op kan kijken naar iemand die met zoveel integer vakmanschap een waarheid gecreëerd heeft; of omdat ik in zijn woorden ooit een deeltje van mezelf herkende, beter gedefinieerd dan ik het zelf had gekund. Tussen al die andere schrijvers is het, denk ik, altijd zoeken naar je eigen stem en de exacte klank, de toon van je eigen woorden.

Peter Zantingh

Heel veel. De kortste en beste tip voor schrijvers, die ik overal tegenkom, luidt: schrijf veel en lees veel. Dat eerste spreekt voor zich, want je leert je eigen stem kennen en aanscherpen door veel te schrijven. Elke dag, als het even kan.

En: lees veel. Leer van anderen, kijk hoe ze de problemen aanpakken waar jij tegenaan loopt, hoe hun personages worden geïntroduceerd, hoe ze het plot laten ontvouwen, hoe ze naar een einde toewerken, welke conflicten ze voor de voeten van hun protagonist gooien. (Maar vergeet niet om ook te genieten van wat je leest.)

Het boek dat mij aan het schrijven kreeg, was Buzz Aldrin, waar ben je gebleven van Johan Harstad. Zijn taal was zo fijngevoelig. Het liet me zien hoeveel er mogelijk is, dat iedereen op zijn eigen manier buiten de lijntjes kleurt als het gaat om het vertellen van een verhaal. Uiteraard kun je zijn invloed terugzien in teksten van mij, net als die van andere schrijvers die ik bewonder. In het afgelopen jaar las ik vijftig boeken; John Green (The Fault In Our Stars) en Chad Harbach (The Art of Fielding) behoorden tot het beste wat ik las. Ook zij zullen hun plekje hebben in mijn eigen werk, net als misschien wel alle schrijvers die ik lees in een zekere mate, maar ondertussen probeer ik ook mijn eigen stem te vinden.

Dat is niet een proces dat nu ten einde is omdat ik gedebuteerd ben – het gaat altijd door, zolang ik schrijf.

Murat Isik

Als kleine jongen keek ik tijdens het EK in 1988 vol bewondering naar Marco van Basten. Tegen Engeland scoorde hij drie keer. De volgende dag was ik Marco van Basten op het schoolplein. Dat gaf me op de een of andere manier extra kracht. En toen ik scoorde, riep ik hardop zijn naam.

En zoals ik Van Basten nadeed, zo liet ik me in de beginjaren van mijn schrijverschap inspireren door grote schrijvers. Soms schoot dat door. Er was een periode dat ik in korte tijd veel romans van Arnon Grunberg las. Ik merkte dat ik in mijn verhalen zijn stijl overnam. Het schreef wel lekker weg, dat Grunberg-toontje, maar toen ik die verhalen later teruglas, was ik er minder enthousiast over. Het was te weinig van mezelf, te veel een poging op een ander te lijken. Het was een pastiche. Gelukkig heb ik die verhalen nooit gepubliceerd.

Later werden mijn korte verhalen persoonlijker en vond ik steeds meer mijn eigen stem. Ik putte soms uit mijn eigen leven en zette de waarheid in die verhalen naar mijn hand. Als schrijver is het van belang om je eigen stem te vinden, je te onderscheiden.

Gabriel García Márquez is mijn literaire held. Als tiener trok ik op een dag zijn meesterwerk ‘Honderd jaar eenzaamheid’ uit de boekenkast van mijn zus. Het was in de tijd dat ik me op het vwo door mijn leeslijsten voor Nederlands, Engels, Duits en Frans worstelde. Mijn mond viel open toen ik Márquez las: niet eerder had ik zulk fantastisch proza gelezen.

Vele jaren later las ik een interview met Márquez waarin hij verklaarde dat hij in zijn magnum opus niets anders had gedaan dan de verhalen navertellen die hij van zijn oma had gehoord. Zelfs de toon waarop zij die verhalen vertelde, nam hij over. Hoewel in de verhalen van zijn grootmoeder de meest bovennatuurlijke dingen gebeuren, vertelde zij die verhalen zonder dat de uitdrukking op haar gezicht veranderde. Márquez begreep dat hij dat ook moest doen in zijn verhalen: het geloofwaardig vertellen van iets magisch, zonder het te overdrijven.

Nu zou ik mezelf absoluut niet durven vergelijken met de, in mijn ogen, grootste schrijver aller tijden. Iedere keer als ik iets van Márquez lees, word ik ontzettend nederig en besef ik hoe waanzinnig hoog hij de literaire lat heeft gelegd voor alle andere schrijvers. Zijn proza is voor mij de zuiverste vorm van literatuur. Maar wat ik in mijn debuutroman Verloren grond heb gedaan, is ook vertellen over de verhalen die in mijn eigen familie circuleerden. Weliswaar heb ik die verhalen bewerkt, maar ze vormen wel de bouwstenen voor Verloren grond. In die zin kun je zeker zeggen dat Márquez mij heeft beïnvloed. Ook qua stijl. Zo schrijf ik beeldend en schuw ik de lyriek niet, indien gepast natuurlijk.

Soms, als mijn literaire motor vastloopt, sla ik een roman van Márquez open. Ik lees een paar zinnen en voel dan meteen weer de drang om te schrijven. Márquez is mijn nieuwe Van Basten.

Deniz Kuypers

De sci-fi schrijver Harlan Ellison heeft een vast antwoord op de vraag waar zijn ideëen vandaan komen: hij zegt dat hij iedere maand geld overmaakt naar een adres in Poughkeepsie en in ruil daarvoor krijgt hij een paar nieuwe ideëen toegestuurd. Was het maar zo makkelijk. Ideëen komen van ergens diep vanbinnen, van die mysterieuze plek waar je alles opslaat wat je hoort, leest en meemaakt, en waar je al die dingen laat marineren tot er op miraculeuze wijze een idee overblijft.

Een belangrijk ingrediënt van deze magische marinade zijn in mijn geval de boeken die ik lees – voornamelijk romans, maar ook veel non-fictie en poëzie. Elk boek leert mij namelijk iets nieuws, zelfs als het een boek is dat ik al meerdere keren heb gelezen. Soms staat dat mijn leesplezier ook in de weg, want in plaats van dat ik helemaal opga in een boek, let ik op elk woord, elke zin. Misschien is dat de vloek van het schrijverschap. Waar ik vooral op let is waarom ik bepaalde dingen mooi vind en hoe die in elkaar steken. Dat is de belangrijkste manier waarop andere schrijvers mij beïnvloeden: als iets mij raakt of boeit, dan wil ik weten waarom, zodat ik die techniek zelf ook kan toepassen.

Daar bedoel ik niet mee dat mijn schrijfstijl een kopie is van mijn favoriete schrijvers. Integendeel. Een verhaal kun je op talloze manieren vertellen, en lezen leerde mij als jonge schrijver juist in te zien wat de beste manier was. Goede schrijvers hebben hun eigen stem – dat is iets wat niet te leren is – maar techniek is basiskennis die gewoon veel oefening vereist.

Ik denk dat het voor beginnende schrijvers logisch is eerst je favoriete romans te willen imiteren. Zo was het eerste boek waarvan ik wilde dat ik het zelf had geschreven The World According to Garp van John Irving. Ik was een jaar of vijftien, en was tot dan toe voornamelijk dol geweest op griezelboeken van o.a. Stephen King. Garp liet mij zien dat literatuur tot veel meer in staat was, dat gewone levens interessant konden zijn zonder dat er monsters of spoken aan te pas kwamen. Vanaf dat moment begon ik zelf ook ‘volwassen’ verhalen te schrijven. Kort daarop ontdekte ik Gabriel García Márquez, en meteen probeerde ik hem te imiteren. Zo ging het een aantal jaren: telkens als ik een nieuwe schrijver ontdekte, probeerde ik net als hem te schrijven.

Ik weet niet wanneer ik mijn eigen stijl ontwikkelde. Waarschijnlijk gebeurde dat gaandeweg. Naarmate ik meer vertrouwen en inzicht kreeg in mijn verhalen, had het werk van mijn literaire helden minder invloed op me.

Tegenwoordig beschouw ik elk boek dat ik lees nog steeds als een leerzame ervaring, maar ik probeer niemands werk meer na te bootsen. Ik heb ook niet meer dezelfde helden als vroeger (Irving vind ik, naast Garp en A Prayer for Owen Meany tegenvallen). Maar schrijven kan vreselijk frustrerend zijn, en de boeken van mijn huidige helden – Philip Roth, Jim Harrison, Rick Bass, Louise Erdrich, Marilynne Robinson – geven me doorzettingskracht. Boeken als Dalva van Jim Harrison of Housekeeping van Marilynne Robinson zijn voorbeelden van de grote hoogte waarnaar literatuur kan stijgen. En al weet ik niet of ik ooit een lezer zal raken zoals die twee boeken mij raken, geven ze me toch de moed en de drang om het te proberen: keer op keer, woord na woord, verhaal na verhaal.

Myrthe van der Meer

Halverwege mijn studententijd was ik de Nederlandse literatuur zat. Ik kreeg het gevoel dat ik alleen nog maar las over mensen die melancholisch of gedrogeerd voor zich uit staarden en vooral heel veel nadachten over waarom ze nooit verder kwamen in het leven, in plaats van zichzelf overeind te hijsen en alvast zelf een een paar stappen in de goede richting te zetten.

Die zomer ontdekte ik echter dat ik met mijn studiepas niet alleen boeken kon lenen uit mijn eigen vakbibliotheek, maar ook uit de letterenbibliotheek: leesboeken, romans en literatuur! Ik besefte met enige tegenzin dat ik die kans om gratis alles aan literatuur te lezen niet aan me voorbij mocht laten gaan en dus maakte ik een plan: een jaar lang elke week een oorspronkelijk Nederlandstalig werk lezen en met kerst twee weken vrij. Oftewel: even 52 weken met de kiezen op elkaar om de jaren erop weer met goed fatsoen de literatuur links te kunnen laten liggen.

Ik ging naar de bieb, nam een zooi boeken mee naar huis waarvan ik wist dat ze als literair beschouwd werden, pakte de eerste van de stapel, sloeg die ietwat op mijn hoede open, las de eerste pagina’s en was meteen verkocht: Nooit meer slapen van W.F. Hermans. Het was alsof ik eindelijk het vervolg las op Kees de jongen, een grote, oude literaire liefde die ik me ineens herinnerde. De passie van de hoofdpersonen, de manier waarop ze weliswaar eindeloos nadenken over het goede en vervolgens vol ijver alle verkeerde keuzes maken – ik was verkocht.

Ik zou het een geweldige eer vinden als iemand ooit op mijn werk terug zou kijken en er iets van Hermans in zou herkennen, maar dat lijkt me niet heel waarschijnlijk. Als hij iets heeft beïnvloed, dan was het namelijk niet het schrijfproces, maar juist het denken over verhalen, de manier waarop je met hele gewone, onopvallende personages een verhaal neerzet dat nog dagen, weken, maanden blijft jeuken. De manier waarop hij zijn hoofdpersonen heel subtiel en met een eindeloos geduld weet te slopen tot er uiteindelijk niets anders meer van ze over is dan het besef dat ze niets weten, nergens over en al helemaal niet over zichzelf. Om ze dan héél langzaam, stukje bij beetje weer een beetje overeind te helpen – niet teveel, want er moet er moet altijd iets te lijden overblijven.

Zodat je als lezer achterblijft met de vraag: waar ging dit over? Wat voor boek heb ik net gelezen? Ik ben tevreden met de afloop – maar was die wel zo goed voor de hoofdpersoon? Wat wil de schrijver hier eigenlijk mee zeggen?

Dat vind ik mooi. Als de schrijver niet langer iets zegt en de lezer begint met vragen.

Dennis Rijnvis

Ik was acht jaar en staarde in de vlam van een kaars. Niet een paar seconden, maar zeker een halfuur lang. Mijn moeder keek op uit haar boek en vroeg wat ik aan het doen was. ‘Niets.’

Ik bleef op mijn knieeën bij de tafel zitten, mijn ogen op de kaars gericht. Even later stond ik op om een pak kaarten te pakken. Één voor één hield ik ze voor mijn ogen, met de achterkant naar mijn gezicht.

‘Wat doe je nou?’

‘Is dit de koning?’

Nee.’

Ik trainde mijn ogen om door kaarten heen te kijken, zodat ik rijk zou worden in het casino. De methode was me net uitgelegd door de hoofdpersoon in Het wonderlijke verhaal van Hendrik Meijer van Roald Dahl. Het is het eerste boek waarvan ik me kan herinneren dat het me tot schrijven aanzette.

Al snel was ik er achter dat er niets klopte van het verhaal: ik kreeg pijn in mijn ogen van het staren in de vlam en zag helemaal niets meer.

De teleurstelling vervaagde al snel, maar het het korte moment waarin ik had geloofd in de magische trainingsmethode bleef me bij. Vlak daarna begon ik zelf verhalen te schrijven over mensen die iets bovennatuurlijks konden: een meisje dat kon zweven door heliumballonnen op te eten en een jongen die zo hard kon blazen, dat hij voorzichtig moest ademen om zijn ouders niet weg te blazen.

Niet bijster origineel. Maar ik denk dat het een proces waar iedereen doorheen gaat die wil schrijven. In mijn vorige post schreef ik al over de scene uit Stephen King die ik ooit als basis gebruikte voor een kort verhaal in groep 8. Later herinnerde ik me dat ik tijdens een opstelopdracht in groep 7 eens een compleet sprookje reproduceerde uit een boek dat we thuis hadden. Het heette: de bal en de tol en is hier te lezen.

Toen de meester het nakeek, riep hij me bij zich en liet hij het bewust sprookjesboek zien. ‘Heb je je hier door laten inspireren?’, vroeg hij. Ik weet nog dat ik me schaamde.

Uiteindelijk denk ik dat je wordt beïnvloed door alles wat je leest. Als kind is dat nog maar weinig, maar inmiddels heb ik zo veel boeken gelezen dat alles in mijn hoofd is samengesmolten tot één grote brei die volgens mij niet meer tot één schrijver of sprookje is te herleiden. Als iemand een vleugje King, of een snufje Roald Dahl zou herkennen in mijn werk, zou ik alleen maar blij zijn. Al is het wel een spookbeeld dat er ooit een man bij me aanbelt met een boek in zijn hand getiteld Savelsbos, over vier mannen die de moord op hun jeugdvriendin proberen op te lossen. ‘Je hebt mijn boek gestolen!’. Maar zelfs dat idee is niet van mezelf: Stephen King heeft er een verhaal geschreven: Het geheime raam.

Deel dit bericht

Wanneer en waarom besloot je schrijver te worden?

Myrthe van der Meer

Als kind was ik altijd al bezig met schrijven en op mijn twaalfde had ik mijn eerste boek af: 40.000 woorden, getypt op een Atari gingen op weg naar uitgeverij Kluitman. Een paardenmeisjesverhaal, want als twaalfjarige ponygek vond ik dat de paardenboeken die ik onder andere door Kluitman voorgeschoteld kreeg redelijk ondermaats waren. Dat schreef ik ook in mijn begeleidende brief.

Voor mij was het heel simpel: paardrijden deed je met een hoofdstel, geen halster, en als ze weer eens een zadelgordel uit de kast haalden in plaats van een singel, wist ik ook wel dat ik met een slechte vertaling uit het Duits te maken had. Details moeten kloppen. Ik kreeg van Kluitman een heel aardige brief terug waarin ze uitlegden dat mijn verhaal goed geschreven was en waarin ze adviseerden om te blijven schrijven, maar ook veel te lezen. En voorlopig vooral dat laatste.

Ik vond dat advies onzinnig, want ik las al veel, dus herschreef ik mijn verhaal en stuurde het een jaar later weer op en een jaar later weer. Toen was ik er wel klaar mee. Ik besefte namelijk gaandeweg dat het probleem van mijn boek het tegenovergestelde was als dat van de andere paardenboekjes: waar zij zich in mijn ogen te weinig met paarden bezighielden, was ik totaal niet geïnteresseerd in mensen. En aangezien ik ook wel doorhad dat dat niet snel ging veranderen, liet ik het schrijven daar maar bij.

Naarmate ik mee literatuur las, raakte ik echter langzaam ook meer geïnteresseerd in mensen, maar daardoor ging ik me ook steeds meer ergeren aan hoe ze in de literatuur werden beschreven. Hier het tegenovergestelde probleem: waar in paardenmeisjesboeken de vierbenige helden qua details ernstig verwaarloosd werden, werd in de volwassenenliteratuur de mens tot in den treure gefileerd: diepgang kreeg je blijkbaar niet door een verhaal, nee, gedacht moest er worden! En veel! Als ik nog eens een roman moest lezen over een jonge schoolverlater die naar de grote stad trok en daar verleid werd door drank, drugs die onvermijdelijke foute vrouw, zou ik van ellende pure ellende analfabeet worden.

Als ik dus ooit zelf een boek zou schrijven, dan moest er een verhaal in zitten, een gebeurtenis. Iets wat het lezen ervan iets mee zou geven over het leven zelf. Het probleem was echter dat ik niet zoveel over het leven wist. Ik leidde namelijk het meest saaie, doorsnee leven dat ik kon bedenken, zag dat niet snel veranderen en met verzinnen alleen kom je ook niet ver. Op mijn zeventiende besloot ik dus dat ik, aangezien ik toch nooit iets mee zou maken, dan helaas ook nooit schrijver zou worden.

En toen gebeurde de PAAZ. Voorlopig heb ik wel even genoeg ervaren. Ik hou het dus weer bij schrijven. En lezen. Dat dan weer wel.

Dennis Rijnvis

In groep 3 van de basisschool schreef ik mijn eerste verhaal met de zeer beperkte woordenschat die in de weken daarvoor had geleerd. Het ging ongeveer alsvolgt. ‘Miep zit op de wip. Kees wil ook op de wip. Miep zegt nee. Kees is boos.’ De zinnen waren afkomstig uit mijn lesboek, ik had ze simpelweg overgeschreven en op de juiste volgorde gezet. Maar de juffrouw was enthousiast: ik had een verhaal geschreven, zei ze.

In groep 8 leverde ik een opstel in over een gootsteen waar bloed uit stroomde. Eerst een paar druppels, later een golf die de hele badkamer in een rode poel veranderde. Ik mocht het voorlezen in de klas. In de weken daarna bleven kinderen vragen hoe ik het had verzonnen, en of het echt was gebeurd. Ik zei dat ik het zelf had bedacht, maar in werkelijkheid was het een scene uit het boek Het van Stephen King, die ik in mijn eigen woorden had samengevat. Ik had het boek stiekem gelezen, mijn vader had het geleend van de bibliotheek.

Er was niet één moment dat ik besloot schrijver te worden, ik kan het me in ieder geval niet voor de geest halen. Wel herinner ik me mijn trotse gevoel dat ik had bij het compliment van de juffrouw in groep 3 en de geïntrigeerde blikken van mijn klasgenoten in groep 8 toen ik mijn ‘geleende’ Stephen King-verhaal voordroeg. Het was verslavend en het wakkerde een verlangen aan om zelf ook de werkelijkheid te verbuigen, gaten te trekken in de realiteit en mensen daarin mee te trekken.

Het is die drang die me uiteindelijk meer onbewust dan moedwillig deed besluiten om schrijver te worden. Pas veel later, toen ik in mijn eentje achter mijn computer zat, twijfelde aan mijn eigen verhalen en jaloers keek naar boeken van Roald Dahl en Stephen King, drongen de nadelen tot me door: de eenzaamheid, de onzekerheid waarmee je te maken krijgt, de concentratie die je ervoor nodig hebt. Geen van die omstandigheden bij het schrijven vind ik prettig. Sterker nog: ik worstel ermee bij elk woord dat ik op papier zet. Vandaar dat het me tien jaar lang niet lukte om een boek af te ronden.

Maar twee jaar geleden – vlak voor het schrijven van mijn eerste boek – bezocht ik een bruiloft waar ik oude klasgenoten uit groep acht tegenkwam. “Ik denk soms nog steeds aan dat verhaal over het bloed dat uit die gootsteen spoot”, zei één van hen. “Hoe kwam je als twaalfjarige op dat idee?”

Ik vond het geweldig dat hij zich het verhaal nog kon herinneren, maar tegelijkertijd schaamde een beetje dat ik inmiddels nog steeds niet zelf een boek had geschreven, een verhaal dat echt van mezelf was. Het werd tijd dat ik aan de slag ging.

Wytske Versteeg

Toen ik klein was, wist ik zeker dat ik een omnibus wilde schrijven. Ik wist weliswaar niet precies wat dat woord betekende, maar wel dat zo’n omnibus meestal heel dik was. En ik hield van dikke boeken, ik hield er zo erg van dat ik zelfs de kinderbijbel las – tot afgrijzen van mijn bepaald niet gelovige ouders. Ik hield vooral van boeken waarin iets magisch gebeurde, boeken waarin zich zomaar ineens een poort opende naar een andere, een wonderlijker wereld. In die verhalen kon een schijnbaar lege bus in werkelijkheid gevuld zijn met de onzichtbare wezens van het kleine volkje. Een doodgewone klerenkast (de Narnia-serie), een medicijnkastje (De indiaan in de kast) of een boek (Het oneindige verhaal) konden plotseling de toegang worden tot een andere werkelijkheid – maar alleen af en toe, als je ze op de juiste manier benaderde. Natuurlijk hoopte ik op een dag ook zoiets magisch te vinden en totdat ik dat had gevonden las ik door, tot ik zo’n beetje alle kinderboeken uit de niet al te grote bibliotheek had uitgelezen. Daarna was ik aangewezen op de boeken voor volwassenen – teleurstellend, want daarin gebeurde er nooit iets magisch en ging het alleen maar over saaie, onoplosbare problemen.

In het eerste verhaal dat ik zelf schreef – opstellen voor school niet meegerekend – werd er een oma ontvoerd door haar eigen familie, die het zat was dat ze altijd zo klaagde. Maar problematisch werd dat nooit; oma wilde niet eens meer terug naar huis en uiteindelijk werd de oude dame schatrijk – als ik het me goed herinner, van de rechten op haar eigen verhaal. Zo gebeurde er dan toch iets magisch; ik kwam in een andere wereld terecht, één die ik zelf naar mijn hand kon zetten, maar die zich uitstrekte tot verder dan ik kijken kon.

Laatst werd me door een scholier gevraagd hoe je dat doet, schrijver worden. Maar zelf had ik dat vroeger nooit bedacht – dat dat iets was wat je zou kunnen worden, dat je daar zomaar voor zo’n beroep kon kiezen. Dat zou ik nooit hebben gedurfd; ik drentelde gewoon heel lang heen en weer voor die magische poort, wachtend tot hij zich zou openen en ik mee zou kunnen, met die schijnbaar lege omnibus.

Peter Zantingh

13 februari 2009. Ik had een half jaar vrijstelling van mijn studie en kon die ruimte op twee manieren invullen: door alles op te schuiven en uiteindelijk een half jaar eerder klaar te zijn, of door dat half jaar te besteden aan iets nieuws. Ik koos voor het tweede en besloot te gaan schrijven. Ik startte op die dertiende februari een blog en zag dat zoals een jonge voetballer een trapveldje ziet: daar kon ik oefenen, uitproberen, fouten maken, mijn vorm vinden. Ik hoefde niet gelezen te worden, als ik maar schreef en publiceerde. Ergens op de ‘over mij’-pagina schreef ik dat ik ooit een roman wilde schrijven.

Na een jaar waarin in enkele tientallen stukjes plaatste (net even geteld: het waren er 27) zag ik in nrc.next een oproep om voor één dag Aaf Brandt Corstius te vervangen. Ik stuurde een van mijn columns in, over een oude vrouw die verdwaalt in haar verzekeringspapieren, en die werd op 22 februari 2010 geplaatst. Kort daarna kreeg ik een e-mail van een uitgeverij; ze hadden de column gelezen, waren onder de indruk en waren op mijn blog dat zinnetje over het boek tegengekomen. De vraag was of ik daar al mee bezig was.

Dat was ik niet, maar ik antwoordde dat ik binnen drie weken wel een eerste hoofdstuk kon inleveren. Op een dag (ook even opgezocht: dat was 22 maart 2010) ging ik zitten en werkte ik het idee uit dat ik toen al een aantal jaren in mijn hoofd had. Op die dag kreeg het verhaal vorm en schreef ik de eerste zes pagina’s. Ik denk dat dat ook de dag was waarop ik definitief wist dat ik hiermee verder wilde. Schrijven, verhalen maken, uitgegeven worden.

Murat Isik

Ik was net afgestudeerd en werkte begin 2003 als jurist bij UWV. Ik hield me bezig met bezwaarzaken tegen de premies voor de werknemersverzekeringen. Na een jaar dacht ik: is dit het nou? Moet ik de rest van mijn leven dit werk gaan doen?

Ik miste de creativiteit en voelde de sterke drang om wat anders te doen, om iets te creëren, iets te maken wat er nog niet was. Ik wilde romans schrijven. Die ambitie had ik ooit tijdens mijn studie uitgesproken maar nooit verder geconcretiseerd omdat ik eerst mijn heilige doel moest verwezenlijken: afstuderen.

Maar bezat ik het vereiste schrijftalent? Er was in mijn ogen maar een manier om daar achter te komen: een cursus creatief schrijven volgen. Als ik talent had, moest het daar opgemerkt worden. Peter van Beek was de docent. Hij is kinderboekenschrijver en romanrecensent. Iedere week schreven we korte verhalen die we klassikaal bespraken. Tijdens de laatste les complimenteerde Peter mij uitgebreid met mijn eindverhaal en zei vol vertrouwen: ‘Jij komt er wel.’ Dat was de bevestiging waar ik naar op zoek was geweest. Die ene zin betekende zoveel voor mij.

Dat was in 2004. Vanaf dat moment ben ik honderd procent voor het schrijven gegaan. Ik begon de grote schrijvers te bestuderen en bleef korte verhalen schrijven. Als podium gebruikte ik het blog dat ik inmiddels online was gestart. Ik kreeg positieve reacties van onbekende lezers. Ze stimuleerden mij om verder te blijven schrijven.

Het volgende hoogtepunt was in 2007, toen ik winnaar werd van de verhalenwedstrijd van de Juni Kunstmaand. Die overwinning voelde als een mini-debuut, want niet alleen werd mijn verhaal tot toneelstuk bewerkt en in twee literaire bladen gepubliceerd, ook werd ik gevraagd om de redactie van het opinieblad Contrast te komen versterken. Daar ontmoette ik andere jonge en ambitieuze schrijvers.

Het jaar erop verscheen een kort verhaal van mij in de verhalenbundel Fasten your seatbelt, waarin ook verhalen van o.a. Arjen Lubach, Jan van Mersbergen, en Ricus van de Coevering stonden. Ricus tipte mij bij Paul Sebes. Vanaf dat moment ging het snel. Een jaar later tekende ik bij Anthos.

Als ik terugkijk zijn drie momenten in mijn studententijd belangrijk geweest voor mijn schrijverschap. Allereerst mijn toegang tot internet en e-mail vanaf 1997. Ik kon al snel geen gewone mails meer sturen. Bijna al mijn mails mondden uit in korte verhalen.

Een volgende belangrijke stap was het schrijven voor studentenblad Pelge en de complimenten die ik kreeg voor mijn stukken.

Tenslotte kreeg mijn schrijfkoorts een zoveelste hevige impuls toen ik in 2001 een half jaar in San Francisco ging studeren. Ik stuurde bijna dagelijks uitgebreide reisverslagen naar vrienden en familie.

Schrijven is voor mij zingeving. Het geeft het leven betekenis en diepte. Ik zou niets anders willen doen. Je kunt als schrijver hele werelden scheppen en werkelijk alles laten gebeuren in je eigen universum. Je bent schepper en er zijn geen formele kaders die aangeven dat iets niet mogelijk is, zoals in het normale maatschappelijke leven.

Schrijven is vrijheid.

Deniz Kuypers

Ik schreef mijn eerste roman toen ik acht jaar oud was. Een ‘roman’ was voor mij in die tijd een verhaal van tien velletjes, maar daarmee was wel een obsessie geboren. Ik hield zo van lezen, dat de overstap naar schrijven heel normaal leek: waarom zou ik mijn eigen verhalen niet verzinnen? Dus nam ik iedere zomer niet alleen een stapel boeken mee op vakantie, maar ook een paar schriften, waarin ik verhalen schreef over vampieren en pratende honden.

Toen ik een jaar of twaalf was, kocht mijn oma een typemachine voor me. Opeens begonnen mijn verhalen in lengte toe te nemen. Kort daarop schreef ik mijn eerste echte roman: een meer dan driehonderd pagina’s tellend monster dat niemand gelukkig ooit heeft gelezen. Maar hoe meer ik schreef en las en hoe ouder ik werd, hoe moeilijker het schrijven mij verging. Niet dat ik er geen plezier meer in had; integendeel, ik wist juist dat ik mijn roeping gevonden had, maar tegelijkertijd begreep ik ook hoe moeilijk schrijven – goed schrijven – eigenlijk is.

Tegen de tijd dat ik 19 was, had ik drie romans geschreven. Via-via kwam ik in aanraking met Anthony Mertens, redacteur bij Querido. Twee jaar lang nam hij mij onder zijn hoede. Iedere paar weken stuurde ik hem een nieuw hoofdstuk op van een roman waar ik aan werkte, en dan praatten we daarover in een café om de hoek van het Bungehuis. We hadden het nooit over uitgeven – Anthony wilde de tijd nemen om mijn schrijfstijl te polijsten. Maar na twee jaar verhuisde ik naar Amerika, en in 2004 kreeg Anthony een herseninfarct. Hij overleed in 2009.

Amerika veranderde mij. Ik werd daar volwassen. Ik leerde alleen te zijn. Ik had drie baantjes en een kleine kamer in Twin Peaks, en wanneer ik ‘s avonds uitgeput thuiskwam, had ik geen zin in schrijven, maar wel in lezen. Ik verslond boeken – ik las weer met de gretigheid van een kind. Zo ontdekte ik een paar schrijvers die dezelfde visie op het leven leken te hebben als ik. Zij spraken een taal die ik in nog geen ander boek was tegengekomen, maar die ik jarenlang in mijn achterhoofd had gehoord. Allereerst was daar Marilynne Robinson, wiens Housekeeping bij mij insloeg als een bom. Vervolgens Rick Bass, Jim Harrison en Louise Erdrich. Samen met Philip Roth – een oude held van mijn UvA-dagen – vormden zij mijn Grote Vijf. Niet dat ik hen wilde imiteren; nee, ik wilde me aan hen meten.

In 2007 begon ik aan mijn vijfde roman, die uiteindelijk mijn debuut is geworden. Sindsdien is er geen dag voorbij gegaan waarop ik niet heb geschreven.

Deel dit bericht

Wat was het moeilijkste onderdeel van het schrijven van je debuutroman en waarom?

‘Het is interessant om te zien waar de schrijvers van het Debutantenblog mee worstelden tijdens het schrijven van hun debuut. Voor de een zal dat misschien de openingszin zijn, voor een ander wellicht het eindeloos reviseren. Ik verwacht dan ook heel uiteenlopende antwoorden.’ – Murat Isik

Deniz Kuypers

De eerste versie van mijn debuut, Dagen zonder Dulci, schreef ik in vijf weken. Ik had een idee dat mij niet losliet, en van ‘s ochtends vroeg tot diep in de nacht zat ik achter mijn laptop om dit idee op papier te krijgen. En toen sloegen de twijfels toe…

Schrijven is voor mij instinctief. Ik begin met een idee, een personage, soms maar een enkele zin. Eerste versies schrijf ik vlug, en vaak weet ik al na een paar pagina’s of waar ik mee bezig ben de moeite waard is. Zo ja, dan ga ik door, maar meestal gooi ik het weer weg. Wat ik overhoud is dus niet veel, en daarmee begint de ellende eigenlijk pas. Ik ben namelijk een eindeloze herschrijver. Een eerste versie is voor mij maar een vingeroefening, die mij leert wat er wel of niet goed is aan mijn oorspronkelijke idee. Die goede stukken pik ik er dan uit, en ik begin opnieuw.

Stephen King heeft een rekensommetje: de laatste versie van je boek = de eerste versie – 10%. Gold dat voor mij ook maar! Herschrijven is voor mij geen zinnen verschuiven of aanpassen; nee, ik neem een lege pagina, zet de titel van het werk bovenaan en begin helemaal van voor af aan. Al schrijvende leer ik mijn personages en hun verhalen pas echt kennen. Alle ideeën die ik van tevoren heb – en dat zijn er veel; overal waar ik ga heb ik een notitieboekje bij me – beginnen pas duidelijke vormen aan te nemen wanneer ik helemaal in het boek zit. Ook ontwikkel ik zo geleidelijk aan de toon en de sfeer van het boek.

De eerste versie van Dulci, geschreven in de winter van 2007, telde 75.000 woorden. Volgend jaar komt het boek eindelijk uit, en die versie telt maar 50.000 woorden. Minder dan de helft daarvan komt overeen met het originele manuscript. In de afgelopen vijf jaar heb ik Dulci iedere zes maanden in z’n geheel herschreven (tussendoor werkte ik aan andere verhalen). Met iedere nieuwe versie hield ik meer bruikbare scènes over en hoefde ik er minder bij te schrijven. Die bruikbare scènes scherpte ik vervolgens weer aan. Vaak las ik ze hardop voor. Ik lette heel erg op de melodie van mijn zinnen. Toen Anthos Dulci kocht, was ik nog steeds niet klaar. De eerste nieuwe versie die ik hun stuurde verschilde zo erg van het boek dat zij gekocht hadden, dat ik bang was dat ze het contract zouden verbreken. Gelukkig deden ze dat niet.

Het moeilijkste onderdeel van het schrijven vind ik het boek loslaten. Het is maar goed dat Anthos Dulci gaat uitgeven, want anders zou ik er over vijf jaar misschien nog aan zitten te sleutelen. Onder het toeziend oog van mijn redacteur heb ik een versie gecreëerd waar ik trots op ben. Als ik de drukproef straks nog een laatste keer heb doorgenomen, zal ik het boek nooit meer lezen. Ik wil namelijk niet weer gaan denken over alle andere manieren waarop ik het had kunnen schrijven.

Myrthe van der Meer

Toen het manuscript van PAAZ af was, spraken mijn literair agent en ik met alle geinteresseerde uitgevers. Een van hen had het in één nacht uitgelezen, was dolenthousiast en zei: ‘Geweldig. Echt een boek voor ons. Maar het moet natuurlijk wel een happy end krijgen, anders trekt de lezer het niet.’
Die uitgever werd het dus niet.

Het lastige aan het schrijven van PAAZ vond ik dat het waargebeurd is: ik was mijn eigen hoofdpersoon, wat zij meemaakte als patiënt in de psychiatrische kliniek had ik zelf beleefd. Het moeilijke lag echter niet in het schrijven zelf, maar in het hoe: vaak hoor je bij waargebeurde boeken dat de schrijver het ‘ van zich afgeschreven’ heeft. Een echte, leesbare roman schrijf je echter niet voor je eigen therapie, maar voor een onbekende: de lezer.

Het van je af schrijven maakt waargebeurde verhalen bovendien vaak ook zo eendimensionaal en sensatiebelust: ‘Schande, wordt ze nu ook nog gewurgd door een medepatiënt? En we zijn nog maar halverwege het boek!’ De lezer hopt aan de hand van de schrijver keurig van de ene naar de andere zorgvuldig op ellende geselecteerde gebeurtenis, allemaal door de schrijver al van de enige juiste interpretatie voorzien.

Maar zo werkt het leven niet. Ik heb nog nooit iets meegemaakt waar ik niet over getwijfeld heb – deze zin inclusief. Hoe kan dat in een waargebeurd verhaal dan anders zijn?

Ik wilde juist het omgekeerde, niet van me af schrijven en verklaren, maar juist naar me toe halen, alles van mijn PAAZ-opname tot op het bot fileren – niet om tot juiste interpretaties te komen, maar juist om alle afzonderlijke onderdelen te zien, om te zien hoe complex alles eigenlijk is: natuurlijk, gewurgd worden is niet leuk en daar horen al die afgezaagde emoties als schrik, woede en doodsangst bij, maar ook méér. Ook vreemdere, vileinere gevoelens: want als die ander echt gestoord blijkt, wordt ze vast snel afgevoerd naar de isoleer en hebben wij eindelijk weer rust, toch?

Dat was voor mij de uitdaging: fileren in plaats van concluderen, de lezer zelf tot conclusies laten komen, het opschrijven zoals het gebeurd was. Dat was al moeilijk genoeg. Want het verschrikkelijkste aan PAAZ was dat ik dit boek helemaal niet wilde schrijven . Ik wilde niet schrijven over de afschuwelijke verhalen die ik hoorde van mensen die daar mijn vrienden werden, de gruwelijke dingen die mensen soms mee moeten maken om op een PAAZ te belanden. Toen ik ze op ging schrijven, was het echter alsof ze ineens écht werden. Alsof ik tegen een groepsgenote zei: ‘Zo, dit is vanaf nu jouw jeugd, als je zestien bent, wordt het iets beter.’ Terwijl ik juist niets liever wilde dan alles ongedaan maken, haar de meest onbezorgde kindertijd ooit geven.

Maar dat kon ik niet. Wat ik was slechts de schrijver. Het enige wat ik kon doen was opschrijven wat er gebeurd was. En het soms iets minder erg maken. Want het moet voor de lezer wel draaglijk blijven.

Dennis Rijnvis

Mijn probleem was vooral dat ik bang was om rotzooi te schrijven. Die onzekerheid en daaruit voortvloeiend uitstelgedrag hebben me al zo ongeveer een half oeuvre gekost. Vanaf mijn zestiende wist ik dat ik een thriller wilde schrijven, het liefste ééntje waarmee ik de bestsellerlijsten zou bestormen. Om de droom levend te houden schreef ik soms een eerste zin, als ik een goede dag had zelfs een alinea. Ik bedacht de de titel, een paar personages en de samenvatting die op de achterflap van mijn boek zou komen. Maar na die eerste vlaag van inspiratie, trad altijd de onzekerheid in. Ik stond op, pakte een punselie (kleine stroopkoekjes, tot op de dag van vandaag een verslaving), las de tekst opnieuw, woog de woorden en begon te twijfelen of ze origineel genoeg waren, of ze me op enige manier zouden onderscheiden van alle andere mensen die een poging deden een boek te schrijven.

Bij die afweging kwamen ook de excuses bovendrijven. Het was niet het goede moment om te beginnen aan een boek. Ik was was te druk met school, te moe, te inspiratieloos, te verliefd, te verveeld, te onzeker of nog niet volwassen genoeg. Zo heb ik zeker tien boeken bedacht die nooit zijn geschreven.

Achteraf was het vooral angst. Als je daadwerkelijk een begin maakt met een boek verniel je het beeld in je hoofd van de meeslepende thriller of het literaire epos dat je jezelf hebt beloofd. Er verschijnen obligate letters en woorden op je scherm en die vormen (bij mij tenminste) niet meteen de briljante zinnen waarop je hoopt.

Dat is confronterend. Ik had de neiging om weg te rennen op dat soort momenten, het werk te laten voor wat het was. In mijn fantasie kon ik dan weer vrijelijk pronken met de prachtige boeken die ik ooit zou schrijven.

Het faalontwijkend gedrag kreeg ik uiteindelijk binnen de perken met een ander angstbeeld. Toen ik dertig werd, stelde mezelf voor op mijn 90e in het bejaardentehuis, met twee tanden kauwend op een stroopkoekje, mompelen dat ik een prachtig boek had kunnen schrijven.

Natuurlijk twijfel ik nog steeds aan mijn werk, sterker nog: ik loop er nog steeds voor weg. Als ik het gevoel heb dat een scene doodloopt of een zin niet uit de verf komt, vlucht ik naar Facebook of Twitter, als een junk op zoek naar prikkels die mijn twijfel verbloemen.

Ik moet daar iets aan doen, nog steeds, want dit gedrag kost me veel tijd, uren die ik ook in mijn boek had kunnen steken. Wel keer ik nu altijd weer terug naar mijn verhaal, beter een schrijver die rotzooi schrijft, dan alleen een schrijver in fantasie.

Het is enigszins geruststellend om te weten dat ik niet de enige ben met deze vorm van faalangst. In dit artikel in de New Yorker komt de succesvolle schrijfcoach Barry Michels aan het woord, hij helpt bekende scenarioschrijvers uit Hollywood. Zijn advies aan zijn klanten: kniel elke dag voor je computer en smeek het universum om de slechtste zin ooit te mogen schrijven. Zet vervolgens een eierwekker en schrijf een uur aan één stuk door.

Ik heb die raad opgevolgd bij het schrijven van dit antwoord, maar ben nog niet genezen. Ik heb het een paar keer nagelezen, twijfel en hoop dat dit antwoord geen rotzooi is.

Wytske Versteeg

Het moeilijkste, maar tegelijk ook het leukste onderdeel van schrijven is voor mij het uitvinden waar het boek nu werkelijk over gaat, en het accepteren dat ik dat niet van het begin af aan weet. Ik heb bewondering voor schrijvers die vooraf een schema maken van hun boek, die van het begin af aan weten waar alles naar toe gaat, maar mijn eigen hoofd werkt anders. Voor mij is het altijd maar afwachten waar een verhaal of boek nu eigenlijk om blijkt te draaien en meestal kom ik daar pas achter als er een ritme tot leven komt, een personage een stem krijgt en uit zichzelf begint te spreken.

Nu ik aan mijn tweede roman werk kan ik uit ervaring zeggen dat ik blijkbaar de neiging heb om te beginnen met een zeurderige verteller – blijkbaar duurt het even voordat er een personage aan het woord komt dat daadwerkelijk iets te zeggen heeft. Dat afwachten tot het verhaal uit zichzelf gaat spreken, dat vind ik het allermoeilijkste. Want het vraagt lef om op zoiets ongrijpbaars te vertrouwen, en misschien ook zoiets als overgave – stug proberen toch te schrijven als er geen stem, geen ritme is, kán wel, maar levert over het algemeen een levenloze tekst op die ik daarna weer weg moet gooien. Of zoals de beeldhouwer Brancusi zei: ‘Het is niet moeilijk om dingen te maken. Wel moeilijk is het om ons in die toestand te brengen waarin we dingen kunnen maken.’ Om in die toestand, die concentratie te komen lees ik schrijvers die me inspireren, door hun onderwerp of door het ritme van hun eigen taal. Maar soms kan een bezoek aan een museum al net zo nuttig zijn of zelfs maar een ritje in de trein, of eigenlijk ieder moment waarop ik in de wereld om me heen juist dat kan opvangen wat mijn verhaal tot leven brengt, of dat nu een mens is die voorbij zie lopen, een zin die ik toevallig hoor of een gedachte die ik zomaar krijg. Eigenlijk heeft schrijven veel weg van beeldhouwen – de kunst is om erachter te komen welk stukje van de werkelijkheid thuis hoort in het boek en om dan de rest weg te hakken en rustig af te wachten wat ontstaat.

Peter Zantingh

Ik ben momenteel bezig met mijn tweede roman, en ik merk dat sommige dingen nu juist moeizamer gaan dan bij mijn debuut. Dat eerste boek ontstond min of meer per ongeluk – ik wist immers niet precies waar ik mee bezig was en deed veel op gevoel, intuïtie. Bovendien had ik nog niet te maken met verwachtingen. Er leest niemand over je schouder mee, dus je bent vrijuit bezig. Alles mag mislukken.

Maar uiteraard zorgde die onervarenheid er ook voor dat ik tegen problemen aan liep. Een van de moeilijkste dingen vond ik om mijn vier hoofdpersonen elk een heel eigen karakter te geven. Bij Johan, mijn hoofdpersoon, lukte dat uiteraard wel, maar hoe laat je de lezer kennismaken met de andere drie? Alle drie waren ze begin twintig, blank, West-Fries en voetballiefhebber. ‘Alex is schuchter’ of ‘Richard kan niet zo goed omgaan met verdriet’, dat schrijf je niet op. Show, don’t tell. Het karakter van die jongens moet uit hun gedrag blijken, uit wat ze zeggen en doen. Subtiel, maar tegelijkertijd wel duidelijk genoeg om de lezer de volgende keer als Richard genoemd wordt, te laten denken: ‘Oh ja, die jongen heeft het er bijzonder moeilijk mee.’

Het werk aan mijn tweede roman ben ik begonnen met zo’n vijfduizend woorden uit de losse pols te schrijven over elk van de drie belangrijkste personages. Die teksten komen niet terug in het boek, maar leren mij meer over wie ze zijn en waarom ze doen wat ze doen. Hopelijk gaat het me zo beter af dan bij mijn debuut, maar lastig blijft het.

Murat Isik

Ik had een monster gecreëerd. Een vierpotig monster met drie koppen dat mij brullend aanstaarde. Hij schuurde met zijn hoeven uitdagend over het parket van mijn werkkamer. En hij spuwde vuur.

Dat was wat ik zag toen ik de eerste versie van mijn debuutroman Verloren grond had voltooid. Ik wist dat ik geen kant op kon en het gevecht met het beest moest aangaan. Ik wist dat ik hem een paar keer moest onthoofden.

De eerste ruwe versie van mijn debuut telde na vier jaar schrijven bijna 700 pagina’s. 192.000 woorden. Niemand hoefde mij te vertellen dat het te veel was. De overbodige zijpaden en uitgerekte scènes moesten eruit. Dat wist ik. Maar hoe kwam het zover? Terug naar het begin.

Verloren grond speelt zich af in een dorp in Oost-Turkije. Het is een familiegeschiedenis. Om authentiek over dat dorp en haar inwoners te kunnen schrijven, diende ik research te doen. Ik besloot mijn ouders te interviewen. Maandenlang sprak ik hen over hun jeugd in het dorp. Zij vertelden, ik schreef alles op in een schrift.

Ik had op een gegeven moment zoveel materiaal en het verhaal dat ik voor ogen had was zo omvangrijk, dat ik besloot mezelf bij het schrijven geen beperkingen op te leggen en de stream of consciousness te volgen, de zinnen te laten vloeien. Toen de oerversie af was, begon het echte werk pas: ik moest het monster te lijf gaan. Het werd een uitputtingslag. Maar na de eerste revisieronde zat ik al op 550 pagina’s. Uiteindelijk heb ik 72.000 woorden geschrapt: een hele roman!

Het moeilijkste onderdeel moest echter nog komen: werken aan de versie waarvan een drukproef zou worden gemaakt. Ik besefte toen heel sterk dat het mijn laatste kans was om fouten te schrappen en zinnen beter te maken, want in de drukproef zelf kun je geen grote wijzigingen meer doorvoeren.

Het maakte dat ik nog preciezer te werk ging dan ik al deed. Niet alleen verwerkte ik de feedback van de persklaarmaker, ook voegde ik zinnen toe. Dat laatste was het zwaarste onderdeel: vlak voor het einde gloednieuwe zinnen toevoegen aan een manuscript waar ik zo lang aan had gewerkt. Zinnen die buiten mijn agent en redacteur om in de drukproef zouden belanden. Het maakte dat ik die zinnen met een obsessieve precisie reviseerde.

Midden in de nacht las ik iedere nieuwe zin wel twintig keer hardop voor terwijl ik met een potlood in de hand de zin van begin tot eind volgde op het scherm. Ik zocht letterlijk de randen op van mijn fysieke vermogens. Het was een kwelling. Er waren momenten dat ik dacht dat ik ziek zou worden of zou omvallen. Maar ik gaf alleen maar meer gas. En hoe dichterbij de deadline kwam, hoe meer ik mezelf afmatte. Dit helse proces duurde een paar weken. Toch ben ik blij dat ik het gedaan heb, want Verloren grond is mede daardoor de roman geworden die ik altijd voor ogen had.

Deel dit bericht

Wie bepaalt wat een lezer tijdens het lezen voelt: de lezer of de schrijver?

‘Als schrijver manipuleer je mensen met taal: je zet woorden op een bepaalde volgorde om ervoor te zorgen dat je verhaal bij een ander een bepaalde emotie oproept. Maar de lezer manipuleert het verhaal op zijn beurt net zo goed, door die woorden vervolgens van het papier te halen en in het privédomein van zijn hoofd te veranderen in gevoel. Wie is dan de eigenaar van dat gevoel dat een boek oproept, en wie bepaalt hoe het er precies uitziet? En worstelen mijn mede-debutanten hier eigenlijk wel net zo mee als ik? Ik ben ontzettend benieuwd!’ – Myrthe van der Meer

Dennis Rijnvis

De schrijver. Een goed boek kan me blij, droevig of zelfs lichtelijk autistisch maken. Deze zomer las ik Extreem luid & ongelooflijk dichtbij van Jonathan Safran Foer in de trein op weg naar mijn werk. Aangekomen op Amsterdam CS klapte ik het boek dicht. Op de roltrap naar de stationshal galmde in mijn hoofd de stem van de 9-jarige autistische hoofdpersoon Oskar Schell, die in de metropool New York op zoek was naar herinneringen aan zijn vader.

Omdat het druk op straat was, botste ik tegen googolplex mensen aan. Wie waren dat allemaal? Waar gingen ze heen? Wat zochten ze? Ik wilde hun hartslag horen en ik wilde dat zij de mijne hoorden.

Nu wil ik mijn tijdelijke contactgestoordheid niet overdrijven en beweren dat ik in een hoekje van het station de tegels begon te tellen. Maar ik voelde wel meer afstand tot de voorbij trekkende menigte dan anders, ik was in meer in mezelf gekeerd.

Ik dacht aan de uitvindingen waarmee Oskar in zijn fantasie toenadering zocht tot andere mensen: een systeem van luidsprekers waarmee iedereen de hartslag van passanten zou horen. Een reservoir waarin ‘s nachts de tranen van alle mensen in New York werden opgevangen, zodat een weerman ‘s ochtends kon rapporteren hoe droevig de stad was.

Natuurlijk ga ik mezelf niet vergelijken met Safran Foer. Ik kan alleen hopen dat mijn boek Savelsbos het gevoel van mensen straks op enige wijze zal beïnvloeden. Het schrijven had in ieder geval effect op mijn eigen stemming. Tijdens het werk aan de hoofdstukken waarin de wanhopige hoofdpersonen twee mannen ontvoeren en dagenlang vasthouden in een donkere mergelgroeve, werd ik zelf ook moedeloos. Ik zag het schrijfproject als een donkere tunnel waaraan nooit een einde kwam. Dat is – net als autisme – een emotie die je anderen normaal gesproken niet toewenst. Maar bij het lezen van een boek juist wel, want daarbij kun je heel even opgaan in gevoelens die je in het echte leven misschien nooit zult ervaren.

Wytske Versteeg

Als alleen de schrijver zou bepalen waar een boek over gaat, waren boekverfilmingen niet zo vaak teleurstellend. Dat zijn ze meestal wel, als je het boek gelezen hebt en dat komt niet alleen door de wetten van Hollywood. We lezen allemaal ons eigen boek; de personages worden door de schrijver ruw geschetst, maar het is de lezer die er een portret in olieverf van maakt. De beelden komen uit ons eigen hoofd; het verhaal is een vervolg op de verhalen uit ons leven.

Maar Nabokov zei het al – ‘lezers zijn geen schapen en niet elke pen verleidt hen’. De schrijver is degene die met zijn verhaal de lezer de ruimte moet geven om zich vrijuit van alles te voor te stellen, te verbeelden. In slechte boeken zit de schrijver in de weg, vertelt opdringerig hoe je het boek moet begrijpen of schrijft slordig, zodat je hem in elke zin ziet en dan blijft er één gevoel over: ergernis. Een goed boek daarentegen lijkt misschien meer op muziek dan je zou denken; het heeft een sfeer, een ritme en een melodie, het voedt de beelden in je hoofd maar maakt ze niet. Goede boeken zetten net genoeg richtingaanwijzers neer om je te helpen verdwalen.

Peter Zantingh

We beginnen met een lastige vraag, merk ik. Het gevaar om hier met pretentieus gewauwel op te antwoorden, is groot. En we zijn slechts debutanten. Maar goed, daar gaan we.

De schrijver is uiteraard degene die de lezer bij de hand neemt. Hij reikt hem de woorden, observaties en dialogen aan. Het kader, eigenlijk. Als ik nu, als schrijver van dit kleine stukje, het woord ‘boom’ opschrijf, bezorg ik een beeld bij de lezer, jij dus. Je denkt aan een boom.

Maar omdat iedere lezer daar iets anders bij ziet – een kale boom in een Hollandse straat die zijn bladeren verloor aan de herfst, een vol in bloei staande eikenboom, een palmboom op Hawaï – geeft elk zijn eigen betekenis aan het woord. Natuurlijk, ik kan die uitgebreidere beschrijvingen ook gebruiken om meer te vertellen over de boom, maar nooit zal ik helemaal kunnen infiltreren in het hoofd van de lezer en elk blaadje, elke tak en elke knoest op de juiste plek kunnen leggen.

Op het gevaar af als een politicus te klinken: dat moet je ook niet willen.

Ik zeg altijd graag dat ik wil dat de lezer na de laatste zin iets anders moet voelen dan vóór de eerste. In die zin zou mijn antwoord dus zijn: het is aan de schrijver om de lezer iets te laten voelen. Maar wat dat precies is, dat is, gelukkig, aan de lezer zelf.

Murat Isik

Het meest juiste antwoord op dit soort vragen is natuurlijk altijd: dat hangt ervan af. Van de lezer in kwestie, de kwaliteiten van de schrijver en ook het soort verhaal. Maar in het algemeen kan ik hier een paar dingen op zeggen.

Als ik een boek lees of een film kijk, wil ik geraakt worden, ik wil iets voelen. Fascinatie, spanning, angst, verontwaardiging, ontroering… wat het ook is, er moet iets met mij gebeuren door de woorden of beelden. Het mag mij niet onberoerd laten, anders ben ik weg. Tenzij ik me in een bioscoopzaal bevind, want dan ben ik blijkbaar ruimhartiger en bereid de rit uit te zitten, hoe ellendig die soms ook is. Al ben ik wel vaak in slaap gevallen.

Het verhaal is dus leidend, en de architect daarvan is natuurlijk de schrijver. Hij sluit een pact met de lezer en doet de belofte een bijzonder verhaal te zullen vertellen. Hij wil niets liever dan met zijn geesteskind die lezer raken. Sterker nog: hij regisseert dat naar zijn beste vermogens. En terecht. Goede schrijvers hebben een gereedschapskist vol scherpe en fluwelen instrumenten die ze op het juiste moment inzetten om een lezer in het verhaal te trekken en diens hart te beroeren.

Een nuance is echter op zijn plaats: je kunt niet, in de letterlijke zin van het woord, bepalen wat de lezer voelt, want de ene lezer is de andere niet. E.L. James kan wereldwijd blijkbaar miljoenen vrouwen bekoren, maar voor een liefhebber van J.M. Coetzee zal haar werk waarschijnlijk ondraaglijke tortuur zijn.

Kortom, een goede schrijver probeert de lezer te raken. Daarvoor gebruikt hij alle technieken die hij machtig is. Als hij dat op een virtuoze manier doet, zal de ziel van de lezer zich voor hem openen met een wervelwind van gevoelens als gevolg.

Deniz Kuypers

Tien jaar geleden had ik een verhitte discussie met een leraar Engels aan de UvA, die beweerde dat lezers over het algemeen de voorkeur geven aan de rijke taal van Charles Dickens boven de afstandelijke toon van Daniel Defoe in Robinson Crusoe. Hij zei dit alsof het een feit was. Ik was echter geen fan van Dickens – dat ben ik nog steeds niet – juist omdat Dickens’ uitbundigheid het de lezer niet toestaat om zelf te bepalen wat hij of zij voelen moet bij het lezen van bijvoorbeeld Great Expectations of Oliver Twist. Dickens legt zijn eigen emoties er zo dik bovenop, dat het verstikkend werkt.

Een schrijver moet afstandelijk zijn, maar niet kil. Een goede schrijver kan de lezer op een subtiele manier in een bepaalde richting proberen te leiden – door de onderwerpen die hij kiest, of de manier waarop hij het verhaal vertelt – maar hij kan niet voorspellen hoe de lezer daarop zal reageren. Dat is het mooie van schrijven: zodra je een verhaal in het wild uitzet, is het niet meer van jou, maar van de lezer.

Een schrijver moet echter wel bij zijn personages betrokken zijn. Hoe kun je immers als schrijver verwachten dat een lezer iets om je personages geeft als je dat zelf niet doet?

Een goed voorbeeld is Philip Roth, die in Sabbath’s Theater een verachtelijke hoofdfiguur ten tonele brengt. De ene lezer zal dit personage vervloeken, en de andere zal medelijden met hem hebben. Maar aan Roth ligt die keuze niet, want hij beschrijft de man met genoeg afstand, maar ook begrip, dat zijn gevoelens die van de lezer niet in de weg staan.

Myrthe van der Meer

Kun je als schrijver bepalen wat een ander op elk willekeurig moment tijdens het lezen van een boek voelt?

Wat ik me afvraag: doen schrijvers überhaupt iets anders? Het hoofd van de schrijver en dat van de lezer worden weliswaar door twee plankjes karton en wat velletjes papier fysiek van elkaar gescheiden, doordat geschreven tekst direct contact overbodig maakt, maar toch roept dat wat de één schrijft soms honderden jaren en duizenden kilometers later nog intense emoties op bij de ander.

De beklemmende eenzaamheid die Bernlef oproept als hij in Hersenschimmen de aftakeling van een demente man registreert – je registreert niet alleen ‘Dit is waarschijnlijk schrijnend bedoeld’, je voelt het ook echt. Maar dat is geen toeval: het is omdat die emotie in het verhaal is geschreven, omdat de hoofdpersoon aan het begin sympathie opriep. Dan komt die aftakeling keihard aan.

Een goede schrijver bepaalt exact op welk punt hij wil dat bij de lezer het angstzweet uitbreekt, waar hij twijfel voelt en hoe lang die zucht van opluchting gaat duren. Hij weet misschien niet hoeveel emotie de individuele lezer zal voelen – tranen met tuiten of een subtiel snikje van binnen – maar wel wat de lezer voelt: zonder dat is er namelijk geen verhaal. Als je in lachen uitbarst bij een emotioneel bedoelde sterfscène of de romantische seksscène als beklemmend ervaart, blijft er van de rest van het verhaal ook nog maar weinig over. Want schrijven is emotie, maar lezen nog veel meer.

Waar een goede schrijver de lezer de zekerheid van de juiste emotie op het juiste moment geeft, haalt de beste schrijver echter die zekerheid misschien juist zelfs wel weg, zodat de lezer ineens geconfronteerd wordt met zijn eigen binnenwereld, de grenzen van zijn referentiekader, waardoor hij ineens niet meer weet wat hij moet denken en hij gedwongen wordt de gevoelens onder ogen te komen die alleen hij kent en die hij met niemand anders wilde delen.

Dan weet zelfs de schrijver niet meer welke emoties er precies door de lezer gaan. Maar gevoeld wordt er zeker.

Deel dit bericht